DE BOURGONDISCH-HABSBURGSE STAAT

(leereenheid 4)

Het huis van Bourgondië: Stamboom van de familie.

De wording van de eenheidsstaat

Tussen het Franse en Duitse gebied lag op het einde van de 14de eeuw een groep landsheerlijkheden van verschillende grootte. Deze werden bestuurd door graven en hertogen.

De onderdanen (hogere clerus, geboorteadel en/of derde stand (de steden)) waren over het algemeen mondig en verenigd in standen of staten en hadden eigen voorrechten die ooit door de vorst (graaf of hertog) erkend waren.

In elke landsheerlijkheid verschilde de krachtverhouding tussen landsheer en de staten. De bedongen vrijheden waren soms in belangrijke documenten vastgelegd. Bekend is de Blijde Inkomst van Brabant (normaliter een inhuldigingsplechtigheid) waar sinds 1356 elke hertog moest zweren de vastgelegde bepalingen te eerbiedigen.

Stukje bij beetje heeft de Bourgondische-Habsburgse dynastie de machtsverhoudingen in de Nederlanden sterk veranderd. In 1384 overleed de Vlaamse graaf Lodewijk van Male. Dank zij een huwelijk met diens erfdochter Margareta van Male, verscheen de Bourgondigsche hertog Filips de Stoute (1384-1404) als landsheer in Vlaanderen en Artesië. In de eeuwen daarna is de geleidelijk een eenheid ontstaan. Keizer Karel V heeft met de toevoeging van Gelre-Zutphen in 1543 de eenwording voltooid.

De eenwording kon niet zonder een eenheid in bestuur. In de verworven gebieden werden vele veranderingen doorgevoerd in bestuurlijke zin.

Tegen het einde van de 15de eeuw was al sprake van een uniforme wetgeving. De rol van de vorst als wetgever werd in de 16de eeuw nog groter. In de provincies werden uit de geprivilegieerde standen de Staten-Provinciaal gevormd die vervolgens samenkwamen in de Staten-Generaal.

In de provincies werden de stadhouder of gouverneur en de justitieraden geacht de meest loyale vertegenwoordigers van de vorst te zijn.

Verdergaande centralisatie

De vorst en de landvoogdes

Toen Karel V 15 jaar was, werd hij in de Nederlanden door de Staten-Generaal meerderjarig verklaard. Één jaar later werd hij koning in de Spaanse gebieden en zo tevens heerser in de Nieuwe Wereld. Toen hij 19 was, werd hij Rooms-Koning (keizer van het Roomse Rijk). Door deze laatste benoeming noemde hij zich bron van alle recht. Hij stelde een landvoogdes aan om zich in de Nederlanden te laten vertegenwoordigen, zijn tante Margareta van Oostenrijk van 1517-1530 en later zijn zus Maria van Hongarije, beiden dus afkomstig uit de dynastie hetgeen zo zijn voordelen had. Haar raadsheren waren steeds vaker universitair gevormde experts i.p.v. de vroegere adviseurs uit de geboorteadel hetgeen veel jaloezie met zich meebracht.

Centrale instellingen

In 1531 werden de Collaterale Raden die de landvoogdes ter zijde stonden ingesteld:

De Raad van State, een adviesorgaan samengesteld uit de belangrijkste edelen voor de binnen- en buitenlandse politiek

De Geheime Raad, samengesteld uit juristen. Naast adviezen over wetgeving en bestuur sprak de raad ook recht.

De Raad van Financiën, met 3 directeurs (van adel), een thesaurier-generaal (beheerder van Rijks gelden) en commissarissen (experts). Het heffen van belastingen, controle van schulden en beheer van de vorstelijke domeinen.

De vorstelijke financiën werden gecontroleerd door de rekenkamers. Ook hielden zij archieven bij en waren zij registratiebureaus voor o.a. verleende privileges aan steden en andere gemeenschappen.

De rechtbank kende een hoogste beroep in de Grote Raad van Mechelen. Al waren voor een aantal provincies uitzonderingen gemaakt met eigen raden zonder beroepsmogelijkheden.

De Grote Raad moest bij competentieverschillen de Geheime Raad voor laten gaan. De latere Hoge Raad (1582) werd naar het voorbeeld van de Grote Raad van Mechelen opgericht.

