Het probleem van een wetenschappelijk realisme

Realisme:
1. Benaming voor diviverse filosofische stromingen die aan de werkelijkheid de voorrang voor het denken toekennen (in tegenstelling tot idealisme).
2. Wetenschappelijk realisme gaat ervan uit dat het bestaan van de werkelijkheid en de algemene structuren ervan onafhankelijk zijn van het bestaan en het proces van kennisverwerving van de mens. Tevens gaat het ervan uit dat concrete natuurwetenschappelijke uitspraken of theorieën betrokken zijn op deze mens-onafhankelijke werkelijkheid (tegenover instrumentalisme, sociaal-constructivisme en relativisme).

Naïef realisme: wetenschappelijke uitspraken of theorieën corresponderen direct met, of vormen een letterlijke representatie of afspiegeling van de stand van zaken in een mens-onafhankelijke werkelijkheid.

Convergent realisme: de evolutie van de wetenschap levert een steeds betere benadering van de werkelijkheid op en convergeert zo in de richting van waarheid (vooronderstelt coreferentie en conceptuele en/of pragmatische vooruitgang).

Referentieel realisme: realisme ten aanzien van entiteiten. De door de natuurwetenschappelijke theorieën gepostuleerde entiteiten bestaan werkelijk; theoretische termen refereren naar onafhankelijk bestaande entiteiten (Hacking en Radder). Tegenover:

Representationeel realisme: realisme ten aanzien van theorieën.

Instrumenteel realisme: wetenschappelijke kennis is gebaseerd op de instrumentele omgang met en verandering van de natuur. Kennis is gericht op de werkelijkheid, maar wat werkelijk is, is afhankelijk van de manier waarop met de werkelijkheid wordt omgegaan. Instrumenten veronderstellen stabiele, gedeelde praktijken. Wetenschappelijke vooruitgang bestaat eruit dat nieuwe praktijken de werkelijkheid beter hanteerbaar maken (Ihde).

Idealisme: filosofische stromingen die de werkelijkheid tot een geestelijk principe herleiden; ook de naam voor het praktische streven naar verwerkelijking van een ideaal. Volgens het idealisme bestaat er geen werkelijkheid los van het bewustzijn (tengenover realisme).

Instrumentalisme: in de empiristische wetenschapsfilosofie de opvatting dat theorieën min of meer handige instrumenten ter ordening en voorspelling van waarnemingsgegevens zijn en niet een mens-onafhankelijke werkelijkheid beschrijven.

Sociaal-constructivisme: de relativistische stellingname dat feiten of artefacten niets meer zijn dan sociale constructies.

Relativisme: de leer dat er geen universele maatstaven voor waarheid bestaan; waarheid stoelt niet op bepaalde eeuwige mens-onafhankelijke waarheidscriteria, maar is louter een historisch en maatschappelijk bepaalde benaming.

EPOR: Empirisch Programma van het Relativisme. Collins is de belangrijkste woordvoerder van deze stroming in de recente wetenschapssociologie. Men beoogt een sociologische verklaring van de produktie en evaluatie van wetensch. kennis. Er worden drie fasen onderscheiden:

  1. fase van de interpretatieve flexibiliteit: natuurwetenschappelijke experimenten en gegevens kunnen altijd op meerdere manieren worden geïnterpreteerd. Deze flexibiliteit betreft zowel de theoretische beschrijving van de gegevens zelf, als de betekenis die aan deze gegevens wordt toegekend voor de acceptatie of verwerping van bepaalde theorieën.
  2. fase van het sluiten van de discussie, dat moet worden opgevat als een sociaal proces. De wetenschapssocioloog kan de sociale mechanismen die de interpretatieve flexibiliteit inperken en die leiden tot consensus, onderzoeken.
  3. fase waarin de sociale mechanismen die binnen de wetenschap leiden tot het sluiten van de debatten, worden gerelateerd aan factoren in het ruimere sociaal-culturele milieu waarin de beteffende wetenschap ingebed is. Pendant in het techniekonderzoek:


SCOT
: Social Construction Of Technology. benadering in het techniekonderzoek (Pinch en Bijker). Doel is zowel het succes als het falen van technische artefacten in de loop van hun ontwikkeling op een sociologische manier te verklaren. Kernbegrippen zijn: relevante sociale groep, sociale betekenis, probleem, oplossing.

