De status van de kunst en het beeld van de kunstenaar

middeleeuwen

vóór de 12e weinig gegevens (vooral kerkelijke documenten)

tot de 13e vooral boekverluchtingen, daarna meer en meer altaarstukken, over de werkelijke situatie vd kunstenaar zijn we aangewezen op nalatenschap.

Pas vanaf de 12e meer inzicht in werkwijze en situatie van de kunstenaar omdat er meer beschreven werd, meer belang aan juiste documentatie

7 Artes mechanicae = ambachten (in 9e gegroepeerd tot 7 waaronder schilder-en beeldhkunst)

tegenover de 7 artes liberales = vrije kunsten met een stevig theoretisch fundament

beeldende kunst werd tijdens ME onbelangrijk gevonden, er was wel een grote productie

In de antieke opvatting: kunstenaars hadden een lage status, opvatting nog versterkt door christ kerk

(afbeeldingen waren boeken voor ongeletterden) + afwijzing van kunst door Augustinus.

Tegenover de artes liberales dus minderwaardig en getolereerd omdat ze nuttig konden zijn, er mocht geld voor gevraagd worden De beeldende kunst werd ondergebracht bij de kunst die hetzelfde materiaal gebruikte

vb schilders- drogisten, beeldhouweers-steenhouwers)

Vrije kunsten werden in de vrije tijd, voor het plezier gedaan

Trivium (3voudige weg)= grammatica,dialectica,rhetorica

quadrivium (4voudige weg) = arithmica, geometria, astromia, musica

na deze 7 wegen doorlopen à terrein vd philosophia, de ultieme bron v kennis die leidde tot wetenschap v God = theologica

vanaf de 11e eew technologische ontwikkeling à 12e eeuwà minderwaardige posite vd mechanische kunsten niet meer gerechtvaardigd à minder neg opvatting over hun nut à mathematische dus theoretische component werd benadrukt door de scholastiek à mechanische kunsten werden deel vd filosofie

Ook de beeldende kunsten werden heropgewaardeerd:

de uiteindelijke scheppingskracht behoorde alleen aan God, de mens kon alleen iets samenvoegen met de door God geschapen elementen = inventio De mens was hiertoe in staat door zijn fanatasie Er werd een aangeboren aanleg verondersteld (ingenium)

De mens gelijkt op God (ondanks zondeval nog scientia en intelligentia om zich te bekwamen in alle kunsten en vaardigheden dus ook in de ambachten à voor kloosterlingen aanvaardbare visie op actief leven

Het zien van kunst evenals het maken ervan wekte verheven religieuze gevoelens op (Theophilus)

later in de 12e stootten kloosters handwerkstaken af naar laboratores die buiten klooster werkzaam waren

De heropwaardering bestond dus voornamelijk op papier. Kunstwerken werden bewonderd, de maker soms lof toegezwaaid maar bv in kerkelijke kringen was er veel wantrouwen. Vakmanschap of pracht vd gebruikte materialen mocht de beschouwer niet in vervoering brengen zodat vrome overpeinzingen gevaar liepen.

12e strijd tussen abdij St Denis (cf Theophilus pro decoratie) en Clairvaux (sober)

14e Petrarca: traktaat over de middelen tegen geluk en ongeluk: ambivalente houding tegenover kunsten

gevaar dat kunst teveel op het gemoed werkt en daarmee de geest afhoudt van hogere contemplatieve zaken

Profane kunst wordt stellig afgekeurd.

Gilden

vanaf de 13e worden meer leken genoemd, bijna altijd mannen,

vrouwen vaak briljante borduursters en boekverluchters.

Nauwelijks documenten gevonden over vrouwen die panelen of muren beschilderen

Kunstenaars waren verenigd in gilden maar konden ook aan het hof werken (schilders, illuminatoren, beeldhouwers) Schilders hoger in aanzien omdat ze met duurder materiaal werkten. Ze verdienden meer.

Alleen de kunstenaar die lid was vd gilde én burger vd stad had recht een winkel te drijven.

Ook opleiding werd door gilde bepaald. Gilden waren verbonden met een bep kerk en heilige.

