Wetenschapsfilosofie of wetenschapssociologie?

Paradigma: (Grieks: voorbeeld) term uit de wetenschapsfilosofie van Kuhn. Later ook gebruikt door Constant. Bij Kuhn is het in eerste instantie het maatgevend voorbeeld dat wetenschappers door socialisatie in de wetenschappelijke gemeenschap verwerven. Het paradigma geeft impliciet richting aan het onderzoek in een bepaald wetenschapsgebied. In tweede instantie betekent het 'wereldbeeld'.
PARADIGMATHEORIE: wetenschappers bezien de werkelijkheid vanuit een kader van gedeelde metafysische vooronderstellingen. Alleen zo is onderzoek mogelijk. Paradigma's kunnen zelf niet getoetst worden, het zijn geen feiten. Ze bepalen wat als toetsing of als feit kan gelden. Later introduceert hij, als hij de nadruk legt op het wereldbeeld, het begrip 'disciplinaire matrix'. Constant gebruikt het begrip in zijn onderzoek naar de ontwikkeling van de techniek. Hij introduceert technologische paradigma's naar analogie van wetenschappelijke paradigma's.

Anomalie: verschijnselen die ten tijde van normale wetenschap niet te vatten zijn binnen het geldende kader; stukjes die niet in de puzzel lijken te passen. Ze worden in eerste instantie terzijde gelegd. Als de stapel anomalieën erg groot wordt, komt het paradigma onder druk te staan.

Normale wetenschap: In een periode van normale wetenschap ontwikkelt de kennis zich doordat wetenschapsbeoefenaars gezamenlijk werken aan het oplossen van een puzzel. De grote lijnen van het onderzoek zijn gegeven door het kader van het heersende wereldbeeld (de disciplinaire matrix) en maatgevende voorbeelden (het paradigma). Wordt afgewisseld door:

Revolutionaire wetenschap: in een periode van revolutionaire wetenschap wordt gezocht naar nieuwe wereldbeelden. Maatgevende voorbeelden en principes hebben afgedaan. Concurrerende visies op de werkelijkheid die pretenderen eerdere anomalieën te kunnen integreren, bestaan naast elkaar. Deze periode komt tot een einde wanneer een van de nieuwe voorstellen de steun verwerft van de wetenschappelijke gemeenschap. Er ontstaat een nieuw paradigma en een nieuwe disciplinaire matrix.

Incommensurabiliteit: er is geen gemeenschappelijk kader aan de hand waarvan twee verschillende praktijken of begrippenapparaten (paradigma's, theorieën) met elkaar gemeten of in elkaar vertaald kunnen worden.

Onderzoeksprogramma: term uit Lakatos' wetenschapsfilosofie. Een keten van specifieke, zich in de loop der tijd ontwikkelende theorieën, die een gemeenschappelijke harde kern bezitten, maar tevens uitgaan van wisselende aanvullende hulphypothesen.

Theoretische progressie: (Lakatos) criterium ter vergelijking van verschillende theorieën. Een nieuwe theorie verklaart alles wat de voorganger verklaarde. De nieuwe theorie voorspelt zekere 'nieuwe feiten'.

Empirische progressie: is theoretische progressie, waarbij sommige van die 'nieuwe feiten' bovendien langs empirische weg worden bevestigd.

Volgens Kuhn is er geen onafhankelijk criterium voor wetenschappelijke kennis: hetzij verificatie, hetzij falsificatie. Wat wetenschappelijk is, is niet onafhankelijk van de activiteiten en denkbeelden van de wetenschappers vast te stellen. Daarbij gaat het om de wetenschappelijke gemeenschap (i.p.v. de individuele wetenschapper); een paradigma is een door een groep wetenschappers gedeeld wereldbeeld (disciplinaire matrix).

