VAN ONDERDAAN TOT BURGER

(leereenheid 8)

 

Constitutionalisme en fundamentele rechten

Het roemloos einde van de monarchie

Op 26 juli 1581 vaardigden de Staten-Generaal in Den Haag het Plakkaat van Verlatinge uit.

Hierin werd de soevereiniteit van Filips II ontnomen, de soevereiniteit werd door een meerderheid van de gewesten gegeven aan de hertog van Anjou (broer van de koning van Frankrijk) en aan de ambtenaren werd opgedragen om in het vervolg namens de Staten-Generaal te fungeren.

Anjou moest echter akkoord gaan met zeer ruime bevoegdheden voor de Staten en de Staten-Generaal die op eigen initiatief mocht vergaderen. Ook hadden de Staten-Generaal belangrijke zeggenschap inzake de troonsopvolging. Hiermee werd een in die tijd unieke constitutionele monarchie geschapen. Na het mislukken van Anjou deden de staten het voortaan zonder monarchie.

Constitutionele tradities en het recht op politiek verzet

Kern van de motivatie om Filips II te verlaten was een reeks van overtredingen t.a.v. de rechten en privileges van zijn onderdanen. De aanklachten konden vooral in Brabant goed worden geformuleerd omdat daar al vanaf de dertiende eeuw sprake was van een schriftelijk vastgelegd charter waarin de rechten en plichten van een landsheer waren vastgelegd (Blijde Inkomst). Bij het aanstellen van een nieuwe vorst moest dit document iedere keer opnieuw worden bekrachtigd.

Ook het op 11 februari 1477 door hertogin Maria van Bourgondië ondertekende Groot Privilege dat voor alle staten gold bood een handreiking voor de aanklacht tegen Filips II. Dat dit groot privilege al snel weer terzijde was geschoven deed er niet zoveel toe, het was immers de enige vastlegging die voor alle staten gold.

Rechten, gewoonten en privileges

De Staten hebben altijd zwaar getild aan de verdediging van hun particuliere rechten.

In de loop der eeuwen waren een massa particuliere voorrechten door allerhande gezagsdragers verleend aan alle denkbare instanties (steden, waterschappen, abdijen, ambachtsheerlijkheden en gewesten). Tussen steden en hun landsheren was een voortdurend spel van geven en nemen ontstaan. Alle akten, werden zorgvuldig bewaard in de privilege-kist van de betreffende stad, abdij etc.. Daarnaast was sprake van vele ongeschreven gewoonten. Dit alles leidde tot een volstrekt onoverzichtelijke situatie. Diverse Bourgondische en Habsburgse vorsten hebben gepoogd de ongeschreven rechten te laten codificeren. Ook werd getracht om meer eenvormigheid in de wetgeving aan te brengen. Het verzet hiertegen was echter zeer groot.

Het sociaal contract

In de oudste stadsrechten was al vastgelegd dat de steden geen enkele dienst voor de graaf hoefden te verrichten als hij de rechten van de steden en hun burgers zou schenden. In deze lijn paste ook een contract tussen een vorst en zijn onderdanen (bij de inhuldiging vastgelegd).

Met behulp van onder meer de Romeinse rechtsregels uit de titel De Pactis werd de grondslag gelegd voor een politieke ideologie, die vorst en burgers als contractuele partners zag.

Hiermee werd door laat middeleeuwse juristen als Bartolus van Sassoferrato en Baldus de Ubaldis de van oorsprong feodale contractsvorm uitgelegd naar een publiekrechtelijke basis met politieke en ideologische toepassingen. Dit was van fundamenteel belang voor de ontwikkeling van de democratie.

Tegenover het contractdenken van de Staten plaatsten tal van Europese koningen de notie van bij Gods genade, die inhield dat zij hun macht van God kregen en dat zij dus alleen aan hem verantwoording schuldig waren. Iedere zeggenschap van de onderdanen was daarmee uitgesloten.

Niet alleen Brabant kende geschreven constituties. Door problematische troonsopvolgingen en ernstige conflicten tussen vorst en onderdanen ontstonden ook in Luik en Utrecht dergelijke documenten.