Lucas= beschermheilig vd schilders (had ooit Maria geschilderd à vanaf 15e veel voorstellingen daarvan)

Glorie van Florence

14e belang v schilders nam nog toe, oa door uitbreiding v activiteiten (ontwerpen v glazen, tapijten, stoffen)

Ze signeerden steeds vaker hun werk, soms door zichzelf af te beelden à zelfportretten in altaarstukken of decoratieprogramma’s, ingevoegd als één der omstanders (vb Gozzoli 247 (23.4) en Ghirlandaio 27d

Dante, Boccaccio en Petrarca, anders terughoudend, waren overtuigd van Giotto’s kwaliteit

Nieuwe humanistische houding tov beeldende kunsten:

na litteratuur teruggebracht te hebben op aanvaardbaar niveau (na duistere ME) – ook in de beeldende kunst en de architectuur hoop op wedergeboorte vd klasieke oudheid (maar dan gekerstend)

Renaissance

toenadering tot de beeldende kunsten: Alberti in "De Pictura"

de kunstenaar moest zo geleerd mogelijk zijn in de vrije kunsten (geometrie om perspectief toe te passen, belezenheid om onderwerpen te kiezen uit klassieke litteratuur of geschiedenis)

De kunstenaar moest een goed mens zijn met onberispelijk gedrag;

De status vd kunstenaar gemodelleerd naar die van humanistisch geleerde , zijn levenswijze werd beoordeeld naar de normen v deze geleerden., vandaar de idee dat kunstenaar niet diende te werken voor het geld, ijver en liefde voor de kunst was het belangrijkste In de praktijk moesten de meesten wel met hun beroep in hun levensonderhoud voorzien;

Grote liefde voor de kunst genoemd als belangrijkste motivatie wijst er misschien op dat status en aanzien toch niet hoog waren.

In 15e Brunelecchi in opstand tegen betalen aan gilde der metslaars voor ontwerp Dom v Florence

In 16e meer kunstenaars in opstand tegen gilden à aanspraak op controle vd kunstenaars door gilden officieel opgeheven Activiteiten vd gilden overgenomen door academies

in Florence: stuwende kracht Vasari gesteund door de Medici

in Rome Zuccari ijverde voor beter onderwijs in de beeldende kunsten

Pas tegen eind 16e bevrijden de kunstenaars zich uit de ambachtelijke gildestatus oa het zelfportret toont hoe kunstenaars groeiend gevoel van eigenwaarde toonden

Geschreven, geschilderde en gebeeldhouwde portretten

de autobiografie was één vd belangrijkste uitingen v nieuw kunstenaarsschap

rond 1450 Ghiberti eigen biografie + ontwikkeling vd 14e kunst

rond 1550 Vasari en Cellini zetten deze traditie v autobiografie voort

beroemdste verzameling kunstenaarsbiografieën van Vasari.

Voor het eerst geschiedenis vd kunst beschreven. Ontwikkeling vanaf de 13e

(noemde werk v Giotto als wedergeboorte vd kunst.)

Hoogtepunt was Michelangelo die zelfs antieke meesters voorbijstreefde)

Edelman en geleerde

vanaf midden 15e autonome zelfportretten= etaleren het beste de ambities en prestatie vd kunstenaar

De kunstenaar wil het beeld oproepen van een edelman. Geen sprake van specifieke kunstenaars-iconografie.

Ze probeerden een vaste positie aan het hof te bekomen met gegarandeeerd inkomen, daardoor niet afhankelijk van opdrachten dus vrijer in de uitoefening vh beroep

Virtuoso-ideaal door standvastigheid en toewijding (Virtus) kon men onsterfelijk worden (de deugd leeft na de dood voort) à kunstenaar beeldde zichzelf zo af

Michelangelo

bekendste verzameling portretten = galerij v zelfportretten in Uffizi

tegelijk met groeiende belangstelling voor kunstenaar ook voor specifiek artistieke eigenschappen

Invenzione kreeg moderne betekenis v scheppen. Kunstenaar werd gezien als melancholicus, kind v Saturnus in wie zwarte gal de humeuren overheerste.

