Rubricering

Chronologie en stijl

Vrijwel ieder kunsthistorisch onderzoek is geordend naar de ontstaansvolgorde van de werken. Een werk dient altijd in de context van zijn tijd te worden beoordeeld. Schilderstechnieken (weergave perspectief, detaillering etc.) ontwikkelen zich door de tijd. Chronologische rubricering verschaft richtlijnen waarlangs men een kunstwerk moet bekijken.

Tijdsindeling in perioden, bijvoorbeeld renaissance, barok etc. Datering van kunstwerken op stijlkenmerken. Vaak schriftelijke bronnen beschikbaar over bepaalde werken of kunstenaars.

De ontwikkeling van de kunst verliep per land of gebied, ook van plaats tot plaats en ook weer per kunstenaar.

Voor kunstwerken uit de 20e eeuw zijn de traditionele manieren van rubriceren veelal niet of nauwelijks van toepassing aansluiting bij het voorgaande is minder van belang in de hedendaagse kunst.

Iconografie

= de beschrijving en bestudering van beelden en voorstellingen, dat wat wordt uitgebeeld. Ook de bestudering van de betekenis van de voorstelling (iconologie).

Kunstwerken vergelijken met andere werken die hetzelfde uitbeelden. Ook de bestudering van de interesse- en belangenwereld van de opdrachtgever en kunstenaar, de specifieke historische omstandigheden etcetera.

Iconografie nooit volledig los van de stijl zien. Wisselwerking tussen vorm en inhoud. Analoog aan compositie en uitvoering in de muziek.

Genres

Sommige werken zijn iconografisch uniek à Indelen in genres.

Historieschilderkunst

Vraagt grote veelzijdigheid van de schilder. Leon Battista Alberti, De Pictura (1435): de historia is het voornaamste werk van een schilder. Onbeperkte oerdaad en herhalingen zijn uit den boze. Beschouwers moet men emotioneel betrekken. Figuren moeten emoties vertonen (behagen, ontroeren en onderrichten) à komt voort uit de retorica.

Schilderkunst als woordenloze poëzie en de poëzie als sprekende schilderkunst. Afbeeldingen afgeleid uit klassieke teksten en de Bijbel.

Andrè Félibien (1676): de meest nobele van al deze genres is die welk een historie uitbeeldt.

Grote meesters: Rafaël, Annibale Carracci, Nicolas Poussin. De ‘ut pctictura poesis’-gedachte verbindt de schilderkunst met literatuur. Probleem: in één beeld verschillende momenten samenvatten.

In de 19e en 20e eeuw begonnen schilders zich af te vragen waarom schilderkunst met literatuur verbonden moet zijn. (edovard Manet, George Seurat) à de schilderkunst bestaat uit puur beeldende middelen. Beeld en tekst vullen elkaar aan.

Genreschilderkunst

Veel Nederlandse schilders uit de 17e eeuw en veel Franse schilders uit de 18e eeuw tonen taferelen uit het leven van alledag. In die tijd werd dit niet gewaardeerd à een ‘kortegaartje’ (corps de garde) of ‘bordeeltje’.

Vaak geen simpele alledaagse scènes, maar allegorische voorstellingen. Morele boodschap in de voorstelling. (Het morgentoilet door Jan Steen). Er zijn nauwelijks 17e eeuws geschriften die iets onthullen over de interpretatie van de genreschilderkunst.

Portretschilderkunst

Portretten zijn slechts zelden een copie van de werkelijkheid. Verschillende soorten portretten: statieportret, ruiterportet, zelfportret, groepsportret (broederschappen, stam- of opvolgingsportretten, groepen personen die elkaar nooit ontmoet kunnen hebben). Portretten maken vaak deel uit van een historieschildering à groepsportret?

In de schilderkunst van de 19e eeuw probeerden men meer weer te geven dan aleeen het uiterlijk à het psychologisch portret.

