Veranderende Grenzen 1

Hoofdstuk 10 - Oost-Europa tot circa 1870-1880

Auteur: Dittrich

 

Driedeling Eur na 1815:

Fr.Revolutie: staat verburgerlijkte, natiebegrip kreeg politieke lading. Vrije burgers kregen met staat een bijzondere band. Republiek één en ondeelbaar, leidde tot centralisme en versterking vd staatsmacht. Verplaatste zich naar buurlanden.

Mid+O.Eur 1792-1815: nationalisme met 2 kanten. D: men zag noodzaak tot hervormingen, maar nieuw nationaal bewustzijn vooral romantisch (dus anti-revolutionair); verzet tegen Fr overheersing. Polen en Italianen hoopten juist op hulp van Fr. Romantisch nationalisme verspreidde zich hier ook onder volkeren die nog niet toe waren aan politiek-burgerlijke doelstellingen, meer culturele bewustwording. Ook een belangrijk verschil met W.Eur is de verhouding natie-staat. In W.Eur burger niet alleen citoyen, ook bourgeois, ontvankelijk voor liberalisme (wens: bescheiden opstelling staatsmacht), getemperd nationalisme. Hoe oostelijker, hoe minder liberaal. Men hechtte belang aan sterke staat à nationalisme strijdbaar en etatistisch.

De Donaumonarchie

Habsburgse rijk conglomeraat van 20-tal landen met apart bestuur. Multinationaal karakter nog sterker benadrukt na overwinning op Nap. Na 1815 daalde het aantal Duits-sprekenden. Voertaal Duits à heftig verzet dat nationale bewegingen bleef bezielen. Nationale problematiek:

Nationale intregratie vertraagd door regionale verschillen. Volkeren verstonden elkaar niet en werden door autoriteiten tegen elkaar uitgespeeld. Moeilijkste groep voor centraal gezag: Magyaarse adel, hadden bestuur (Rijksdag) in handen.

1848: revolutie in Fr sprong over naar Mid-Eur. Liberaal ministerie in Wenen wilde constitutioneel bewind, gedwarsboomd. Grootste gevaar was mogelijke D eenwording, zou leiden tot uiteenvallen Habsb.Rijk. Oostenrijkse Duitsers deden mee aan verkiezingen voor parlement te Frankfurt. Steun aan Habsb van Slavische volkeren, zetten zich in de geest vh austroslavisme in voor voortbestaan. Tsjech Palacky voor behoud vd Donaumonarchie, wilde er een federatie van maken, maar aristocratische bovenlaag te conservatief, wilden dynastieke rijk behouden. Tweeslachtig beleid van regering: maatsch hervorming en concessies aan opstandigen afgewisseld met repressies (door leger). Duits gevaar geweken door klein-D oplossing. Afscheiding It gewesten voorkomen. Overleg over grondwet. Palacky: federalistisch, 8 nationale deelstaten, grenzen moesten samenvallen met etnografische scheidslijnen. Conservatief Schwarzenberg ging andere weg: ontbond parlement in 1849. Grondwet afgekondigd die niet in werking zou treden. Burgeroorlog in Hong neergeslagen door Rus (hulp Rus ingeroepen door keizer Franz Joseph). Ook overgave Venetië. Neo-absolutistisch regime (1851-1860), centralistisch en germaniserend, bouwde machtsapparaat uit. Overmoedig buitenlands beleid: rol van middelaar tijdens Krim-oorlog, afgestraft met isolement. Oorlog tegen Fr en Piemonte-Sardinië kostte niet alleen Lombardije, maar ook machtspositie in It. Nederlaag leidde tot terugkeer van constitutioneel regime en herstel van zelfbestuur in de historische regionale eenheden à opkomst nationale ambities, roep om federalistische staatshervorming.