De traditie van politieke representatie

In het meest verstedelijkte gewest Vlaanderen kwam het pas in 1577 tot de opstelling van een landcharter. Holland en Zeeland volgden. Dat wil niet zeggen dat de onderdanen daar voor minder rechten hadden of niet meededen aan het landsbestuur. Enkel de ontwikkeling was anders. In rijke gewesten als Gent had de stad veel inkomsten en was de graaf derhalve sterk afhankelijk van de steden. Ook was er al vroeg overleg tussen de steden om als machtsblok tegen de graaf op te treden. Geschillen onderling verzwakten hun positie tegenover de graaf zodat er een systematiek van onderlinge bemiddeling ontstond om de problemen op te lossen. Zelfs in de Unie van Utrecht uit 1579 was de minnelijke schikking naast rechters en arbiters nog opgenomen voor kwesties tussen staten en/of steden onderling. De wijze van vertegenwoordiging in de Staten was veelal afhankelijk van de mate van urbanisatie in een gewest. Er was veelal sprake van een combinatie van vertegenwoordigers van de adel, geestelijkheid en steden. In Holland speelde de geestelijkheid eigenlijk helemaal geen politieke rol en maakten de zes grote steden in feite de dienst uit (Leiden, Amsterdam, Delft, Haarlem, Gouda en Dordrecht).

De Opstand en de tradities van constitutionalisme en representatie

De ontwikkeling van de Opstand, waarbij de opstandige gewesten al of niet met tegenzin steeds verder gingen in hun verzet tegen de regering van Filips II, daagde de opstandelingen telkens weer uit hun verzet te legitimeren. Dit resulteerde in een omvangrijke stroom traktaten, die de ontwikkelingen interpreteerden en de Opstand motiveerden.

Paulus stelling in Romeinen 13 dat elke overheid door God verordend en met gezag bekleed is en dat wie zich tegen de overheid verzet een instelling Gods weerstaat, was een belangrijk uitgangspunt in het protestantse politieke denken.

Van politiek verzet kon dus eigenlijk geen sprake zijn.

Dit beeld veranderde bij de lutheranen na 1530, nadat duidelijk was geworden dat Karel V het lutheranisme met grof geweld de kop indrukte. In de Nederlanden gebeurde dat pas tussen 1560 en 1566. Na moeizame discussies kwam men tot de conclusie dat verzet gerechtvaardigd was indien de wetten en privileges van het land op grove wijze werden geschonden. Ook de vrijheid van het land (onafhankelijkheid en zelfbeschikking) en de persoonlijke vrijheid van de inwoners was in het geding.

De publicaties van Marnix van St. Aldegonde (vermoedelijk ook auteur van het Wilhelmus), een Brabants edelman en politicus en Jacob van Wesembeeke (raadpensionaris van Antwerpen) speelden daarbij een belangrijke rol.

Het representatieve karakter van de Staten werd geanalyseerd in geschriften als Vertoog ende openinghe om een goede, salighe ende generale vrede te maken in desen Nederlanden uit 1576. Hierin werd vastgelegd dat in de dagelijkse politieke besluitvorming er een belangrijke rol voor de representanten van de gemeenschap was weggelegd.

De uiteindelijke rechtvaardiging van de Opstand en van het Plakkaat van Verlatinge in het bijzonder steeg uit boven de constituties, al bleef het contractuele denken centraal staan.

Het Politicq Onderwijs uit 1582 kwam, geïnspireerd op klassieke teksten tot de volgende stelling; een bestuurder die niet het algemeen maar het eigen belang behartigde, die wat recht is met kracht en geweld probeerde te onderdrukken en die zich liet leiden door zijn ongetoomde begeerte diende als een tiran te worden beschouwd. Het was aan de Staten van het Land en de representanten van het volk als publieke personen voorbehouden om de tiran af te zetten.

Daarmee werd de individuele burger zeker geen passieve rol toebedeeld. In een Clare Vertoninge uit 1579 werd gesteld dat in het uiterste geval de deugdzame burgers bereid moeten zijn een eervolle dood voor de verdediging van hun Vaderland en het behoud van hun bezit, vrouwen kinderen en nakomelingen te sterven.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)