Michelangelo kreeg van criticus Aretino al bij leven de titel ‘Il divino’ Hij werd begraven met een ceremonie zoals voor vorsten gebruikelijk

Voor het Buanarroti-huis werd een reeks schilderingen gemaakt m belangrijkste scenes uit het leven v Mich

à monument voor Michelangelo, ook voor de stad Florence =begin van lange reeks kunstenaarshuizen

de Nederlanden

uitstraling van Rome en v grote Italiaanse meesters als Rafaël en Michelangelo à veel kunstenaars op studiereis naar Italië

1618 oproep van rederijkers aan de schilders om samen te ijveren voor vrede in de Nederlanden

(op landjuweel te Mechelen)

in 16e Italië was die samenwerking er al in Italië (ut pictura poesis) à dichtkunst werd favoriete begeleider van schilderkunst à status schilders verhoogde

De 17e eeuw

In de Zuidelijke Nederlanden treffen we zelfportretten aan naar Italiaans voorbeeld waarop de kunstenaar zich afbeeldt als edelman of deftig geleerde. In de Noordelijke Nederlanden kozen de kunstenaars voor nogal uiteenlopende zelfrepresentaties.(adellijke titel was niet mogelijk)

Voor beide Nederlanden gold overigens dat de kunstenaars er langer in de traditionele gilden bleven opereren dan in Italië.

vanaf midden 17e wel academies maar geen machtige door vorsten gesteunde academiesacademies zoals in Frankrijk en Italië

Peter Paul Rubens (1577-1640)

Prototype van de voorname en geleerde kunstenaar in de Zuidelijke Nederlanden. Hij was zeer gevoelig voor eigen status en die van zijn familie. Het is bijna niet mogelijk Rubens’ persoonlijke ambities te scheiden van zijn streven om het aanzien van de beeldende kunsten te vergroten à Rubenshuis te Antwerpen.

cf huwelijksportret : iconografie herinnert niet aan kunstenaarsportret maar grijpt terug naar traditioneel aristocratenportret ten voeten uit (3.11)

Rubens was een geleerde schilder, zeer ontwikkeld en door toedoen van zijn broer Philip, een bewonderaar van de humanist Justus Lipsius (1547-1606) en de stoïcijnse filosofie.

Ondanks kwaliteiten als schilder en grote kennis was een huwelijk met een vrouw van stand uitgesloten (hij was handarbeider) Zijn latere adellijke titel had hij te danken aan diplomatieke capaciteiten

Rembrandt van Rijn (1606-1669)

Zijn zelfportretten laten diverse typen kunstenaars zien. Rembrandts zelfportretten vanaf de late jaren 40 laten een kunstenaar zien die zich steeds minder bekommerde om uiterlijk vertoon. In 1660 portretteerde Rembrandt zich als een kunstenaar die geen enkele pretentie heeft anders dan schilderen van een goed zelfportret. Afgaande op de late zelfportretten kan men veronderstellen dat Rembrandt, minder dan Rubens, uit was op het etaleren van zijn eigen maatschappelijke status of die van de kunst.

De traditionele propagandistische kunstenaarsiconografie was in de tweede helft van de 17e eeuw tot een tamelijk hol cliché verworden. Karel van Mander, Schilderoeck (1604): "Liefde voor de kunst, eer en gewin." Over geldelijk gewin kon men min of meer hypocriet doen.

Rembrandt heeft begrepen dat werkelijke grootheid van de kunstenaar in de kwaliteit van zijn werk schuilt. De zelfportretten van Rembrandt verkochten goed.(niet in boedel aanwezig bij zijn dood)

De Franse Academie

Opgericht in 1648 door Koning Lodewijk XIV. De academie stelde strenge eisen. (kunsten altijd in dienst van de glorie van Frankrijk en haar koning) à dit leidde tot een uniforme stijl, gebaseerd op een uniforme kunsttheorie.

De academie propageerde het historiestuk met een doorwrochte compositie, een min of meer klassieke stijl en een duidelijke moraal. Voorbeeld was Nicolas Poussin (1594-1665). In zijn zelfportret toont hij zich als en ernstig en voornaam schilder met hoge aspiraties. Hij hechtte waarde aan theorie en eruditie.

Al tegen het einde van de 17e eeuw werd duidelijk dat de al te strikte academische regels en voorschriften bloedeloze schilderijen konden opleveren.

