LEEREENHEID 12

Naturalisme: gaat uit van de eenheid van wetenschappen op basis van een universele methode, met daaraan gekoppeld de these dat er tussen de sociale en de natuurwetenschappen slechts praktische verschillen bestaan.

Empirisch-analytische (nomothetische) wetenschappen: gaan te werk volgens de methode van de moderne natuurwetenschap:

Nomologische verklaringsmodel: (nomos = wet) verklaringsmodel van de empirische analytische wetenschap: men verklaart verschijnselen in termen van causale relaties en wetmatigheden.

Wetmatigheid: algemene causale samenhang.

Causale relatie: samenhang tussen twee verschijnselen waarbij het eerste de oorzaak (Latijn: causa) is van het tweede, het gevolg. Ook wel EXTERNE CONDITIONELE RELATIE: de oorzaak is een voorwaarde voor het optreden van het gevolg. Oorzaak en gevolg kunnen onafhankelijk van elkaar worden gedefinieerd. T.o. interne of conceptuele relaties en t.o. vitalistische, teleologische relaties.

Causale (deductief- nomologische) verklaring: verklaring van een verschijnsel door aan te geven van welke oorzaak het gevolg is, m.b.v. algemene wetmatigheden (zie ook leereenheid 3).

Causaliteitsbeginsel: het principe dat alles wat gebeurt een oorzaak heeft. Het formuleert de eis de te onderzoeken verschijnselen te verklaren als een samenhangend geheel van causale, conditionele relaties (postulaat v.d. wetmatigheid).

Analyseerbaarheid: een van de postulaten van de empirische analytische wetenschap. Het formuleert de eis dat de te onderzoeken verschijnselen moeten kunnen worden geanalyseerd in hun samenstellende delen, die logisch onafhankelijk van elkaar te definiëren moeten zijn, om cirkelredeneringen te voorkomen.

Interne, conceptuele relatie: relatie tussen dingen of verschijnselen die naar elkaar verwijzen, intern of logisch met elkaar samenhangen (t.o. externe causale relatie).

Hempel en Nagel (leden van de tweede generatie van de Wiener Kreis) hebben het naturalisme in de naoorlogse wetenschapsfilosofie verdedigd; tegenwoordig de empirisch-analytische wetenschappen. Kenmerken: empirische waarneming, logica, universele wetten (inductieve generalisaties), experiment en wiskundige constructies. Doel: verklaren, voorspellen en beheersen, d.m.v. het zoeken naar universele causale relaties (wetmatigheden), m.b.v. het deductief-nomologisch model.

Bij een deductieve of causale verklaring volgt het explanandum (conclusie) deductief uit het explanans (de premissen of explananszinnen). Het bevat de volgende componenten:

  1. oorzaak (beginvoorwaarde of initiële conditie; bijzondere of singuliere uitspraken, die een concrete, aan plaats en tijd gebonden gebeurtenis beschrijven, of die aan een concreet object een bepaalde eigenschap toekennen),
  2. algemene, universele uitspraken (wetten), die een regelmatigheid uitdrukken,
  3. randvoorwaarden m.b.t. het te verklaren verschijnsel (ceteris paribus-clausule; aannames omtrent factoren, waarvan men veronderstelt dat ze gelijk blijven en het verband niet verstoren),
  4. gevolg, het te verklaren verschijnsel, explanandum, logisch noodzakelijke conclusie (kan een individuele gebeurtenis zijn, of een empirische of experimentele wet). Als a, b en c, dan d!


Een geldige causale verklaring moet aan 2 voorwaarden voldoen:

  1. Uitspraken over de betreffende relatie moeten empirisch toetsbaar zijn.
  2. De manier waarop we het gevolg omschrijven of identificeren, dient logisch onafhankelijk te zijn van de omschrijving van de oorzaken.