Architectuur- en landschapsschilderkunst

In de loop van de 14e eeuw gingen schilders in toenemende mate aandacht besteden aan de omgeving waarin een gebeurtenis zich afspeelde als onderdeel van de historieschilderkunst.

In de Romeinse tijd was dit reeds een apart genre. Landschapsschilderingen op muren in villa’s.

Subrubrieken van de landschapsschilderkunst. schildering van bekende steden, gebouwen of ruïnes. Verbeelding van nationale trots. Bijna geen ongerepte natuur weergegeven. Nederland 17e eeuw à ? Natuurlijke landschappen - ‘ het tweede boek van God’. Afbeelding van vergankelijkheid (oude gebouwen, ruïnes), de nietige mens.

Vanaf 1800 komen er landschapsschilderingen voor waarin gevoelens van bewondering voor de schoonheid van de natuur tot uitdrukking wordt gebracht. Veelal geen bestaande landschappen weergegeven. Landschappen blijken dus evenmin als portretten in de eerste plaats nauwkeurige weergaven van de werkelijkheid te zijn. Tot in de 19e eeuw werden landschapsschilderingen in het atelier gemaakt à er was geen verf in tubes. Net als portretten lager gewaardeerd in de contemporaine kunsttheorie.

Stillevenschilderkunst

Ook Romeinse en Griekse oorsprong. Naam stilleven in Nederland vanaf 1650. Subrubrieken: bloemstilleven, keukenstilleven, jachtstilleven etcetera.

Voorwerpen als een schedel, een horloge, of een bijna opgebrande kaaars duiden op het onverbiddelijk voortschrijden van de tijd.

Stillevens stonden het laagst in achting bij de contemporaine kunsttheoretici. Er was echter een zeer grote vraag naar stillevens en landschappen in de 17e eeuw.

De hier beschreven genres zijn nauwelijks van toepassing op de kunst van voor de 15e eeuw en van na 1850. Ook het waardeoordeel is alleen van historische betekenis. De kunst schuilt - zo meent men thans - in de eerste plaats in de wijze van schilderen en niet in het onderwerp.

Techniek

Veel verschillen in bijvoorbeeld de belichting van het werk door verschillen in techniek.

In fresco: geen subtiele overgangen, slechts één laag verf

Olieverf: meerdere lagen mogelijk

Binnen een techniek ook grote verschillen. Jan van Eijck à veel detail; Titiaan en Rembrandt à meer grovere penseelstreken.

Sommige hedendaagse kunstenaars hebben het gebruik van het materiaal en de hantering van de techniek tot het eigenlijke onderwerp gemaakt. Nieuwe technieken bevorderen vernieuwing.

Functie

Veel kerkelijke kunst ondanks verbod op beelden maken à tegenargument van Paus Gregorius de Grote (590-604). Funtie: onderwijs van analfabeten, oproepen van spirituele ervaring, als geheugensteun.

Ook als monument van vroomheid en macht van de opdrachtgever. Er werd geen of wienig belang gehecht aan artistieke waarde, dit leidt de aandacht van heteigenlijke onderwerp af.

Vanaf de 16e eeuw kunst als een seculier begrip.

Ook veel praktische toepassingen, als dan niet gecombineerd. Portretten, propaganda etcetera.

Afsluiting

Rubriceren is een hulpmiddel, geen doel op zich. Door een kunstwerk binnen een rubriek te plaatsen kan men nagaan in hoeverre het aan de normen voldoet of ervan afwijkt, en heeft men punten van vergelijking met andere kunstwerken. à vragen naar de oorzaak van de afwijkingen.

De grenzen en normen van een rubriek staan en stonden niet vast en kunstenaars houden en hielden er lang niet altijd rekening mee.

Pas als een kunstwerk binnen een relevante rubriek is ondergebracht kan men beginnen met het te begrijpen zoals het is bedoeld: als een unieke schepping.


| Index | Kunst | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Peter Prevos (2000)