Het geschilderde portret
Bram de Klerck
Portretten leggen per definitie het uiterlijk van een (historische) persoon of een belangrijke gebeurtenis uit diens leven vast. Herkenbaarheid is van groot belang.
Herleven van het autonome portret in de 14e en 15e eeuw
Bloeiperiode in de Romeinse oudheid.
Vroege christendom meer aandacht voor het transcendente à schematisering in de portretkunst.
Middeleeuwen: voorstellingen van wereldlijke en geestelijke hoogwaardigheidsbekleders op munten en zegels, in reliëfs en illuminaties.
Vanaf de 14e eeuw een naturalistische weergave. Voorheen voornamelijk stichtersportretten op fresco’s en altaarstukken. Autonome portretten vanaf de 14e eeuw.
Noord-Europa: driekwartsaanzicht. Zuid-Europa: profiel aanzicht.
Pas in de loop van de 15e eeuw een grote productie aan autonome portretten.. Grote bloei in de Zuidelijke Nederlanden (Jan van Eijck).
Olieverftechniek: van Vlaanderen naar Italië
Innovatie in de schildertechniek. Voorheen voornamelijk tempera. Olieverf eerst gebruikt door Vlaamse schilders als van Eijck. In de portretschilderkunst in Italië was de invloed van de middeleeuwse traditie sterk aanwezig (laatgotische schilderkunst). Italiaanse schilderkunst onder invloed van de Vlaamse schilders. In Italië werd het driekwartsaanzicht vaker toegepast onder invloed van Vlaamse schilders. Balustrade of borstwering aan de onderrand ook van Vlaamse oorsprong. Vooral populair in de eerste decennia van de 16e eeuw.
Individualisering en idealisering
Portretten vaak voorzien van opschriften. Grote aandacht voor objectieve accuratesse, maar ieder portret is uiteindelijk toch een interpretatie. Soms komt de anatomie niet overeen met de werkelijkheid. Bijvoorbeeld het hoofd te groot voor het lichaam. Het benadrukken van karakteristieke onderdelen in een portret is mogelijk een weloverwogen kunstgreep om de herkenbaarheid te vergroten. Vervormingen kunnen veroorzaakt zijn door veelvuldig opnieuw poseren.
Idealisering van portretten blijkt vaak uit commentaren van tijdgenoten. Kunsttheoreticus Gian Paolo Lmazzo (1538-1600). Een vorst moet op een portret ernstig en verheven uitzien.
Het beeld dat de geportretteerde van zichzelf naar buiten wil brengen en politieke motieven kunnen van belang zijn voor de compositie en stijl van het portret.
De schilder en zijn onderwerp
Sommige portretten zijn aan hand van beschrijvingen of uit het geheugen geschilderd. Zelfportretten bekend vanaf de 15e eeuw. Bij het afbeelden van anderen werkte de schilder doorgaans met getekende of geschilderde studies naar het poserende model. Vaak langdurig poseren. Kleding en attributen door medewerkers van de schilder geposeerd. Soms een verveeld vermoeide blik vanwege de lange poseer sessies.
Door het licht benadrukken van asymmetrie in het gezicht ontstaat een zekere levendigheid en expressie.
Functies en gebruik van portretten
Portretten voor privégebruik werden vaak niet aan de muur gehangen. Vaak
was ook de achterzijde beschilderd. Schilderijen hadden ook wel een deksel.
Zelfrepresentatie (presentation of the self). Sommige dichtten zich een hogere sociale status toe of lieten zich afbeelden als historische of mythologische figuren.
Portretten in het algemeen gemaakt voor specifieke opdrachtgevers. Soms in de vrije handel. Portretten van bekende personen waren in trek. Ook voorstellingen van opmerkelijke fysieke verschijningen waren populair (dwergen, zwaar behaarde personen etc.)
Portretten werden gemaakt als studiemateriaal (zelfportretten of van vrienden
van de schilder). Ook gebruikt als proefstukken voor potentiële opdrachtgevers.
Zelfportretten waren vaak geen objectief beeld van de werkelijkheid
de schilder als modieuze gentleman.
Waardering voor portretschilderkunst
Grote waardering voor goede gelijkenis.
Gespecialiseerde portrettenverzamelingen bekend vanaf de 16e eeuw. Giovio: museum met portretten van beroemde personen (1537-1543).
Vasari (1550) vermeed het schilderen van portretten.
Karel van Mander (1548-1606): portret schilderen is geen artistieke hoge kunst, vooral te doen om het levensonderhoud.
De historie- of figuurschilderkunst leidt volgens Vasari en Van Mander tot de hoogste perfectie. Portretschilders streven slechts de natuur na.
Giovanni Battista Armenini (1530-1609): geen waardeoordeel over het copiëren van de natuur, ziet natuurgetrouwe portretten als een aparte verworvenheid van de schilder.