Veranderende Grenzen 1

Hoofdstuk 1

Auteur: Labrie

 

Lord Acton (Eng.historicus, 1862): kritisch over nationalisme, = revolutionaire kracht. Diversiteit binnen een staat vormde waarborg voor vrijheid en welzijn, worden opgeofferd aan utopisch streven naar nationale eenheid. ‘A retrograde step in history’. Onderschreven door meeste historici.

Streven naar nationale staat = kenmerk van moderne tijd.

Nationalisme afwijzen te eenzijdig. Verschilt van land tot land. Geeft geen antwoord op vraag wat nationalisme is, hoe het ontstond, wat de aantrekkingskracht is.

Nationalisme = reactie op moderniseringsproces na 18e eeuw; functie: politiek geloof.

Definities en theorieën

Herder: natie = objectief gegeven. Natuur verdeelt mensen in naties met elk een uniek karakter, zich uitend in taal, gewoonten en tradities, blijft behouden in loop der geschiedenis = deterministisch (niet verklaard uit menselijk handelen). Aanhang in Midden- en Oost-Europa.

Renan (Qu’est-ce qu’une nation’, 1882): tegen deze theorie: natie is geen gemeenschap te definiëren op grond van linguïstische en etnische criteria. Objectieve definitie onjuist, kiest voor subjectieve definitie: natie = politieke gemeenschap die op de vrijwillige participatie vd burgers berust. Navolging onder hedendaagse auteurs, maar niet zonder opmerkingen: Kedourie, Hobsbawm: de wil vh individu is geen doorslaggevend criterium. Hobsbawm: subjectieve overtuiging vd burgers steunt op objectieve factoren.

Gellner: nationalisme verwekt naties, niet andersom.

Natie = ideeële constructie, niet zichtbaar, leden kennen elkaar niet; bestaat in het geloof dat zij bestaat.

Definitie van Gellner: nationalisme = politiek principe, politieke en nationale eenheid moeten overeenstemmen; = ideologische beweging, streeft naar zelfbeschikking en onafhankelijkheid à resultaat: nationale staat waarin regering en natie samenvallen.

Nationalisme onderscheiden van tribalisme en patriottisme.

Winkler: nationalisme onderscheidt zich door xenofobie (kritiek: maar is van alle tijden) en individuele participatie (maar speelt ook een rol in tribalisme en patriottisme). Duidelijker is

Kedourie: nationalisme = politieke stijl die berust op zelfbeschikking, ontbreekt bij tribalisme en patriottisme (à traditionalisme). Modern besef: mensen maken geschiedenis, kunnen lot in eigen hand nemen (natie = objectief + subjectief).

Schema van Kohn: westerse (Eng, F en Rep) en oosterse variant. Westers nationalisme: 17e, 18e eeuwse beweging; rationalistisch, optimistisch, pluralistisch, drukte de politieke aspiraties vd burgerij uit. Reactie: 19e eeuw in Midden- en Oost-Europa (later Afrika en Azië), kenmerkend voor naties die politiek en maatschappelijk achtergebleven zijn = culturele beweging, beroept zich op de mythe vh organische Volk: ideologische kern van een autoritaire, op emoties gebaseerde beweging, leiding bij traditionele elite (lagere adel) en intelligentsia, verwerft massale steun. Westers = subjectief. Oosters = objectief.

Schema Kohn combineren met dat van Hroch: 3 fasen in ontwikkeling: culturele stroming onder intelligentsia, inzet = herwaardering eigen taal + cultuur à culturele identiteit door minderheid aangegrepen als aanleiding voor politieke agitatie (eis tot zelfbeschikking) à nationalisme groeit uit tot massabeweging.

Winkler: nationalisme = reactie op (de eigen) achterstand.

