Grond: Enkele kenmerken van de zaak en het analogon
Motivering: Zaak en analogon hebben enkele kenmerken gemeen
Ondersteuning: De overeenkomsten zijn relevant voor de conclusie
Kwalificatie: Waarschijnlijk
Voorbehoud: Tenzij zaak en analogon ook relevante verschillen tonen
Conclusie: Ook andere overeenkomsten
Inductieve analogieën: het accent ligt op het aantonen van de veronderstelde
overeenkomst.
De zaak Z heeft ook kenmerk K gemeen met analogon A, of met de analoge gevallen
A t/m E
Begripsmatige analogieën: de nadruk ligt op de ondersteuning.
De zaak Z heeft zoveel kenmerken gemeen met het analogon, het begrip A, dat
Z gelijk moet worden behandeld als verschijnselen die onder begrip A vallen
Drogredenen
Drogreden van de oppervlakkige overeenkomst: Onvoldoende relevant zijn van de overeenkomsten
Twee fouten maken iets goed:
Glijdende precedent:
Motivatie van individuen:
Evaluatie
Een inductieve analogieredenering wordt sterker naarmate:
|
redeneer procedure |
soort conclusie |
mate van zekerheid |
Functie |
geldige redeneervorm |
|
Analogie |
empirisch en normatief |
waarschijnlijk |
nieuwe kenmerken bepalen |
|
|
bepaling van gelijke behandeling |
|
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Peter Prevos (1998)