Het probleem van het wetenschappelijk realisme (zie definitie): of, en zo ja in welke zin, (natuur)wetenschappelijke kennis betrekking heeft op een mensonafhankelijke werkelijkheid. En is een verwijzing naar de werkelijkheid nodig om wetenschappelijke kennis te rechtvaardigen?

Binnen het empirisme stond realisme tegenover instrumentalisme: zijn theorieën slechts min of meer handige instrumenten ter ordening en voorspelling van waarnemingsgegevens, of beschrijven ze een mens-onafhankelijke werkelijkheid?

Het naïef realisme bleek onhoudbaar (wetenschappelijke theorieën zijn in de loop van de geschiedenis immers steeds aan veranderingen onderhevig). Volgens het convergent realisme is er sprake van convergentie in de richting van de waarheid:

  1. als de centrale termen uit opeenvolgende theorieën corefereren; d.w.z. dat begrippen een verschillende beschrijving van iets geven, maar wel naar hetzelfde verwijzen.
  2. als er conceptuele vooruitgang optreedt; d.w.z. dat een begrip dezelfde eigenschappen van iets beschrijft als het voorgaande begrip, maar er bovendien een aanvulling op geeft.
  3. (en/of) als er bovendien pragmatische vooruitgang optreedt; d.w.z. dat een theorie dezelfde verschijnselen kan verklaren als een voorafgaande theorie, maar tevens nieuwe verschijnselen.


Tegenover het realisme staan de recente wetenschapssociologische (relativistische) theorieën: volgens het sociaal constructivisme (sterk empirisch gericht) zijn feiten niets meer dan sociale constructies; het resultaat van onderhandelingen tussen wetenschappers. Het EPOR (Collins) is een van de stromingen binnen de recente wetenschapssociologie. Uitgangspunt is dat de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke kennis volledig in sociale termen kan worden verklaard.

Twee pogingen om op basis van de wetenschappelijke praktijk (m.n. het experimenteren) te komen tot een zekere realistische interpretatie van de natuurwetenschappen zijn het referentieel realisme en het instrumenteel realisme. Referentieel realisme (realisme t.a.v. entiteiten) stelt dat, in het algemeen, de door de natuurwetenschappelijke theorieën gepostuleerde entiteiten werkelijk bestaan (t.o. representationeel realisme, realisme t.a.v. theorieën: het waar- of onwaar-zijn van wetenschappelijke theorieën wordt bepaald door de werkelijkheid en onze beste theorieën bevatten een bij benadering ware representatie van de werkelijkheid: bleek onhoudbaar).
Het realiteitscriterium van Hacking: een belangrijk criterium voor experimenteel succes is dat de geproduceerde verschijnselen stabiel en reproduceerbaar zijn.
Het referentiecriterium van Radder: we weten dat een theoretische term die voorkomt in de theoretische beschrijving van een experiment verwijst naar een element in de werkelijkheid als de materiële realisering van dit experiment bij herhalingen steeds in dezelfde dagelijkse termen beschreven kan worden
Het referentieel realisme impliceert geen representationeel realisme: we weten dat iets bestaat, niet wat het in wezen is. Volgens het instrumenteel realisme van Ihde is techniek niet de toevallige toepassing van op zichzelf staande, zuivere wetenschappelijke kennis; wetenschap wordt bepaald door haar gerichtheid op techniek. Kennis is gebaseerd op praktische omgang met de dingen in de wereld. De natuurwetenschap is niet de voorwaarde voor techniek, maar de techniek is de basis van de natuurwetenschap (Heidegger). Het instrument garandeert kennis van de wereld, die niet theoretisch is, maar praktisch; deze kennis vormt geen afbeelding van de werkelijkheid, maar maakt het mogelijk om de werkelijkheid te hanteren (Ihde).


| Index | Filosofie | Wetenschapsleer | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

C. De Beij