 

EMPIRISCHE EISEN AAN WETENSCHAPPELIJKE VERKLARINGEN:

1. Eis van tot verklaring leidende relevantie (de aangevoerde verklarende informatie maakt het aannemelijk dat het te verklaren verschijnsel zich voordoet).

2. Eis van toetsbaarheid (de uitspraken die een wetenschappelijke verklaring vormen moeten empirisch getoetst kunnen worden).

.

Empirische cyclus: het binnen de empirisch-analytische wetenschappen gangbare patroon van onderzoek en theorievorming:

1. OBSERVATIE: verzamelen en groeperen van empirisch feitenmateriaal; vorming van hypothesen.

2. INDUCTIE: formulering van hypothesen (veronderstelde causale verbanden).

3. DEDUCTIE: afleiding van speciale consequenties uit de hypothesen, in de vorm van toetsbare voorspellingen.

4. TOETSING: van de hypothese(n), aan het al dan niet uitkomen van de voorspellingen in nieuw empirisch materiaal.

5. EVALUATIE: van de uitkomsten van de toetsing, i.v.m. de gestelde hypothese(n), c.q. theorie(en), en i.v.m. mogelijke nieuwe, aansluitende onderzoekingen.

METHODOLOGISCHE EISEN VOOR HYPOTHESEN EN THEORIEEN:

  1. Een hypothese moet methodisch toetsbaar zijn (door ervaringsgegevens te bevestigen of weerleggen), en uit theorieën moeten empirisch toetsbare uitspraken kunnen worden afgeleid.
  2. De hypothese dient een relatie te specificeren die niet reeds door begripsanalyse is vast te stellen.
  3. Het domein waarop de hypothese of theorie betrekking heeft, dient duidelijk te worden omlijnd.
  4. Ze moeten logisch consistent zijn.


Hempel meent, met Carnap en andere leden van de Wiener Kreis, dat wetenschappers zich moeten richten op de confirmatie van hypothesen. Men erkent dat volledige verifieerbaarheid onmogelijk is, maar wil niettemin het inductieve redeneren redden. Universele uitspraken worden als wetenschappelijke wet geaccepteerd als zij als hypothesen in voldoende mate empirisch bevestigd zijn. Anderen, zoals Popper en De Groot, menen dat goed opgezet wetenschappelijk onderzoek juist op weerlegging gericht dient te zijn. Inductie schept onnodige problemen, falsificatie vormt de juiste weg. Inductivisten en falsificationisten zijn het wel grotendeels met elkaar eens over de opzet, de methode van wetenschappelijk onderzoek: het zoeken naar systematische causale verbanden m.b.v. hypothesevorming en experimentele toetsing. Het type causale verklaring dat Popper voorstaat heet een HYPOTHETISCH-DEDUCTIEVE VERKLARING; empirische wetten vormen niet de sleutel van deze verklaring, maar de bedachte, veronderstelde, causale samenhang.

GRONDSLAGEN VAN DE EMIRISCH-ANALYTISCHE WETENSCHAPPEN:

1. Postulaat van de analyseerbaarheid

2. Postulaat van de wetmatigheid (= causaliteitsprincipe)

Grondslagen zijn filosofische vooronderstellingen; ze liggen dieper dan methoden. Het zijn uitgangspunten die aan de wetenschap ten grondslag liggen. Het gaat hierbij om mens- en wereldbeelden, om opvattingen over de mens en de werkelijkheid die het fundament vormen van het theoretisch bouwsel van de wetenschap. Ze zijn altijd al voorondersteld, en zo fundamenteel en vanzelfsprekend, dat een wetenschapper zich vaak niet eens zal realiseren dat ze er zijn. Het gaat om regels of principes die de wetenschap institueren of constitueren. Ze bakenen het algemene kader af van wat terecht wetenschappelijk genoemd mag worden, en ze bepalen hoe het object aan de wetenschapper verschijnt. Het zijn impliciete mens- en wereldbeelden die niet getoetst kunnen worden.


| Index | Filosofie | Wetenschapsleer | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

C. De Beij