Stijlvernieuwing als overlevingsstrategie
Aart Oxenaar
Philip Johnson, de carrière van een architect
Philip Johnson (geb. 1907). Zijn succes als architect is niet gebaseerd op een vernieuwing van de architectuur, maar voor zijn fijne neus voor nieuwe ontwikkelingen. In 1931 organiseert hij een tentoonstelling over de modernistische Europese beweging. Hij wist deze nieuwe (idealistische) stroming in het rationele Amerika aan de man te brengen. Hij werkte samen met Ludwig Mies van der Rohe (1886-1969), ontstaan uit berekening beider partijen. Hij verketterde de Nederlandse architect J.J.P. Oud (1890-1963) vanwege zijn terugkeer naar een zekere monumentaliteit en het gebruik van ornamenten.
Eind jaren zeventig ‘stapte hij over’ van het modernisme naar het postmodernisme. ‘Architecten zijn hoeren’ zijn Johnson in 1997. Zijn werk is een ‘state of the art’-representatie van de voornaamste stromingen van de 20e eeuw.
Rem Koolhaas (geb. 1944) zag Johnson als de ‘great communicator’ van de architectuur. Niet het vernieuwende wordt door Koolhaas centraal gesteld, maar zijn vermogen de architectuur als kunst een rol te laten spelen in het complexe proces van opdrachtgeving, ontwerp en uitvoering. Daarmee is Johnson een typische representant van zijn tijd.
Stijl is in dit perspectief niet meer een doel op zich. Stijl is hier een middel waarvan de architect zich bedient. Koolhaas opent daarmee een heel ander perspectief op de architectuurgeschiedenis.
Techniek en esthetiek
Victor Hugo (1802-1895): "de boekdrukkunst zal de architectuur om zeep helpen". Na het tijdperk van de kathedralen had de boekdrukkunst de architectuur als stenen encyclopedie van het menselijk handelen, denken en geloven verdrongen. De renaissance was het begin van het einde. Om levend te zijn moet volgens Hugo architectuur maatschappelijk geëngageerd zijn.
Architecten zagen hun traditionele rol verdwijnen. De architect kreeg concurrentie van de ingenieur en de aannemer die zelfstandig gebouwen gingen ontwerpen en uitvoeren. Toenemende industrialisatie en standaardisatie.
In de handen van de briljante pragmaticus J.N.L. Durand (1760-1834) was de klasieke canon omgevormd tot een ontwerpmethode. De esthetische kant vatte hij samen in een aantal autonome criteria: soberheid, rust en harmonie in de compositie. Met zijn rasterschema’s wordt het ontwerpen gestandaardiseerd. Het hele probleem van architectuur als sprekende maatschappelijk geëngageerde kunst werd daarmee in feite terzijde geschoven. Ontwerpen was een vak dat eenieder kon leren. De ingenieurs kregen een steeds grotere invloed op de bouwmarkt. In artistieke zin mankeerde er niets aan deze ontwerpen, mede dankzij handboeken als die van Durand.
In welchen Stil sollen wir bauen
Architecten stelde zich in toenemende mate de vraag hoe zij hunvak konden reddden. Een oplossing was zich bij de maatschappelijke avant-garde aan te sluiten. Architectuur kon en moest niet louter voldoen aan immanente wetten van schoonheid (Vitruvius en Durand), maar zijn moest in haar uiterlijke vormen de verbeelding of voorafbeelding zijn van maatschappelijke verandering en vernieuwing. Stijl werd van een immanente tot een contingente kwaliteit van de bouwkunst.
Volgens de Nederlander D.D. Büchler (1787-1871) onstonden hoogtepunten in de architectuur wanneer er een evenwichtige samenleving en een harmoische samenhenag tussen kunst en samenleving was.
Het essay In welchen Still sollen wir bauen van Heinrich Hübsch (1795-1863). Hij onderscheidde de hoofdvorm van een gebouw (functionaliteit) en de daaraan toegevoegde ‘vrije kunst’. Hij gaf de ruimte aan voor de architect tussen de ingenieur en de aannemer.
De stijlkeuze werd op een gegeven moment een probleem. De architect maakte zijn positie kwetsbaar omdat de stijlkeuze sterker dan ooit tevoren onderwerp van discussie werd.
Maatschappelijke bevlogenheid en handwerk
De retoriek van de vooruitstrevende architecten werd een risicofactor. Wisselingen in de wacht konden zijn ster (en zijn stijl) even snel doen stijgen als dalen.