De Staten-Generaal

De Staten-Generaal vertegenwoordigden de onderdanen in de Bourgondisch-Habsburgse staat. De vorst diende met de Staten-Generaal overleg te voeren omtrent nieuwe wetgeving, belastingheffing en oorlogsvoering.

Omdat de Staten Generaal echter vaak het eigen belang diende i.p.v. het belang van het hele imperium werd zij soms niet bijeengeroepen om moeilijkheden te vermijden. Ook is de vorming van een staand leger door de Staten-Generaal tegengehouden zodat Karel V soms middels externe financieringen huurtroepen her en der in Europa moest aanmonsteren.

De provincies

Als verlengstuk van het gezag van Karel V fungeerde in elf provincies stadhouders of gouverneurs. Zij waren van hoge adel en namen de bestuurlijke en militaire functies waar. Door hun hoge adellijke komaf waren zij gesteld op hun onafhankelijkheid en derhalve moeilijk in de greep te houden. Onder Margareta van Oostenrijk en Maria van Hongarije lukte dit door hun kordate optreden wonderbaarlijk goed. Echter onder Margareta van Parma was het toezicht minder streng en liep de zaak uit de hand.

Rechtsgeschillen werden in eerste instantie door lokale en stedelijke rechtbanken beslecht, veelal op basis van gewoonterecht. In beroep werden zaken door de provinciale justitieraden behandeld op basis van Romeins of canoniek recht. Vaak was er onenigheid over de vraag of het lokale gewoonterecht of de van bovenaf opgelegde wetgeving moest worden toegepast.

De Staten-Provinciaal vertegenwoordigden de onderdanen. Zij waren vooral van belang bij het innen van belastingen. Door het benoemen van landsadvocaten in de belangrijkste steden en soms ook in de Staten kon Karel V meer invloed uitoefenen bij de diverse belastingvoorstellen die met de Staten moesten worden overeengekomen.

Dynastieke schaalvergroting onder Karel V

Om meer invloed in Europa te krijgen werden er heel wat huwelijken afgesloten tussen leden van de Habsburgse dynastie en de diverse andere vorstenhuizen in Europa.

Huwelijk en diplomatiek overleg genoten zo lang mogelijk de voorkeur boven oorlog en andere vormen van annexatie door geweld.

Door de schaalvergroting kon de Karel V zich niet meer in elk deel van het rijk vertonen. Het aanstellen van een landvoogdes werkte aanvankelijk uitstekend.

Ook huwelijken van de families van de diverse stadhouders met belangrijke adel uit andere provincies verstevigde de stabiliteit van de Nederlanden als geheel.

Balans

Karel V heeft de eenmaking van de Zeventien Provinciën als een staat tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk voltooid. Door het instellen van Collaterale Raden (centrale bestuursinstellingen) als permanente, gespecialiseerde adviesorganen van de Landvoogdessen werd de reorganisatie van de provinciale en lokale bestuursinstellingen bevorderd.

Vrede en eenheid werden tot stand gebracht door middel van het centraliserende en gecentraliseerde recht. De vorstelijke wil had kracht van wet (Karel V liet zich onder andere leiden door het beeld van de Romeinse keizer). Er groeide echter wel een steeds grotere kloof tussen de elite enerzijds en de middengroepen en de onmondige massa aan de andere kant. De stimulatie van actieve deelname aan het opsporingsbeleid zowel bij de strafwetgeving als bij onderzoek naar ketters (een verklikkersysteem) en de godsdienstige tweestrijd werkte uiteindelijk onrust in de hand. Belangrijk om te weten is tevens dat corruptie en steekpenningen het smeermiddel vormden van de Bourgondisch-Habsburgse staat. Een ander zwak punt was de afwezigheid van de controle op de overheidsfinanciën.

De binnenlandse veiligheid en vrede werd onder Karel V hoofdzakelijk bereikt door de internationale beheersing van conflicten en door het relatieve overwicht van de keizer in Europa. Door zijn internationale positie kon hij de binnenlandse conflicten beperken tot enkele militaire tussenkomsten.

De grens aan de Franse zijde was de zwakste. Frankrijk had immers het meest te leiden van de Bourgondisch-Habsburgse staat en kon aan de grens met de Nederlanden het gemakkelijkst hun gram halen.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)