1866: nieuwe nederlaag tegen Pr en It. Moest afstand doen van Venetië. Verlies van invloed in D (nu Noordduitse Bond). 1867: Ausgleich (het compromis), Donaumonarchie heette voortaan Oos-Hong. Heerser in Oos keizer, in Hong koning, behield zeggenschap in centraal bestuurde aangelegenheden (buitenlandse politiek, oorlog, rijksfinanciën). Westelijk deel, Cisleithanië: 15 kroonlanden van Vorarlberg tot Boekowina en Dalmatië; 1/3 deel Duitsers, maar hun invloed nam af. Transleithanië: Hongarije, Kroatië en Zevenburgen, hier Magyaren almachtig, onderdrukten minderheden. Regeling van 1867 was ongunstig voor minderheden. Oos-Hong na Fr-D oorlog in schaduw van D = obstakel voor hervorming vd interne structuur, niet eens zozeer door verzet van D volksgroep alswel omdat de Hongaren in verstandhouding met Berlijn alle tegemoet-komingen aan andere nationaliteiten wisten te verijdelen.

Dus:

Toenemende vervreemding tussen volkeren onderling, rijk in structurele impasse. Habsburgers hadden wel krachtig machtsapparaat, maar bij onderdanen hoogstens een gevoel van dynastieke loyaliteit. Opkomende nationale bewustwording van afzonderlijke etnische delen verhinderde ontstaan staatsburgerlijk gemeenschapsbesef, monarchie kon niet ontwikkelen tot modern staatsverband. Tijdens de revolutie van 1848-49 werd duidelijk dat nationale verlangens van Duitsers en Magyaren het voortbestaan vh rijk op het spel zetten. De Slavische volkeren waren voor het voortbestaan vd monarchie, zij eisten een federatie, zou hen meerderheidspositie opleveren. Echter centralistisch neo-absolutistisch regime, werkte elke vorm van nationalisme tegen. Maakte in 1860 plaats voor constitutioneel bewind. Federatie toch gedoemd te mislukken omdat het aan de nationale tegenstellingen voorbij ging. Dubbelmonarchie van 1867 werd obstakel voor verdere rijkshervorming.

Het tsarenrijk

Bont samenraapsel van zeer uiteenlopende volkeren, religies en culturen; Russisch staatsvolk iets meer dan de helft. Noordelijke volken niet interessant voor overheid. Niet-Rus inwoners in gematigder streken:

  1. autochtone Oegro-Finse en Turko-Tataarse volkeren in het binnenland, al dan niet vermengd met omwonende Rus bevolking;
  2. Europese immigranten en kolonistengroepen;
  3. Aziatische volkeren in de zuidelijke randgebieden;
  4. Volkeren van westerse beschavingskring, zoals de Balten (ingelijfd begin 18e eeuw).

Ad1: voor 1600 onder gezag tsaar, sociaal geïntegreerd. Geldt ook voor Volga-Tataren die tot Rus-orthodoxe geloof waren overgegaan. Weinig druk tot assimilatie. Primitiviteit beschermde volkeren voor het verlies eigen identiteit. Veranderde in de loop vd 19e eeuw door onderwijs, hoger opgeleiden raakten van eigen volksgemeenschap vervreemd, werden geen voorvechters van modern nationaal besef.

Ad2: sinds 16e eeuw migratie naar Rus. Vreemdelingen kregen aparte status. Als ketters beschouwd. D, Eng, Ned, Fr vormden aparte gemeenschappen met zelfbestuur. Toenemende assimilatie. Bekering tot orthodoxie aangemoedigd. 18e eeuw: immigratie in groepsverband ter kolonisatie van woeste gebieden. Duitse koloniën in Oekraïne en Volgagebied met eigen bestuur. Geen vermenging met inheemse volken. Immigranten uit Balkan in Oekraïne. Immigratie stopte niet toen VS populair werd als immigratieland.

Ad3: kozakkengemeenschappen beschermden Rus gebied tegen Turken. 18e eeuw: dreiging viel weg, kozakken deels geïntegreerd, deels in aparte gemeenschappen. Kaukasus: onderwerping Georgiërs, Azeri’s en Armeniërs. Russificatie bracht nationale reactie teweeg, maar bescherming van overheid tegen Turken heeft opkomst ve nationaal zelfstandigheidsstreven afgeremd.