P.J.H. Cuypers (1827-1921): Rijksmuseum (voltooid 1885) én het Centraal Station in Amsterdam. Grote discussie of het gotisch rationalisme van Cuypers wel de passende uitdrukking was voor het Nederlandse volk. Hij kreeg nauwelijks meer overheidsopdrachten hierna.
H.P. Berlage (1856-1934) kreeg opdracht voor de bouw van het Beursgebouw vanwege een vriend die wethouder was. Na een wisseling van de wacht koos men in Amsterdam niet meer voor Berlage maar greep men terug op de Hollandse renaissance van Hendrick de Keyser (1565-1621).
In de jaren veertig ontstond een soort derde weg tussen Vitruvianisme en het progressieve denken, een eclecticistische richting.
Franse theoreticus en criticus César Daly (1811-1893). Hij zag de geschiedenis niet als ideëel ijkpunt maar als een ‘fundgrube’ die het vak ten dienste stond. Dit zou volgens hem automatisch leiden tot een nieuwe kunst, een art nouveau. De vernieuwing zou niet voorkomen uit de rol die de architect zijn werk toemat, maar uit de beroepsoefening zelf, uit het pragmatische en inventief oplossen van steeds nieuwe esthetische opgaven. In Nederland werd deze benadering veregenwoordigd door bureau Van Gendt, genoemd naar A.L van Gendt (1835-1901); ontwerper van het Concertgebouw in Amsterdam. Zij ontworpen vooral veel kantoorgebouwen, een nieuw ontstane behoefte. De stijl werd aangepast aan het imago dat een firma zich wenst aan te meten. Hun sterke kant was het vakmanschap. Begrippen als eigentijdsheid, originaliteit oorspronkelijkheid of het persoonlijke handschrift van de architect waren van ondergeschikt belang. Philip Johnson is de voortzetter van het gedachtegoed à la Van Gendt.
Het eclecticisme van Van Gendt poneerde een probleemoplossende arcitectuur tegenover de probleemstellende architectuur van leiden als Hübsch, Pugin, Scott en Cuypers.
Functie en ornament
In Europa waren branden de drijvende kracht achter een geleidelijke verstening van de steden. Amerika liep in het versteningsproces achter bij Europa. In 1871 werd een groot deel van Chicago vernield door brand. De herbouw van de stad werd, terugkijkend een belangrijk moment van verandering in de geschiedenis van het stedelijke bouwen. Vooral vernieuwend door de toepassing van skeletbouw. Skeletbouw is echter brandgevoelig. Het stalen skelet werd hierom ingepakt in baksteen. Versnelling in de ontwikkeling van de hoogbouw door deze vernieuwing en de uitvinding van de lift.
De bestaande nomen voor verhouding en compositie, gebaseerd op vrijstaande monumentale gebouwen of panden werd daarmee van de kaart geveegd. De oude bouworden waren nu niet meer toepasbaar. Het resultaat was een strikt utilitaire architectuur. De gebouwen van William LeBaron Jenney (1832-1907) – de pionier van de staalskeletconstructie - zijn kenmerkend voor deze nuchtere aanpak. Het schema van Durand bood wel houvast, maar was niet opgewassen tegen de directheid van het programma.
Louis Sullivan (1856-1924) wordt algemeen aangewezen als de man die erin slaagde de nieuwe hoogbouwopgave te verzoenen met de architectuur als kunst.
Leerling van Sullivan, Frank Lloyd Wright (1867-1959). Door het gebouw als hoog object te accepteren slaagde Sullivan erin de klassieke canon met zijn vaste maatverhoudingen en driedeling in plint, gevel en lijst te verzoenen met de willekeurige maten van de nieuwe hoogbouw. Sullivan: ‘form follows function’.
Het gevaar was echter dat met het ornament tot architectuur ging verheffen.
Modernisme
Architecten maakten zich in het begin van de 20e eeuw ernstige zorgen over de praktische scheiding die er dreigde te ontstaan tussen constructie en gevelontwerp, tussen kernvorm en kunstvorm. Cuypers vond de scheiding onaanvaardbaar. Een beroepsmatige verdeling tussen architect en ingenieur was ondenkbaar: ‘de architect die zijn naam waardig wil wezen moet ontwerper wezen van geheel zijn werk’.
Kernvorm en kunstvorm waren voor historisten als Cuypers ondeelbaar. Door het ornament werd het bouwwerk een kunstwerk. Ornament en constructie behoorden dan ook door dezelfde hand en ondeelbaar ontworpen te worden.