Hayes: verschillende vormen van nationalisme verbonden met verschillende ideologische stromingen. Nationalisme = ideeënhistorische beweging. Idealistische benadering (ook: Kohn, Kedourie en Minogue) à diffusietheorie: nationalisme verbreidde zich vanuit F en D over de wereld dankzij de kracht van de ideeën. Geen afdoende verklaring, gaat voorbij aan vraag onder welke politieke en maatschappelijke voorwaarden een bevolking ontvankelijk is voor nationalisme. Reactie:

Breuilly: nationalisme = praktische politieke beweging in oppositie tot moderne staat.

Gellner: politieke eenheid is noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor nationalisme. Gellners theorie geschikt uitgangspunt. Verbindt ook nationalisme en modernisering met elkaar. Nationalisme niet zien als strikt politiek danwel cultureel fenomeen. Herziening relatie politiek-cultuur. Onderscheid tussen traditionele (standen) en moderne (klassen) samenleving.

Dus:

  1. Nationalisme = politieke beweging, die macht opeist in de naam van een groep welke zich in cultureel opzicht onderscheidt van andere groepen. Essentieel is het geloof dat zij als afzonderlijke culturele eenheid bestaat.
  2. Nationalisme moet worden begrepen in het licht vh moderniseringsproces (Gellner), kenmerkend voor groepen die vanuit achtergebleven positie met het probleem van modernisering worden geconfronteerd.
  3. Onderscheid tussen West- en Oost-Europa.
  4. Intellectuelen spelen cruciale rol.

W.Eur: nationalisme gedragen door burgerij; geen massabeweging.

Mid.+O.Eur: steunde op traditionele elite, nam populistische wending.

Nationalisme als ideologie

Wortels

Natio (L) < -- > nascor (ik ben geboren) = groep mensen met gemeenschappelijke afkomst, bepaald door landstreek en verwantschap. Werd gebruikt voor vreemde volken met lagere beschaving. Etnografische betekenis. Tegenover res publica, civitas = politiek, gemeenschap van burgers.

Natio in 18e eeuw verbonden met politiek. Daarvoor Romeinse voorstelling bepalend. Nationaliteit bepaald op grond van taal en plaats van geboorte, grenzen niet scherp. Geen verbinding politiek en cultuur. Culturele identiteit religieus gefundeerd (Kohn: nationaal messianisme). Ook superioriteitsgevoelens tov andere volken = deel vh moderne nationalisme, maar politieke deel ontbreekt dus nog.

1e idee van moderne staat: Machiavelli (Il Principe, 1513), berust op macht, breekt met ME ideaal van universeel christelijk rijk. Voor dynastieke staat. Christelijk rijk à collectieve verbondenheid = sacrale vorm, transcendente goddelijke orde. Nog geen homogene eenheid. Opkomst territoriale staten (sinds 15e eeuw) verdrong rijksgedachte. Versneld door Hervorming. Religie versterkte culturele identiteit. Ook door contact met andere beschavingen. Drukpers, boeken in volkstaal.

De Verlichting: patriottisme en kosmopolitisme

Vanaf 18e eeuw: natio krijgt in Eng en Fr politieke betekenis. Natie = staat.

Montesquieu (ca.1750): verschillen in karakter mede bepaald door regeringsvorm. Nation = deel vd bevolking dat in politieke organen is vertegenwoordigd; peuple = negatief, politieke gemeenschap van onderdanen.

Bolingbroke: verdeling in naties hoort tot de orde der schepping.

Abbé Sieyès (ca.1789): nation = strijdkreet tegen adel en geestelijkheid, nation = algemeen belang, omvat politiek actieve deel vd bevolking: de 3e stand (dus niet de hele bevolking). Tendens tot democratisering.

Rousseau (ca.1760): grondlegger democratisch nationalisme. Nation = peuple. Volkssoevereiniteit. Itt Hobbes, Locke en Sieyès stelt hij dat de maatschappij niet berust op individuele belangen, maar wordt deze gedragen door de volonté générale (wil vh volk) om gemeenschap te dragen. Nation of patrie = politieke gemeenschap, moet worden gecultiveerd, herstel van religion civile, dmv onderwijs. Peuple = positief.

Fr. Revolutie: natie bepaald op grond van burgerschap. Open karakter.

