Multidisciplinariteit: bij multidisciplinair onderzoek, richten de verschillende samenwerkende disciplines zich op hetzelfde object, zonder een duidelijke interactie tussen de bijdragen uit de verschillende disciplines m.b.t. de vraagstelling, de begrippen, methoden of theorieën. T.o.:
Interdisciplinariteit: een sterkere mate van integratie en interactie tussen verschillende samenwerkende disciplines dan bij multidisciplinair onderzoek. Bij interdisciplinair onderzoek wordt niet alleen aan hetzelfde object, maar ook vanuit een gezamenlijke vraagstelling gewerkt. Bij sterke vormen van interdisciplinariteit is er zelfs sprake van integratie van begrippen, methoden en theorieën.
Universele methode: volgens Descartes is de wetenschappelijke methode universeel: het juist gebruikte verstand is de bron van zekere en evidente kennis op ieder gebied, zowel in de natuurwetenschap als in de ethiek. Voor deze u. wetenschap staat de wiskunde model. Ook het positivisme en het logisch empirisme beschouwen de wetenschappelijke methode als universeel geldig en toepasbaar. Empirisch-analytische wetenschappen gaan uit van de universele toepasbaarheid van de natuurwetenschappelijke methode (t.o. wetenschappelijk pluralisme).
Positivisme: stroming in filosofie en wetenschap die stelt dat alleen wetenschappelijke feiten betrouwbare en ware kennis vormen. Grondlegger is Auguste Comte.
Materialisme: filosofie die de werkelijkheid uiteindelijk herleidt tot materie, i.t.t. het idealisme. Kentheoretisch materialisme: vanuit wetenschappelijk perspectief worden de objecten gereduceerd tot materie, zonder dat de filosofische uitspraak wordt gedaan dat deze objecten niets anders zijn dan materie.
Globaal gesproken kan men de eenheid of verscheidenheid van de wetenschappen voorstaan vanuit overwegingen betreffende het object van de wetenschappen of betreffende de methode ter verwerving van kennis. Soms hangen deze twee benaderingen samen, soms juist niet. Is er één object van onderzoek of zijn er meer (fysische én geestelijke), en kan men volstaan met één universele methode, of zijn er ook andere (verstehende, of teleologische) nodig.
Eenheid van wetenschappen op basis van de universele methode
Voorstanders gaan uit van een trappenhuis of een piramide van de wetenschap. De ene wetenschap vormt het fundament voor de volgende, die telkens nieuwe feitelijkheden onderzoekt. Dit beeld veronderstelt een zekere eenheid van wetenschap, tot uitdrukking komend in een continuïteit en een uiteindelijke afleidbaarheid van de wetenschappen onderling. Mens en maatschappij worden gereduceerd tot materie en tot meer of minder ingewikkelde machinerieën die onderworpen zijn aan bepaalde universele wetmatigheden.
17de eeuw: Descartes (wijsgerig
dualisme en kentheoretisch materialisme; universele methode en mechanicistische
fysica).
18de eeuw: Hobbes en De La Mettrie (wijsgerig materialisme;
radicalisering van Descartes' denken in termen
van machines).
19de eeuw: naturalisme (gaat uit van de eenheid van wetenschappen op basis
van het model van de natuurwetenschappen)van Comte (positivisme,
driestadiawet) en Mill (causaliteit en inductieve generalisaties;
empirische wetten).
20ste eeuw: Wiener kreis (geeft naturalisme nieuw impuls) en neopositivisten
Hempel en Nagel. Ook: Popper.
Verscheidenheid van wetenschappen
Voorstanders van meerdere gebouwen van de wetenschappen. De onderscheiding tussen de gebouwen kan worden gefundeerd op verschillen in benaderingswijze of object. Dilthey (en Rickert en Windelband) bepleiten een wetenschappelijk pluralisme, gebaseerd op een onderscheid in benaderingswijzen. Het onderscheid berust niet op een tweedeling in de werkelijkheid als zodanig. Het is de mens die al naar gelang zijn kenvorm iets als natuur of als geschiedenis opvat. In het voetspoor van Kant zijn transcendentale filosofie (de werkelijkheid op zich en voor ons) meent men dat de vraag naar de eigen aard van natuur of cultuur niet beantwoord kan worden. Het neovitalisme (Driesch) bepleit de zelfstandigheid van de levenswetenschappen (teleologische verklaringen).
De oriëntatie op problemen die in een buitenwetenschappelijke context zijn geformuleerd (maatschappelijke problemen dus), brengt met zich mee dat multi- of interdisciplinair onderzoek expliciet noodzakelijk wordt geacht. Voortbouwend op de door Kuhn en Lakatos gelegde basis, hebben de Starnbergers het FINALISERINGSMODEL uitgewerkt. Het maakt duidelijk op welke manieren wetenschap zich in haar ontwikkeling kan richten op maatschappelijke doelen. De kern is het idee dat de aan een onderzoeksprogramma/paradigma ten grondslag liggende harde kern of basistheorie na verloop van tijd algemeen geaccepteerd wordt. Er is dan geen sprake meer van competitie met andere programma's; de basistheorie is rijp, de paradigmatische fase is voltooid.In de postparadigmatische fase wordt wetenschapsinterne motivering vervolgens vervangen door een wetenschapsexterne: wanneer de betreffende wetenschappers doorgaan met het ontwikkelen van nieuwe specifieke theorieën, doen ze dat niet langer om de juistheid van de onderliggende harde kern aan te tonen, maar omdat ze menen dat die specifieke theorieën gebruikt kunnen worden voor het oplossen van maatschappelijk relevante problemen: finalisering.
Reductie: een verklaring van verschijnselen uit een 'hogere' wetenschap aan de hand van theorieën uit een 'lagere' wetenschap.
Reductionisme: gaat ervan uit dat in principe alle wetten en theorieën van hogere wetenschappen kunnen worden gereduceerd tot theorieën van lagere wetenschappen. Ze gaan ervan uit dat er een continuïteit bestaat tussen de objecten uit de hogere en de lagere wetenschappen. De verschillen betreffen niveaus in complexiteit, niet in kwaliteit; de wetenschap dient causale verklaringen te verschaffen voor de door haar onderzochte verschijnselen. Andere verklaringstypen worden afgewezen.
Descartes was een reductionist: hij fundeerde de eenheid van de methode mede in de eenheid van het object van de wetenschap. Mensen, dieren en fysische objecten worden beschouwd als vormen van uitgebreidheid, als materie. Alle kenobjecten worden gezien als meer of minder gecompliceerde stoffelijke lichamen. De bewegingen van deze lichamen zijn onderworpen aan de wetten van de fysica. In zijn mechanicistische fysica kunnen alle natuurverschijnselen zonder uitzondering worden verklaard uit mechanische bewegingen van stoffelijke deeltjes. Bij De La Metrie heeft het reductionisme niet alleen op de wetenschap, maar op de gehele werkelijkheid betrekking.
Bij een HIERARCHISCH model van samenwerking tussen verschillende disciplines treedt een van de specialismes op als centrale gidsdiscipline of als basiswetenschap. Bij een INTERACTIEMODEL hebben we te maken met een netwerk van samenwerkende specialismen. Er is geen sprake van een absolute hiërarchie in termen van een gids-toeleveringsrelatie (wel beurtelings).
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
C. De Beij