Toch koos de avant-garde in de jaren na de eerste wereldoorlog voor de strategie van Sullivan. De jongere generatie noemde zich ‘Modernisten’, ‘Nieuwe zakelijken’ of ‘Nieuwe Bouwers’. Ze erkenden de onvermijdelijkheid van de rationalisatie en idustrialisatie in het bouwproces en namen dit als uitgangspunt. Ze verwierpen het ornament als drager van de kunstwaarde van architectuur. Door de resultaten van wetenschap en techniek in zich te verenigen zouden het architectonisch ontwerp en het stedenbouwkundig plan zich opnieuw de status van ordeningsmodel voor de samenleving kunnen verwerven.
Nieuwe opvatting van ruimte: De ruimte werd beschouwd als een continuüm. Een gebouw was niet meer een opeenstapeling van ruimten, afgeschermd door wanden en vloeren. Openluchtschool van Johannes Duiker (1890-1935) uit 1930. Betonskelet met glaspuien. Schröderhuis van Gerrit Rietveld (1888-1966) uit 1924; vrij indeelbare verdieping d.m.v. verschuifbare binnenwanden.
Het gesloten bouwblok en de rue corridor, het symmetrisch straatprofiel met twee gesloten wanden, werden vervangen door de open bebouwing als grondslag voor de modernistische woonwijk (epidemieën als argument voor veel open ruimte).
In Frankfurt en Berlijn ontwierpen respectievelijk Bruno Taut (1880-1938) en Ernst May (1886-1970) een reeks Siedlungen rond de stad waarin groen en bebouwing, stad en landschap inniger dan voorheen met elkaar waren verweven.
Algemeen Uitbredingsplan van de stad Amsterdam door Cornelis van Eesteren (1897-1988): een visie op de functionele stad in zijn totaliteit.
De tweede wereldoorlog was een steun in de rug van de modernisten. Denkwijze en esthetiek van de modernisten waren toegesneden op een industriële aanpak.
Langzaam kwam tegenwerking tegen de uniformiteit en anonimiteit van de modernistische architectuur. Aldo van Eyck (geb. 1918): de architectuur als kunst, als esthetische discipline zou ten onder gaan in deze wat al te efficiënte machinerie.
In Delft besloot in 1970 een groep links ‘kritiese’ architecten-in-opleiding dat de architectuur opgeheven zou moeten worden. In het kader van de klassenstrijd was de architect slechts een bourgeois-estheet in dienst van de paternalistische overheid en het kapitaal. De tekentafels verdwenen en de architecten schoolden zich in het structureren en organiseren van bewonersparticipaties en buurtverzet. Echter door hun beroep op te heffen bewezen ze de noodzaak van architectuur.
Postmodernisme
De kritiek op het postmodernisme is in Nederland vrij radicaal geweest.
Belgische architect Lucien Kroll (geb. 1927) liet bouwvakkers zelf de gevels invullen.
Aldo Rossi (1931-1997), Lárchitettura della citá (1966): pleidooi voo rherwaarderin van de bestaande structuren in de Europese stad als kritiek op de doorgeschoten pretenties van het modernisme.
Door in zijn ontwerpen een radicale reductie na te streven (terugbrengen tot een beperkt aantal geometrische vormen) trachtte Rossi de architectuur te ontdoen van de ideologische en utopische pretenties. Bevrijd van deze last kan de architectuur zich weer richten op het scheppen van samenhang in de stad. Rossi ondervond veel weerstand van de modernisten, onder andere Aldo van Eyck. Rossi bouwde weinig, maar zijn teksten hadden grote invloed.
James Stirling (1926-1992). Begonnen als modernist. Onderkende in de jaren 70 het tekortschieten van de architectuur. Veel citaten uit de geschiedenis van de bouwkunst in zijn werk.
Afsluiting
Het waarheidsdenken is als vanzelfsprekende dominante factor in geschiedenis en theorie van de architectuur ten grave gedragen. Men heeft leren accepteren dat pluriformiteit een wezenskenmerk is van de moderne democratische samenleving. Na bijna twee eeuwen is de stijldiscussie onbeslist geëindigd. Grote delen van ebouwmarkt blijven zich aan de architectuur onttrekken. Om op grotere schaal een rol te blijven spelen zal de architect een coalitie moeten aangaan met de specialisten binnen de bouwwereld (ingenieurs, managementbureau’s etc.). Dit is de rode draad in het denken over stijl van de afgelopen twee eeuwen.