D eind 18e eeuw: natie bepaald op basis van linguïstische en etnische criteria. D geen politieke eenheid, wel culturele verwantschap.

Herder (1744-1803): tegen absolutisme en standen. Organologisch wereldbeeld: mensheid = geheel, van nature verdeeld in naties met elk eigen karakter. Cultureel relativisme tegen superioriteitsgevoel. Natie bepaald door taal. Nadruk op het innerlijke. Natie = culturele, geen politieke gemeenschap. Staat = machine, natie = organisme. Volk behoeft leiding van intellectuelen.

Verlichting nog oiv natuurrecht (De Groot, Pufendorf, 17e eeuw) = identiek met menselijke rede; menselijke natuur overal gelijk. Verschillen tussen volken bijkomstig. Nationaal denken ingebed in breder, kosmopolitisch kader, itt 19e eeuw nationalisme.

Iselin: ‘het vaderland is overal waar het goed is’. Hoogste plicht = vaderlandsliefde à kosmopolitisme en patriottisme samen in normatieve voorstelling vd staat die moet voldoen aan de rede.

Kant: ideaal van wereldfederatie van onafhankelijke landen met karakter van een rechtsstaat. Kritiek op normatieve houding vd philosophes door Herder: gevoel van culturele superioriteit = nationalisme. Ander vorm van kosmopolitisme: Humanitätsideal niet op basis van natuurrecht, maar op diversiteit van volken met elk eigen nationaal karakter.

1789-1815: Opkomst van het nationale principe

19e eeuw overgang van AR naar moderniteit. Modern nationalisme ontstaat als oppositie-beweging. Fr Revolutie gericht op schepping van een homogene, gecentraliseerde samenleving. Volkssoevereiniteit. Voorliefde voor de ene, ondeelbare natie = staatspatriottisme, geen cultureel bepaald nationalisme. Nation = politieke gemeenschap van burgers. Patriottisme = religion civile. Wordt agressiever en militant à Napoleon à reactie in andere Eur landen à nationaal gevoel.

Eng: stabiele gemeenschap op basis van historische tradities. Burke: Eng is voorbeeld voor Fr.

Nationale beweging in D bevorderd door Fr overheersing. Humboldt (ca.1800): D gericht op diepgang en innerlijkheid, Fr op oppervlakkigheid en uiterlijkheid. D-Grieken; Fr-Rome. D-Gr = superieure cultuur. Westen is burgerlijk, materialistisch; D idealistisch. Voorbeeld van wat Hobsbawm the invention of tradition noemt. Nationaal denken creëert zijn eigen verleden met eigen helden en legenden à eigen identiteit. Bij Humboldt nog nationaal denken met culturele betekenis, maar ontwikkelt zich in politieke en militaire zin. Bv Fichte (ca.1800): culturele natie van Herder omgevormd tot politieke doctrine. Objectieve definitie vd natie als culturele eenheid. De verheven Dse Geist behoeft een politiek lichaam. Combineert de Herderiaanse cultuuropvatting met Rousseau’s volonté générale: de wil vd burgers om een politieke eenheid te vormen. Ideaal: uniforme, gecentraliseerde, autarkische staat, individu in dienst vh algemeen welzijn. Cruciale rol voor nationaal onderwijs. Basis voor hervormingen in onderwijs in Pruisen door Humboldt. Voorkeur voor Volk (geleid door intellectuelen) boven Nation. Nationaal denken neemt populistische wending bij Arndt en Jahn: völkische ideologie, emotioneel en irrationeel, agressief en xonofoob. Natie bepaald door taal, cultuur en ras. De Duitser is de universele mens.

1815-1870: Van nationale beweging tot nationalisme

Duitse nationale beweging houdt tot diep in de 19e eeuw het karakter van een intellectuele stroming, vindt nauwelijks gehoor onder massa vd bevolking. Patroon ook elders zichtbaar. Karakter verschilt van land tot land. Eng en Fr: liberaal, gebaseerd op Verlichting. Politiek en cultuur naast elkaar. Alleen volken die politiek en economisch levensvatbaar waren konden eigen staat hebben, nemen kleinere staten in zich op (JS Mill, 1861). Mazzini (It): in Eur plaats voor 12 nationale staten.

