HOLLAND EN ZEELAND: DE VOORDELEN VAN DE ACHTERSTAND

(leereenheid 3)

 

Milieu en bevolking

Het geografisch milieu: mogelijkheden en moeilijkheden

Holland en Zeeland hebben een gunstige geografische ligging om een rol van betekenis te spelen bij het vervoer van massagoederen. Zowel de ligging aan de Noordzee als de waterwegen naar het achterland spelen daarbij een belangrijke rol. Echter pas vanaf het midden van de 14de eeuw ontstond er een handel die van betekenis was.

Daarvoor hadden Friesland en de steden langs de IJssel en de Zuiderzee een grotere commerciële betekenis vanwege de economische kracht van de bestemmings- en herkomstgebieden.

Door de landbouw in veengebieden daalde het land als gevolg van inklinking. Ook werden de relatief schrale gronden uitgeput door de intensieve landbouw. Dit had tot gevolg dat broodgranen als tarwe en rogge steeds minder konden worden verbouwd. Omstreeks 1400 toonden de opbrengsten dan ook een dalende lijn. Lichtere granen als gerst en haver konden nog wel worden geteeld. Er dienden dijken te worden gebouwd om het water buiten te houden. In de 15de eeuw werden rondom Alkmaar ook de eerste watermolens geplaatst om droge voeten te houden. Steeds minder mensen konden werk vinden in de landbouw waardoor er naar andere bestaansmiddelen werd gezocht. In de dorpen ontstonden nevenactiviteiten in ambachten, visserij en scheepvaart. Daarnaast trok een deel ook naar de steden die daardoor relatief goedkope arbeidskrachten kregen. Een klein deel trok ook weg naar het oosten, alwaar destijds nog ruimte voldoende was voor de landbouw, of naar het rijkere zuiden (Brabant en Vlaanderen).

Bevolking: een ongewone verhouding

Uit volkstellingen in 1494 (de enqueste) en 1514 (de Informacie) bleek dat de bevolking in Holland in 1514 ongeveer 254.000 bedroeg. Van hen leefde 44% in steden en de dichtheid bedroeg 66 per km2. In vergelijking met de omliggende gewesten was het aantal stedelingen relatief erg groot (Vlaanderen 36% en Brabant 31%). Ook de bevolkingsdichtheid was groot. Enkel in absolute aantallen was het graafschap Holland veel kleiner dan Vlaanderen (in 1470 ongeveer 750.000) en Brabant (413.000 inwoners).

Daar waar in Holland in 1514 Leiden nog de grootste stad was (12.800 inwoners) is in 1570 Amsterdam explosief gegroeid naar bijna 30.000 inwoners. De steden waren echter nog klein in vergelijking met de grote steden van Europa (Antwerpen meer dan 100.000 inwoners).

Was Dordrecht sedert de 13de eeuw de Hollands voornaamste stapelmarkt (opslag en distributie van goederen) geweest, vanaf 1500 nam Amsterdam deze rol op veel grotere schaal over.

De creatieve respons

De expansie die we vanaf 1350 in Holland op gang zien komen is een combinatie van de migratie naar de steden (goedkope arbeidskrachten in een ruime markt) en het zoeken naar complementaire activiteiten omdat de inkomsten uit de landbouw ontoereikend waren geworden.

Agrarische producten

In 1358 kregen Hollandse handelaren stapelrechten in Antwerpen voor: melk, kaas, boter, vette waren, koolzaad, raapzaad, en mosterdzaad, hennep, honing en huiden. Later werden ook bier en haring in grote hoeveelheden verkocht. Dit alles werd geruild tegen graan, hieraan was immers een gebrek ontstaan.

In de loop van de 15de eeuw remde de bevolkingsgroei in Brabant de graanexport echter af waardoor graan uit andere gebieden moest worden gehaald (Artesië en Picardië en later ook uit het Oostzee gebied). Ondanks de protesten van Duitse Hanze werd er meer en meer handel gedreven langs de oostelijke kusten van de Oostzee.

