Menswetenschappen en sociale controle

Functionalisme: sociologische stroming waarin men bestudeert in hoeverre menselijke handelingen functioneel of dysfunctioneel zijn voor de instandhouding van het maatschappelijk systeem. Men richt de aandacht op onopzettelijke en veelal onopgemerkte gevolgen en neveneffecten van menselijke handelingen (Parsons en Merton).
De FUNCTIONALISTISCHE DEVIANTIESOCIOLOGIE beschouwt de moderne medicaliserende benadering van devianten positief, als humanisering. Zij worden steeds minder beschouwd als zondig/misdadig en steeds meer als ziek, gestoord. Geen boetedoening/bestraffing, maar behandeling. Tegenover:

Etiketteringstheorie (INTERACTIONISTISCHE DEVIANTIESOCIOLOGIE): onderzoekt de interacties van (potentiële) devianten met formele organisaties die op actieve wijze betrokken zijn bij het etiketteren, opsporen en behandelen van mensen. Men beklemtoont de schaduwzijde van de medicalisering.

Interactionisme: sociologische theorie, o.a. over deviantie. Interactionisten vatten de maatschappij op als het product van individuele deelnemers aan sociale interacties, waarin onderhandeld wordt over de definitie van de situatie. Via een proces van role-taking, overname van rollen, leren mensen deel te nemen aan de interacties. In elk proces van role-taking is ook een element van role-making, rolvorming, en daarmee van (de mogelijkheid van) rolvernieuwing aanwezig. Role-making ontbreekt in het functionalisme.

Deviantie: afwijkend of afkeurenswaardig gedrag. In de etiketteringstheorie onderscheidt men:

  1. Primaire deviantie: ongewoon of ongewenst gedrag, veelal van een incidenteel of toevallig karakter. Het wordt niet opgemerkt, genegeerd of vergoelijkt. Wordt bepaald gedrag echter wel als afwijkend beoordeeld en gelabeld, kan dat ingrijpende negatieve gevolgen hebben en tot
  2. Secundaire deviantie leiden; mensen spiegelen zich altijd aan het beeld dat anderen van hen hebben. Dat leidt ertoe dat het etiket 'deviant' bij de afwijkende persoon een verdere profilering en reorganisatie van diens gedrag en zelfbeeld in die richting teweegbrengt.


Civilisatietheorie
: (figuratieanalyse) Norbert Elias' analyse van de relatie tussen staatsvorming en civilisatie. Handelingen en denkbeelden van individuen en groepen worden begrepen vanuit de ontwikkeling van maatschappelijke structuren en niet vanuit de bedoelingen van de betrokken personen. Zo zoekt hij een verklaring voor de verandering in de omgangshuishouding tussen mensen en de gevoelshuishouding in mensen, die tot uiting komt in de omvorming van Fremdzwänge, dwang van buiten af, tot Selbstzwänge, zelfbeheersing.

Episteme: term door Foucault geïntroduceerd om parallelle ontwikkelingen in verschillende wetenschappen in een tijdvak te verklaren; een per tijdvak te dateren geheel van bewuste en onbewuste vooronderstellingen, die een breed proces van denken en handelen leiden en omvatten. Het is niet onmiddellijk waarneembaar en niet beperkt tot één of meer wetenschapsgebieden. Wetenschappelijke theorieën en verwante maatschappelijke praktijken worden met elkaar in verband gebracht.

Discursieve formatie: het tot één wetenschapsgebied beperkte episteme. Het accent ligt evenals bij discours op de onscheidbare eenheid van kennis en macht.

Discours: hiermee wordt zowel de inhoud van wetensch. theorieën en de procedures die hun geldigheid moeten bewijzen, aangeduid, als ook allerlei daarmee verbonden institutionele en rituele praktijken van gezagstoekenning of -uitsluiting, van verheerlijking en verguizing. Als een nieuw d. ingang vindt vestigt zich een nieuw samenspel van kennis en macht.

Biopouvoir: beheer en beheersing van het leven. Sociaal episteme. Benaming voor de moderne, zich na 1800 uitbreidende, vorm van maatschappelijke zorg voor de produktie van het menselijk leven. Kenmerken zijn: controle van bevolkingsaanwas en regulering van menselijk gedrag.

Disciplinering: term van Foucault i.v.m. de moderne regulering en rationalisering van menselijk gedrag. Disciplines zijn volgens Foucault de machtspraktijken ofwel technieken die individuele lichamen aan een gedetailleerde en permanente dwang onderwerpen en daarbij tegelijkertijd hun economisch nut en hun politieke volgzaamheid voortdurend vergroten (dressuur). De technieken van de efficiënte regulering van plaats, tijd en handeling bestonden al lang. Maar in de loop van de 17de en 18de eeuw vindt er uitbreiding plaats. Gaandeweg ontstaat de disciplinaire maatschappij. Bij disciplinering spelen de menswetenschappen een centrale rol. Daar worden de twee belangrijkste disciplinaire technieken met elkaar verbonden: het hiërarchisch toezicht en de normaliserende sanctie. Het samenspel van weten en macht is het kenmerk van de disciplinering en van de biopouvoir in het algemeen.

Protoprofessionalisering: (De Swaan) proces dat kenmerkend is voor een onderhandelingshuishouding. Mensen nemen grondhoudingen en basisbegrippen over die in een bepaalde beroepskring circuleren. Deze 'deskundigen in kwesties van deskundigheid' zijn eerder dan anderen geneigd om professionele hulp te zoeken, weten daartoe eerder toegang te vinden, zijn er eerder geschikt voor en hebben er ook baat bij.


| Index | Filosofie | Wetenschapsleer | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

C. De Beij