Ad4: westelijke gebieden na 1700 in Rus handen. Cultureel verder dan meeste andere Russen. Estland, Lijfland, Kierland, Finland, Polen-Litouwen, kregen wel zelfbestuur. Oostslavische landen administratief bij tsarenrijk. Polen in personele unie met Rus. Dus twee soorten Polen: burgers vh koninkrijk en Russische Polen in het oosten. Poolse joden in mobiliteit beknot. Oostslaven: Wit-Russen, Oekraïeners tot Rus staasvolk gerekend, maar waren wel volksgemeenschappen die bezig waren een eigen nationale identiteit te verwerven à repressie.

Karakter Rus nationaal zelfgevoel: niet verwant aan het citoyen-nationalisme vh Fr type, noch aan het romantisch-etnische nationalisme v Mid-Eur. Kenmerk: sterke religieuze dimensie. Band Russendom – Grieks-orthodoxe geloof onverbrekelijk, kleurde het nationalisme met messianisme. Tien oorlogen tegen Osmanen waren eigenlijk kruistochten. Rijkspatriottisme: wij-gevoel niet ontleend aan volks- en taalgemeenschap, maar aan staatkundige schepping vd autocratie. Identificatie met tsarenrijk. Haat-liefde-verhouding met Eur: strijd tussen zapadniki (westersgezinden) en slavofielen. Eersten benadrukten Rus achterstand, ijverden voor overname Eur cultuur; slavofielen benadrukten volkseigene, zagen in westerse invloed bedreiging vd Rus nationaliteit. Hoogtepunt strijd in jaren 1830 als afleiding vd interne politieke controverses.

Wijze waarop tsaren met etnische minderheden omgingen hing af van wie er heerste.

Alexander I (1801-1825): Eur-gezind, verlicht. Minderheden ontzien. Na de val van Nap zette hij zich in voor nieuwe internationale orde (Heilige Alliantie). Nam tav eigen Rus cultuur en nationale strevingen onverschillige houding aan.

Nicolaas I (1825-1855): hardvochtige, militaristische autocraat, benadrukte staatsbelang, weerde westerse invloed, minachtte Eur publieke opinie. Poolse opstand (1830-31) neergeslagen. Joden moesten integreren, maar werden tegelijkertijd gediscrimineerd. Tegenslagen in Krimoorlog (1853-56), Rus voelde zich verraden à heftige nationale reactie tegen Oos, op den duur ook tegen D. Nicolaas I bewonderde Pruisen. Rus moest Pr vrije hand geven in D kwestie.

Alexander II (1855-1881): in 1866 verandering in D krachtsverhoudingen. Pr nu sterke macht, Rus raakte in periferie. De Fr-D oorlog van 1870-71 betekende verdere verslechtering vd Rus-D relatie. Politieke dooi onder Alexander II (tal van hervormingen) strandde op Poolse kwestie (1863-64), opstand onderdrukt. Pools nationalisme ging ondergronds à terrorisme. Moordenaar Alexander II was een Pool.

Dus:

Rus had minder te lijden van opkomende nationale tegenstellingen dan men zou verwachten. Lag aan overmacht vh Rus element en aan de ongelijkmatige ontwikkeling vd versch volksgroepen; de meesten in achterstand op Rus staatsvolk. Alleen de Polen durfden 2x in opstand te komen. Toch toenemende nationale bewustwording vd niet-Russische volkeren aan de westzijde vh rijk. Autocratie in moeilijkheden. Duitse eenwording maakte drastische herziening vh Rus buitenlands beleid noodzakelijk. Nationale aspiraties van volkeren die voordien geen politieke autonomie verlangden, kregen gevaarlijk accent. Rus ging ook als machtsfactor in internationale politiek achteruit.