Liberalisme in It en Mid-O.Eur anders dan in Eng en Fr: streven naar nationale eenheid (bestond al in Eng en Fr); eigen nationaal belang centraal (bv List, D: tegen vrijhandel). Benadrukking eigen superioriteit, goddelijke missie. Populisme.

Revolutie 1848: populisme verdringt liberale traditie. Cultureel nationalisme kreeg scherpe politieke vorm. Nationale verdeeldheid à mislukken revolutie. Wel breuk: nationalisme verloor zijn liberale onschuld en ging zich als massabeweging manifesteren met agressieve politieke stijl.

1870-1914: Nationalisme als massabeweging

Voor 1848: nationale bewegingen op zoek naar eigen staat. Daarna trachtten staten een natie naar eigen beeld te scheppen. Nationale staten geschapen door regeringen = officieel nationalisme (Seton-Watson). Gelegitimeerd door nationale politiek. Nationalisme en democratie in nauwe samenhang: democratie vereist een regering. Omgekeerd impliceert nationalisme een tendens tot democratisering: staat als homogene politieke en culturele eenheid, alle mensen als actieve burgers verenigd.

De objectieve definitie vd natie vond algemeen ingang. Taal criterium van nationaliteit. Culturele homogeniteit werd politiek principe. Afstand van liberale visie (natie = politiek-economische eenheid). Het op unificatie gerichte liberalisme maakte plaats voor een separatistisch getint nationalisme. Officieel nationalisme werd begeleid door propaganda door overheid.

Iedere politieke stroming kreeg te maken met de nationale kwestie.

Socialisten: internationalistisch standpunt, idee van natie ondergeschikt. Marx, Engels, Stalin: nationalisme is een verschijnsel, historisch verbonden met kapitalisme en bourgeoisie.

Integraal nationalisme: term van Maurras (1899). Natie = doel op zichzelf. Politiek streven: uitbreiding van macht, militair. Chauvinisme, aversie tegen liberale, humanitaire en kosmopolitische voorstellingen. Racistisch. Barrès: cultus van vaderland. La France éternelle. Tegen joden en Duitsers. Integraal nationalisme richt zich tegen het officieel nationalisme van de gevestigde nationale staat, deze voldoet niet aan het ideaal van de ‘ware’ natie. Antiliberaal.

Opkomst völkische ideeën. Associatie tussen jeugd en natie. Populistisch nationalisme = jeugd-beweging, beheerst völkische denken.

Wagner: verlossingsidee. Wederopstanding vh Volk. Dse volk superieur. Dse volk moest zich verjongen dwz van alle vreemde smetten zuiveren. Anti-joods. Ideeën verbreidden zich in bredere kringen vd intelligentsia en burgerij.

Barrès, Maurras en völkische beweging meest agressieve en extreme vorm van nationalisme.

Conclusie

De idee vd nationale staat en de daarmee verbonden nationalistische sentimenten behoren tot een tijd, waarin zich de overgang voltrekt van een agrarische, hiërarchisch geordende samenleving naar de industriële, burgerlijke maatschappij. Overgang roept heftige spanningen op. Culturele scheidslijnen à nationale gevoelens. Worden minder naarmate proces vordert. Verdwijnen niet helemaal. In Mid-O.Eur en in niet-westerse landen nog wel actueel.

Het nationale principe vormt de norm in de internationale politiek (zie VN). Maar het nationale principe heeft niet ten volle gezegevierd. Gellner: op basis van taal bestaan er 8000 groepen. De meeste staten voldoen derhalve niet aan het nationale principe. In deze landen bestaan nationalistische spanningen. Waar het moderniseringsproces heeft geleid tot een cultureel ge-integreerde maatschappij verliest het nationalisme zijn revolutionaire kracht. Maar die situatie lijkt in vele landen nog een utopie.


| Index | Geschiedenis | Veranderende Grenzen 1 | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)