WETENSCHAPPELIJKE VOORUITGANG:

  • Voor de empiristen het vergroten van de empirische inhoud van theorieën (toename van de geverifieerde feiten).
  • Voor Popper het verwerpen van verkeerde theorieën en het opstellen van theorieën met een grotere corroboratiegraad en empirische inhoud (toename van potentiële weerleggingen).
  • Volgens Kuhn gaat het om het beschrijven van de voortgang, dus om de descriptie en niet om de normatieve beoordeling. A-historische en onafhankelijke, overkoepelende rationaliteitsconcepties zijn achterhaald; wat rationeel is is datgene waartoe de wetenschappelijke gemeenschap besluit. De overgangen in de ontwikkeling van de wetenschap kunnen niet m.b.v. rationele argumenten worden verklaard, maar m.b.v. een sociologische benadering. Men moet dus afzien van externe, onafhankelijke criteria voor vooruitgang, en zich richten op datgene wat in de praktijk als vooruitgang geldt. Vooruitgang is relatief; afhankelijk van de wetenschappelijke gemeenschap.
  • Lakatos meent dat er op rationele basis gekozen kan worden tussen verschillende onderzoeksprogramma's en dat men op grond van rationele criteria kan aangeven of er vooruitgang is geboekt; wetenschappelijke revoluties kunnen rationeel worden beslecht (normatief). Hij gelooft evenals Popper dat niet-gefalsifieerde inhoud een criterium voor vooruitgang vormt. Daarnaast onderscheidt hij andere criteria: theoretische en empirische progressie.

  • Volgens Kuhn zijn er dus geen onafhankelijke, ojectieve, voor iedereen met hetzelfde resultaat toepasbare criteria voor wetenschappelijke vooruitgang, volgens Lakatos wel. Kuhn heeft weinig problemen met vooruitgang bínnen normale wetenschap, maar dit is niet via methodologische regels objectief vast te stellen. De wetenschappelijke gemeenschap beslist. Volgens Kuhn is er geen externe maatstaf aan te wijzen op grond waarvan wetenschappers besluiten over te gaan op een ander paradigma (incommensurabiliteit), volgens Lakatos is er een objectieve methodologische regel voor de afweging tussen twee onderzoeksprogramma's (het empirisch progressieve i.p.v. het stagnerende). Kuhn-loss: als het nieuwe programma geen verklaring levert voor allerlei verschijnselen waarvoor het oude programma wel een verklaring had.

    Poppers reactie op Kuhn dat de discrepantie tussen zijn methodologie en het feitelijk gedrag van wetenschappers niet wijst op een fout in de methodologie, maar op fouten in de wetenschappelijke praktijk is fundamenteel onjuist. De grondslagen van wetenschappelijke kennis zijn alleen te bestuderen door uit te gaan van datgene wat wetenschappers in de praktijk doen. De overstap van Kuhn (van wetenschapsfilosofie naar wetenschapstheorie, met wetenschapssociologie en -geschiedenis) is uiteindelijk een filosofische daad. Dit sluit aan bij de taaltheorie van de latere Wittgenstein (kennis is belichaamd in uitspraken, die een geheel van regels veronderstellen; regels kunnen niet getoetst worden; ze zijn afhankelijk van het taalspel dat men speelt).

    Volgens Lakatos moet een succesvol onderzoeksprogramma aan de volgende criteria voldoen:

    1. Alle theorieovergangen binnen het programma moeten theoretisch progressief zijn.
    2. Sommige van die overgangen moeten bovendien empirisch progressief zijn.


    Hij meent dat we, wanneer een onderzoeksprogramma empirisch progressief is, een redelijke garantie hebben dat de opeenvolgende specifieke theorieën de waarheid steeds dichter benaderen (normatief aspect). Ook beweert hij dat het feitelijk handelen van de onderzoekers in de wetensch. praktijk doorgaans ruwweg in overeenstemming is met zijn criteria (descriptief aspect). Die criteria geven ons dan inzicht in de feitelijke waarderingen en keuzen van wetenschappers t.a.v. onderzoeksprogramma's en theorieovergangen daarbinnen, en dus in de feitelijke manier waarop wetenschap zich ontwikkelt.


    | Index | Filosofie | Wetenschapsleer | vorige | volgende |

    Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

    correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

    C. De Beij