Het Osmaanse Turkije

Begin 19e eeuw over 3 continenten, historische schepping vh Turkse volk dat in Anatolië en verspreid op de Balkan leefde. Turken minderheid, grootste etnische groep: Arabieren. Onder moslims was religie, niet etniciteit het belangrijkst. Arabieren, Turken, Koerden, Albanezen en Bosniërs islamitisch, beheersten leger en openbaar bestuur. Christenen en joden als tweederangs gezien, afgezonderd in etnarchieën (millets). Hadden wel zakenleven en scheepvaart in handen (Grieken).

Politieke en maatsch structuur: bepaald door oosters despotisch karakter. Sultans waren hoogste macht in wereld en kerk, macht onbeperkt. Geen erfelijke adel. Sultans sinds 17e eeuw geen krachtige figuren meer. Hervormingsgezinde heersers stuitten op traditionalisme à Osm rijk raakte achter op Eur. Vooral aan periferie, vele opstanden. Eind 18e eeuw: N-Bulg, Egypte, Servië (1804, in 1812 weer in Turkse handen, definitieve afscheiding in 1815), Montenegro. Griekenland: 3 zakenlieden richtten in 1815 de Etería tón filikón op met doel de bevrijding van Gr. Opstand in 1821 olv Ypsilanti. Gesteund door filhelleense beweging in Eur. 1829-30 oprichting klein koninkrijk Griekenland.

Hervormingspogingen hervat in periode van Tanzimat (Verlichting) onder twee vooruitstrevende sultans, Abdül-Medjid (1839-61) en Abdül-Aziz (1861-76). Gesteund door grote mogendheden omwille vd stabiliteit, maar eisten wel gelijke rechten voor christenen en joden. Decreten uitgevaardigd, maar stuitte op traditionalisme vd moslimmaatsch. Christelijke volkeren op Balkan en in Azië werden toenemend nationalistisch: ideaal v eigen nationale onafhankelijkheid. Onrust op Balkan, in Bosnië en Albanië. Tanzimat ging ten onder door nationale onafhankelijkheids-tendenties en fundamentalistisch conservatisme. Moldavië en Walachije verenigd in Roemeense staat, vazalstaat streefde naar onafhankelijkheid. Montenegro en Servië wilden ook afscheiding, werd werkelijkheid in 1878. Eenwording in 1863 van Griekenland en de republiek van 7 Ionische eilanden.

Dus:

Dar-ul-Islam-karakter vh Osmaanse Rijk, dat een scheiding v wereldlijk en geestelijk gezag uitsloot en zodoende bij de moslim-bevolking de identificatie met de staatsmacht bevorderde, had remmende invloed op de opkomst vh nationalisme bij de afzonderlijke islamitische volkeren. Turks nationalisme kwam pas laat op. Pas in jaren 60 werd het woord watan (vaderland) in moderne zin gehanteerd. Ook onder christelijke Balkan-volkeren was religie een bindende factor. Onderlinge solidariteit vd Grieks-orthodoxen moest wijken voor aparte nationale identiteiten agv overheersende positie vd Grieken in de christelijke millet à ressentiment onder Roem, Serv en Bulg tegen patriarchaat en kerkelijke hiërarchie. Grieken keken neer op Slaven. Fel anti-Griekse gevoelens bij Bulg, bereikten in 1870 kerkelijke autonomie. Ging vooraf aan bevrijding van Osmaanse overheersing. Nationale bewustwording van Albanezen (godsdienstig verdeeld: 70% islam, 20% Gr-orthodox, 10% rk) door overname denkbeelden uit It. 2e helft 19e eeuw op It leest geschoeid nationalisme, won het van traditionele religieuze loyaliteiten.

Balkan-volkeren: opkomst nationalisme gekenmerkt door krachtige historische inspiratie. Men wilde oude glorie herstellen. Veroorzaakte eveneens, toen afscheiding feit was, een onverzoenlijke broederstrijd.


| Index | Geschiedenis | Veranderende Grenzen 1 | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)