Wetenschapsfilosofie: filosofisch vakgebied waarin de ontwikkeling, grondslagen, methoden en invloed van de wetenschappen worden onderzocht. Sinds Wiener Kreis:
Logisch empirisme: de wetenschapsfilosofie van de Wiener Kreis. Een combinatie van een logische analyse van de taal en empirisme. Zie ook logisch positivisme en:
Ostentieve definitie: een term uit het logisch-empirisme. Een definitie verbindt een naam met een werkelijk bestaand voorwerp, door een uitspraak te doen (dit is rood) en tegelijkertijd een (rood) voorwerp te tonen of aan te wijzen.
Logisch positivisme (of neopositivisme): de filosofie die vanaf circa 1920 door een groep geleerden in Wenen werd ontwikkeld op basis van de formele logica en de natuurwetenschappen. Het stelt dat alle geldige uitspraken wetenschappelijk verificeerbaar moeten zijn, d.w.z. via vaste regels te herleiden tot waarnemingsgegevens, al het andere is bijgeloof of ideologie.
Logisch atomisme: de op de logica gebaseerde ontologie van Russell en de vroege Wittgenstein, die inhoudt dat de wereld volgens logische regels is opgebouwd uit elementaire feiten of atomen.
Empirisme (inductivisme): kentheoretische stroming die stelt dat alle kennis gebaseerd is op (zintuiglijke) ervaring. Volgens empiristen spelen inductieve generalisaties een essentiële rol bij de totstandkoming van wetten. I.t.t.
Rationalisme (deductivisme): kentheoretische filosofie die stelt dat de rede (het verstand) de voornaamste bron van kennis is (Descartes en in zekere zin ook Immanuel Kant). Volgens het rationalisme kunnen uit de door het verstand voortgebrachte algemene principes, die een uitspraak doen over alle mogelijke gevallen, uitspraken worden afgeleid die kunnen worden vergeleken met bijzondere gevallen.
Inductie: logische redeneervorm die uitgaat van een aantal uitspraken over hetzelfde soort bijzondere gevallen en op grond daarvan concludeert tot een algemene uitspraak die geldt voor alle gevallen van die soort; ofwel: die door generaliseren komt tot het formuleren van een algemene wetmatigheid. Leidt nooit tot waarheid, i.t.t.
Deductie: logische redeneervorm waarbij uit uitspraken andere uitspraken op logisch noodzakelijke wijze worden afgeleid. Redenering die uit het algemene het bijzondere afleidt. Als van een deductie de premissen waar zijn, is de conclusie noodzakelijk ook waar. Volgens Aristoteles is een echte wetenschap een deductief systeem. Descartes verstaat onder deductie de verstandswerking die correspondeert met het afleiden van steeds ingewikkelder waarheden uit eenvoudiger waarheden.
Kritisch rationalisme: de door Popper ontwikkelde wetenschapsfilosofie. De kern luidt dat wetenschappelijke kennis altijd een vermoeden zal blijven. Kennisontwikkeling begint bij het verstand (de ratio). Via methodologische regels (falsificatie, corroboratie) kan kennis worden verbeterd, maar is nooit zeker. T.o. de empiristische wetenschapsfilosofie, die zekere waarnemingsuitspraken beschouwt als het fundament van kennis.
Empirische inhoud: de verzameling van potentiële falsificatoren van een theorie, d.w.z. de basisuitspraken die, als zij worden aanvaard, tot falsificatie van de theorie leiden. De empirische inhoud van een theorie neemt toe naarmate zijn falsifieerbaarheid toeneemt; het begrip dient als maatstaf bij het onderling vergelijken van theorieën.
Basisuitspraak: een singuliere, existentiële uitspraak, die ontkent wat de universele uitspraak stelt. Wanneer de basisuitspraak waar is, is de bijbehorende universele uitspraak onwaar. ('deze zwaan is zwart' t.o.v. 'alle zwanen zijn wit').
Falsificatie: weerlegging; volgens Popper is niet verificatie, maar principiële weerlegbaarheid de maatstaf voor de wetenschappelijkheid van een theorie. Een theorie is falsifieerbaar als de verzameling van potentiële falsificatoren niet leeg is, d.w.z. als er basisuitspraken kunnen worden geformuleerd waaraan de theorie kan worden getoetst.
Corroboratiegraad: heeft betrekking op de vraag in hoeverre theorieën (strenge) toetsen hebben doorstaan. De corroboratiegraad vormt hiervan een verslaglegging. Staat t.o. de:
Confirmatiegraad (of verificatiegraad): term uit de logisch-empiristische wetenschapsfilosofie (Carnap). De mate van waarschijnlijkheid van een hypothese of theorie, op grond van empirische resultaten.
Verificatie: het als waar bewijzen van een wetenschappelijke aanname op basis van empirische waarneming. Bevestiging van een wetenschappelijke theorie.
Verificatiecriterium (uit het logisch-empirisme): alleen die zinnen (elementaire proposities) hebben betekenis waarvan aan de hand van ervaring is na te gaan of zij waar of onwaar zijn.