De 18e eeuw

Academies gaven wel status aan hun leden, maar geen inkomen à leden en aspirant-leden van de academie organiseerden salons om werken tentoon te stellen en te kunnen verkopen (jaarlijks of 2-jaarlijks in de Grand salon van Cour Carré in het Louvre Hierdoor ontstond de geschreven kunstkritiek die steeds belangrijker werd à zowel de academie als kunstenaars moesten rekening houden met de mening van "leken"

In Frankrijk en in Engeland strijd tussen academisch en niet-academische opvattingen rond het schilderen van historiestukken (waarvoor geen markt was) In Engeland pas eind 18e een Royal Academie

Het historiestuk was het hoogst in rangorde ( vrouwen mochten geen mannelijk naakt tekenen)

Angelica Kaufmann toch historiestukken geschilderd en goede reputaite in heel Europa

 

het moderne kunstenaarsbeeld

aandacht voor de persoon vd kunstenaar is sterk toegenomen

opvallend groot aantal egodocumenten Het egotisme lijkt belangrijke eigenschap vd kunstenaar, er is veel belangstelling voor.

Egotisme is deel van romantisch kunstenaarsbeeld van na midden 18e

(verandering in het denken over kunst en kunstenaar en trad dienende verhouding tov opdrachtgever)

Oorzaak is v psychologische of kunsttheoretische aard ofwel sociaal, politiek en economisch.

De kunstenaar verklaarde zich onafhankelijk maar bleef toch afhankelijk van kopers en opdrachtgevers

Blake (Eng) zette zich af tegen liefdadigheid en eiste eerlijke waarde en een algemene vraag naar kunst De democratische staat zou voor deze vraag zorg moeten dragen.

Ontstaan van geregelde tentoonstellingen en kunstkritiek als gevolg daarvan

Kunstenaars begonnen meer in te spelen op het gevoel van een burgerlijk publiek

Kunst en kritiek werden meer psychologisch à de kunstenaar ontwikkelde zich tot een interessante persoonlijkheid à zelfbeeld veranderde à zelfportretten met veel verschillende gedaantes, vooral met beeld van schilder als genie bezeten door creatieve aandrift

Bezit van ingenium (bij Theophilus en Alberti) evolueerde naar het zijn van een creatief genie

de geniale kunstenaar die ver boven de kleinburgerlijke maatschappij opereerde

De geniale kunstenaar

Blake: romantisch kunstenaarstype = taal vd kunst kan men leren maar de geest vd poêzie is alleen in de verbeelding te vindenà men zette zich af (vb Runge en Friedrich) tegen de academies met onderwijs volgens de regels à rebellerende kunstenaars kregen geen steun meer vd academie = slecht voor status

Pas in late 19e anti-academisme in de mode, moderne kunst werd succesvoller dan academische

Vb voor alle latere geniale kunstenaars = Michelangelo

zijn eigenzinnigheid tov opdrachtgevers werd voor 18e nauwelijks vergeven

in 1750 vond men hem excentriek en grillig maar met grote inventieve krachten zodat cold criticisme geen invloed had. Nog later werd zijn ‘onaangepast’ gedrag een verdienste en standaardeigenschap van de moderne kunstenaar

Delacroix (1830) beschreef hem als demonisch kunstenaar, bezeten door een heilig vuur, vooral van de dichter Michelangelo moet men bizar gedrag vergeven omdat ze komen van zijn genialiteit

De prijs die de moderne kunstenaar daarvoor betaalt is eenzaamheid en melancholie, depressie

Michelangelo werd zo geschilderd door Delacroix (3.26)

Van Gogh is bewonderaar en navolger van Delacroix, kopieerde hem op vrije manier V Gogh werd op zijn beurt een legende, zijn leven verliep tragisch maar artistiek had hij snel succes.

Meest typerend is waarschijnlijk zelfportret 314, als een ernstige werkman die last heeft van de zenuwen

Bohémiens

populairste kunstenaarstype in 19e is de bohémien (zigeuners – uit Bohemen)

Na 1830 had de kunstenaar-bohémien aantrekkingskracht door zijn ongebonden en onbekommerd leven voorwaarde was dat hij uiteindelijk succes had.

