Beeldhouwkunst in de Grieks-Romeinse oudheid


Jan Jaap Hekman

Artistieke expressie en maatschappelijke functies.

De Grieks-Romeinse oudheid wordt algemeen als de bakermat van de westerse beschaving beschouwd. Dit zijn de culturen die zich tussen de 8e eeuw voor en de 6e eeuw na het begin van onze jaartelling ontwikkeld hebben in het Middelandse-Zeegebied, met als kerngebieden het huidige Griekenland, de westkust van Turkije en Italië. In hoofdzaak gaat het om de Griekse cultuur van de 5e en de 4e eeuw v.Chr. en de Romeinse van de 1e eeuw v.Chr. tot en met de 2e eeuw.

Voorgeschiedenis

De oudste bekende voorbeelden van beeldhouwwerk stammen uit de steentijd (circa 30.000 tot 8.000 jaar geleden). Voornamelijk in grotten in Zuid-Frankrijk en Spanje. à Venus figuurtjes uit het Oostenrijkse Willendorf. De vroegste monumentale sculptuur in het mediterrane gebied heeft zich ontwikkeld in het 4e en 3e millennium v. Chr.

In de oud Egyptische beeldhouwkunst is de staande figuur een standaardtype, met de ene voet iets voor de andere en de armen neerhangend langs het lichaam. De techniek ging uit van een rechthoekig blok steen afkomstig uit de steengroeven waarop een schaalverdeling van gelijke vierkanten werd aangebracht (vergroting van afbeeldingen). Een ander standaardbeeld is de zittende man, meestal een hofdignitaris of ambtenaar. Beelden werden volgens een vast patroon gemaakt in steen of hout.

De oudste voorbeelden van sculptuur uit Griekenland onderscheiden zich niet wezenlijk van die uit andere delen van Europa.


De Egyptische dodencultus inspireerden de Grieken tot het maken van vergelijkbare stenen beelden van naakte jonge mannen en met draperieën beklede jonge vrouwen. De eerste vrijstaande Griekse beelden stammen uit de eerste helft van de 7e eeuw v. Chr. De Griekse religie kende geen dodencultus als de Egyptische à nieuwe beeldcomposities en technische innovaties

Griekse beeldhouwkunst: bronnen materialen en technieken

Bronnen:

  1. Originele stenen en bronzen beelden (ongeveer 25% is bewaard gebleven)
  2. In opdracht van Romeinse verzamelaars gemaakt kopieën van oudere Griekse beelden (kunnen iets afwijken)
  3. Oude beelden afgebeeld op andere voorwerpen, bijvoorbeeld op munten en vazen
  4. Geschriften van antieke auteurs waaronder Plinius de Oudere (23-79) en Pausanias (ca. 110- ca. 180)


Twee belangrijkste materialen: steen en brons. Minder belangrijk: terracotta, hout, ivoor, goud en ijzer. Alleen stenen en bronzen beelden zijn bewaard gebleven.

Meest gebruikte steensoort: lokale grijswitte kalksteen en wit marmer.

Brons was een legering van koper en tin, soms aangevuld met andere metalen om een bepaalde kleur of glans te krijgen.

Stenen beelden werden in de groeve voorbewerkt. De oudste stenen beelden pasten geheel in een vierkant blok. Later werden ledematen etc met behulp van pen-en-gatverbindingen aangezet. Onderdelen werden vaak uit andere materialen toegevoegd (ogen van gekleurde steen, metalen diademen etc.)

Het gereedschap bestond uit diverse beitels (spits-, vlak- en tandbeitels), een houten hamer, een steenzaag en handboor, alsmede zachte steensoorten om het oppervlak te polijsten.

Brons:


Voordeel brons: hergebruik en herstellen van gietfouten.

Zeldzame techniek: ivoor en goud. Houten raamwerk met dunne laagjes ivoor en/of goud. Geen voorbeelden bewaard gebleven.

Functie, plaats en vorm

Maatschappelijke betekenis: opdrachtgever, plaats en toegankelijkheid (fysiek en figuurlijk) van belang.

Beelden werden in opdracht gemaakt, geen eigen initiatief van de kunstenaars, meer ambachtelijke kunst.

Functie Griekse en Romeinse beeldhouwkunst: religieuze werken, commemoratieve sculptuur, grafmonumenten en portretten. Romeinse tijd ook historische reliëfs en sarcofaagreliëfs.

Religieuze sculptuur te verdelen in drie groepen:

  1. Cultusbeelden (oorspronkelijk hout, vanaf 7e eeuw v. Chr., steen, brons of goud en ivoor).
  2. Votiefgaven
  3. Architectonische sculptuur (frontons, pedimenten, metopen, akroteria, antefixen en het doorlopende fries)


Het portret ontwikkelde zich laat in de Griekse en Romeinse beeldhouwkunst. Romeinse portret groot realisme. Het Griekse portret is meer geïdealiseerd.

Ontwikkeling van het sacrale naar het profane. Verbreding in toepassing en plaatsing.

Ontwikkeling van artistieke appreciatie van het kunstenaarsschap in de Romeinse tijd.

Traditie en vernieuwing in de Griekse en Romeinse beeldhouwkunst

De centrale positie van de mens in de Griekse kosmologie. Goden werden weergegeven in menselijke gedaanten. Toepassing van de menselijke figuur is een constante.

Romeinen stelden belang in portretten, van levenden en overleden personen. Meer realistische afbeeldingen.

Het is deze Romeinse interpretatie en aanpassing van de griekse beeldhouwkunst die eeuwenlang heeft gediend als fundament voor de Europese kunst.

In de Romeinse portretkunst verenigt zich het realisme van de Hellenistische periode met de inheemse Italische of Etruskische traditie van het afbeelden van voorouders. Combinatie van realisme en allegorie.

De speerdrager


Augustus van Prima Porta


De geheel eigen Romeinse portretsculpturen kende verschillende genres:

  1. Realistische portretten
  2. Togabeeld - belangrijke burgers
  3. Pantserbeeld - keizer of veldheer
  4. (half)naakte staande portret - keizer als mythische held
  5. Grenszuilen met portretafbeelding
  6. Ruiterstandbeeld - keizer of veldheer te paard


Combinatie van realisme en allegorie.

Romeinse Sarcofagen verdelen in twee stijlen:

  1. tapijtstijl: reliëfscenes worden geheel ingevuld (horror vacui)
  2. statuaire stijl: grote figuren naast elkaar afgebeeld.

| Index | Kunst | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (1999)