De wetenschappelijke revolutie bracht met zich mee dat gevestigde kentheoretische opvattingen in de problemen kwamen: men nam afstand van het common-sense wereldbeeld. Maar als wetten zoals van Newton niet direct af te leiden zijn uit alledaagse ervaringen, hoe kan men ze dan toch rechtvaardigen? Door zich te beroepen op de geldigheid van de gebruikte kennisbron (ervaring: empirisme, of verstand: rationalisme). Empirisme en rationalisme zijn niet alleen 2 tegengestelde visies op de ontwikkeling van kennis (filosofische verschillen), maar ook op de 'werking' van de geest (psychologische verschillen): volgens de empiristen worden via associaties van zintuiglijke ervaringen de meer abstracte ideeën in de geest gevormd, maar zij weten niet hóe. Volgens de rationalisten bezit de geest van nature al bepaalde vermogens, maar het is onduidelijk hoe het verband is tussen die aangeboren vermogens en zintuiglijke ervaringen, en het is problematisch hoe we die vermogens nader kunnen onderzoeken. De Wiener Kreis dacht m.b.v. een logische analyse van de taal filosofische kwesties scherper te kunnen onderscheiden van psychologische kwesties. Zo wilde men onderzoeken hoe, en welke, kennis over de werkelijkheid te rechtvaardigen valt. Hun logisch empirisme was het eerste resultaat van de wetenschapsfilosofie. Negatief doel: het elimineren van metafysische, speculatieve beweringen (want die zijn niet empirisch te staven) uit het kennisdomein van de filosofie en de wetenschap. Positief doel: de ontwikkeling van een filosofie die moet laten zien hoe begrippen en zinnen in wetenschappelijke beweringen empirische inhoud krijgen (verg: de empiristische filosofie van Ernst Mach, die kennis trachtte te herleiden tot gewaarwordingen). De belangrijkste resultaten van het logisch empirisme waren het verificatiecriterium en de analyse van de (axiomatische) structuur van wetenschappelijke theorieën. Volgens het logisch empirisme verloopt de verklaring van een verzameling empirische wetten door een theorie als volgt: de uitgangssituatie is dat er een aantal empirische wetten voorhanden zijn die met behulp van een relatief onproblematische terminologie (vooraf begrepen termen) een aantal verschijnselen uit een bepaald domein beschrijven. Zowel die terminologie als de erin geformuleerde wetten zijn produkten van voorafgaande ontwikkelingen in de wetenschap. Vervolgens wordt er, ter verklaring en ter systematisering van deze wetten, een theorie geïntroduceerd (met nieuwe, theoretische termen: verwijzen niet onmiddellijk naar observaties en zijn niet vooraf begrepen). Die theorie postuleert daartoe in de eerste plaats een bepaalde onderliggende structuur of theoretisch scenario. Dit gebeurt middels een aantal interne principes. Vervolgens postuleert de theorie, middels een aantal brugprincipes, dat er bepaalde verbanden bestaan tussen enerzijds de onderliggende structuur en de processen die zich daar afspelen, en anderzijds de verschijnselen die de empirische wetten beschrijven. M.b.v. die interne en brugprincipes samen kunnen dan deductieve verklaringen worden opgesteld van de empirische wetten. De Wiener Kreis is een mengeling van Wittgenstein zijn logische analyse van de taal (waarmee hij de metafysica uit de filosofie probeerde te elimineren: de Tractatus), en het empirisme van Mach en Russell. De drie doctrines die ze van Wittgenstein overnamen zijn:
Het verificatieprincipe en het empirisme komen, i.t.t. tot wat zij beweren
niet van Wittgenstein, die beweert dat de
logisch empiristen een verkeerde opvatting van de ostentieve definitie hebben;
dat is volgens hem een (grammaticale) substitutieregel waarmee de betekenis
van een woord wordt vastgelegd; het voorziet in een standaard van vergelijking
waarmee juiste en onjuiste toepassingen van woorden kunnen worden bepaald.
Het maakt de substitutie mogelijk van een aanwijzend voornaamwoord samen
met een gebaar die een standaard aanduidt, naar een verbale uitdrukking
('dit is rood' betekent niet 'deze stoel is rood', maar 'deze kleur is rood').
Het INDUCTIEPROBLEEM: de waarheid van universele uitspraken en empirische wetten is nooit vast te stellen op grond van een eindig aantal waarnemingen. Inductieve generalisaties zijn daarom altijd problematisch; dit is voor de logisch empiristen altijd een probleem gebleven. Volgens Poppers kritisch rationalisme komt kennisgroei tot stand via de falsificatie van universele uitspraken in theorieën. Universele uitspraken die niet worden gefalsifieerd zijn voorlopig waar. Volgens Popper is er geen verschil tussen waarnemingsuitspraken en theoretische uitspraken (alle uitspraken zijn theoretisch). Kennis is niet te rechtvaardigen door ervaring; ervaring motiveert hoogstens het besluit om een bepaalde basisuitspraak al dan niet te aanvaarden. Dit besluit is te rechtvaardigen aan de hand van zijn methodologische regels:
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
C. De Beij