Haring
Toen de Hollanders, als resultaat van hun deelname aan de oorlog tegen Denemarken, in 1370 enkele vestigingen in Schonen verwierven, hadden zij vaste voet op een handelsroute die van levensbelang was. Zij konden van de Denen de techniek van het haringkaken eigen maken om ze vervolgens in te pekelen en in houten tonnen te verpakken. Al in 1384 verbood de Hanze de Hollanders om voor de kusten van Schonen haring te vangen. De Hollanders werden hierdoor gedwongen om in grotere zeewaardige schepen verder op de Noordzee en bij Schotland haring te vangen. Het duurde te lang voordat de haring aan land kon worden gebracht daarom moest nu op zee al worden gekaakt. Terwijl de Vlamingen alleen voor de eigen markt visten exporteerde de Hollanders het merendeel van de haring noodgedwongen als ruilmiddel voor de graan.

Zout
Holland en Zeeland hadden veel zoutpannen, deze waren o.a. nodig voor haring en kaas. Uit de verbrande turf, die werd gebruikt om de zoutpannen te verwarmen, werd ook zout gewonnen. Later haalde men goedkoop zout uit de Franse of Portugese kust, deze werd vervolgens in Nederland gezuiverd en duur verkocht aan de Baltische staten. Dit was echter nog altijd goedkoper dan het aldaar uit Duitsland over land aangevoerde zout.

Turf
Turf was de enige grondstof uit eigen bodem. Het werd gebruikt voor de zoutziederijen en de bierbrouwerijen. Voor veel dorpen betekende dit een mogelijkheid tot extra bijverdienste. Echter door de grote winning raakten de gebieden in de 16de eeuw steeds verder uitgeput.

Bier
In de 14de eeuw gingen de Hanzesteden bier met hop brouwen. Dit bier was langer houdbaar en daarmee geschikt voor de export. In de tweede helft van de 14de eeuw gingen de Hollanders dit nabootsen (met name in Haarlem, Gouda en Delft). Omdat de grondstoffen rijkelijk aanwezig waren (lichte granen, water, turf en goedkope arbeidskrachten) werd al snel een belangrijk deel van de markt veroverd.

Laken
In de lakennijverheid hadden Vlaanderen en Brabant een grote voorsprong. Echter door de import van wol uit Schotland, de aanwezigheid van laagbetaald personeel en de contracten met de Oostzee landen konden met name Leiden en Amsterdam al in de 15de eeuw een lakencentrum van betekenis worden. De Vlaamse lakens waren nog wel kwalitatief de beste maar ook de duurste.

Scheepsbouw
In de 15de eeuw ontwikkelde de Hollanders, die vanouds scheepsbouwers waren, grotere en snellere scheepstypes die beantwoordden aan hun stijgende capaciteitsbehoeften. Voor de haringvangst moest een groter scheepstype (de haringbuis) worden gebouwd vanwege de langere tochten op open zee. Deze schepen konden buiten het haringseizoen als vrachtschepen worden gebruikt. Voor de route naar Frankrijk en Portugal werd al rond 1430 een driemaster gebouwd (de karveel).

Uit Noorwegen en de oostelijke Oostzee werden hout, teer en pek gehaald. Terwijl ijzer en staal uit het Rijnland kwamen. Zeilen en touwen kwamen van het eigen platteland alwaar steeds meer vlas en hennep werd verbouw.

De gezamenlijke capaciteit bedroef in 1500 ongeveer 180.000 ton en in 1580 al 400.000 ton.

Expansie vanuit achterstand

Door de ontwikkelingen die vanaf 1350 in Holland hebben plaatsgevonden is er een complex samenstel van handel, landbouw en nijverheid ontstaan. Ondanks dat de Zuidelijke Nederlanden (met name Antwerpen) tot 1585 de boventoon voerde werd hiermee een belangrijke basis gelegd om de rol van Antwerpen na 1585 snel te kunnen overnemen.

Het veroveren van een eigen positie verliep vooral tegenover de Hanze in een scherpe competitie. Ondanks protectionistische maatregelen kon de opmars van de Hollanders in de oostelijke Oostzee niet worden afgeremd. Dit komt voornamelijk doordat de Hanze geen gesloten front vormden. Pruisen en de meer oostelijke streken hadden immers belang bij de handel met de Hollanders.

De rol van Zeeland is duidelijk anders dan die van Holland. De steden waren te klein om een exporterende nijverheid op te zetten. Wel waren er activiteiten als haringvissers, zoutzieders en vrachtvaarders. Ook profiteerden zij van hun geografische ligging, met de Walcherse rede, als voorhaven voor zowel Vlaanderen als Brabant.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)