Te vgl met rijke studentenleven voor hij zich maatschappelijk aanpast.

Murger beschrijft verschillende types bohémiens. Grootste groep is de miskende kunstenaar, keert de kunstloze burgermaatschappij de rug toe. Honger en kou op een zolderkamertje waar ze een meesterwerk zullen scheppen.

A Dumas beschrijft het leven van Meissonier, wie het zo verging. Armoede was de beste manier om te ontdekken of men echt een zo groot kunstenaar is vlg Dumas

Dandy’s

een uit Eng geïmporteerde fig die vb was voor Delacroix, Manet, Whistler

vooral door toedoen v schrijvers d’Aurevilly en Baudelaire gelijkgesteld met de kunstenaar

De dandy kunstenaar shockeert, is gekenmerkt door anti-valgarité, originaliteit, aristocratische houding en androgynie Hij is anti-democratisch en elitair (later zou men dit klasseloze intelligentia noemen)

Whistler 1885 ‘ de edele kunst om vijanden te maken’ het beeld vd geschiedenis waaruit zijn elitaire opvattingen blijken. zie p S.179)

Whistler was een meester in provoceren en aandacht trekken, zijn gevoel voor publiciteit blijkt meer en meer van belang voor het behalen van maatschappelijk succes.

engagement

eind 18e: kunstenaars eisten hun rechten opà opvallend veel kunstenaars sympatiseerden met de Fr revolutie die ook hen vrijheid, gelijkheid en broederschap moest brengen, verlossing v adellijke broodheren en kerk. Het was niet meteen duidelijk wie de heren moest vervangen

De radicale Jacobijnen: nieuwe ideeën over de relatie tussen kunst en maatschappij;

à een revolutionaire mythe waarin het volk een sleutelrol kreeg (later vervangen door het proletariaat)

à kustenaars werden gevraagd partij te kiezen à JL David 1794 (eerst als citoyen, daarna hofschilder v Napoleon) hij schiep voor een nieuw publiek een propagandistische kunst (op nieuwe classicistische manier) Moge de kunsten ons altijd spreken van vaderlandsliefde, humaniteit en deugd

(taak vd kunstenaar om de burger zover te brengen)

begin 20e Revolutionaire kunstenaars in dienst vh politiek ideaal zetten zich af tegen de bohémiens en de dandy’s en andere asociale genieên, hun kledij was als werkkledij, geen lange haren vb Léger

interbellum het Volksfront aan de macht in Frankrijk, stelde zich teweer tegen fascistisch Spanje, Italiê en Duitsland à = figuratieve geëngageerde kunst vb Léger (S 3.30)

uit dezelfde periode propagandistische kunst van Picasso met Guernica (O. 75) verheft hier een strikt persoonlijke beeldtaal en symboliek tot een publiek niveau.

Politiek correct leidde niet automatisch tot grote kunst of omgekeerd. In Sovjet Unie bv was het lange tijd moeilijk de partijlijn te volgen en mee te doen aan artistiek vernieuwingen van het Westen

Rollenspel

kenmmerk vd moderne kunstenaar = dat hij verschillende rollen speelt met daarbij passend imago

vb Picasso was rijk communist, woonde in kasteel, schoolvoorbeeld van grillige, eigenmachtig optredend genie die na korte tijd succes had; Van bohémien naar welstellend heer die het proletariaat dienden

vb in Nederland J Toorop als bohémien (3.32) en symbolische fase (3.33) op zijn oude dag conservatief katholiek (3.34)

sinds het interbellum was er ook twijfel, kunstenaar werd zich bewust v ongemakkelijke positie,

vgl zich met een clown om het publiek te amuseren, tegelijk lachwekkend en tragisch (3;35 en 3.36)

à beeld v kunstenaar als begenadigd dwaas was lang populair

Picasso bewees dat een kunstenaar bijna alle rollen kan spelen als hij maar een groot en belangrijk kunstenaar is en als genie erkend wordt Publiciteit is belangrijk, die wordt vaak door hemzelf beïnvloed

Het publiek vergeeft de kunstenaar zijn merkwaardig gedrag


| Index | Kunst | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Kirstin van Genderen (2000)