ONDERWIJS EN SCHOLINGSNIVEAU IN DE NEDERLANDEN

(leereenheid 9)

 

Hoe meten we geletterdheid?

Historici berekenen de graad van alfabetisering door de handtekeningen die onder officiële stukken geplaatst worden te tellen. Geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten komen hiervoor het meest in aanmerking, omdat ze betrekking hebben op mensen uit alle sociale standen. Sommige parochie- of stedenarchieven bevatten voldoende documenten om een juist beeld te vormen. In Antwerpen waren in de 16de eeuw de echte analfabeten slechts te vinden onder de ongeschoolde arbeiders en vrouwen uit de laagste sociale klasse. Ook de kennis van het aantal scholen kan helpen om de graad van geletterdheid te achterhalen. Hier speelt echter ook dat het privé-onderwijs thuis nauwelijks valt te meten.

Een andere indicatie is de leescultuur van de bevolking, de mate van beschikbaarheid van literatuur in de volkstaal. Hierbij spelen oplagecijfers een belangrijke rol.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat grote groepen van de Nederlandse samenleving in de Bourgondische periode konden lezen en wellicht ook schrijven.

De structuur van het onderwijs

Het begrip school

In de late middeleeuwen was sprake van een lesgever en een groep leerlingen die hoofdelijk onderwijs kregen. De scholen waren niet hiërarchies opgedeeld in lager en middelbaar onderwijs. Lezen, schrijven en vaak ook rekenen en muziek waren de belangrijkste vakken op de kleine scholen (5 tot 6 jaar). Op de grote scholen werd men met de voertaal Latijn voorbereid op de universiteit.

Lager onderwijs

Tot de opkomst van de steden in de 12de eeuw was het lager onderwijs een monopolie van de kerk. De voertaal was Latijn en het onderwijs diende hoofdzakelijk om geestelijken op te leiden. In adellijke families werd soms privé-les aan huis gegeven. Door de opkomst van de steden ontstond behoefte aan meer onderwijs op het gebied van handel en nijverheid, moderne talen, rekenen, boekhouding en briefschrijven. In de grotere steden werden naast de parochiescholen ook stedelijke scholen opgericht. Ook ontstonden er privé-scholen (bij- of buitenscholen). Deze moesten echter een percentage afstaan aan het scholaster. Tot aan de 15de eeuw was meestal sprake van lager beroepsonderwijs. In de 15de eeuw ontstonden de Latijnse scholen als voorbereiding op de universiteit.

Er was soms sprake van groepen van wel 100 kinderen. Doordat alle niveaus en leeftijden door elkaar zaten was het hoofdelijk onderwijs niet erg efficiënt. Tot zeven jaar mochten meisjes en jongens gemengd les krijgen, daarna gescheiden met leerkrachten van hun eigen sekse (hier werd wel regelmatig de hand mee gelicht).

De invloed van de conjunctuur (veelal in de steden) en het seizoen (op het platteland) waren sterk van invloed op de mate en het aantal jaren dat kinderen naar school gingen.

Beroepsonderwijs

Ambachten werden van oudsher aangeleerd in het ambacht of de gilden. Kinderen hadden meestal al leren lezen en schrijven maar soms kon dat ook contractueel met de gilden geregeld worden. Dit gebeurde vaak met wezen, vondelingen of arme kinderen.

Ook richten wezen- en vondelingentehuizen vanaf het eind van de 15de eeuw eigen scholen op die gericht waren op het beroepsonderwijs (bakken, brouwen, kleren maken etc.). Meisjes kregen onderwijs in naaien, breien, wassen, strijken etc.. In de praktijk leidde deze werkscholen tot een armetierig bestaan.

In de loop van de 16de eeuw werden zondagsscholen opgericht om kinderen en ook volwassenen die werkten elementair onderwijs te geven. Deze scholen hadden een sterk godsdienstig karakter.

In de grote steden ontstonden gespecialiseerde scholen voor de opleiding van handelaars en boekhouders. Voor alle opleidingen waren, als gevolg van de opkomst van de boekdrukkunst, voldoende educatieve boeken beschikbaar.

Middelbaar onderwijs

Zonen van ongeveer acht tot veertien á zestien jaar, uit rijke milieus ronden hun studie af aan de kapittel- of Latijnse scholen. Voor intelligente maar arme kinderen waren er beurzen van Vorsten, steden, burgers en de kerk beschikbaar. Het onderwijs was in het Latijn en bevatte de artes liberales of de zeven vrije kunsten. Het trivium bestond uit Grammatica, Dialectica en Rhetorica, het quadrivium uit Arithmetica, Geometria, Astronomia en Musica.

Er waren maar weinig meisjesscholen op dit niveau. In de regel kon dit alleen maar via privé-leerkrachten. Aan het eind van de 15de eeuw ontstonden ook stedelijke en privé Latijnse scholen.

Johan Cele (1374-1417) voerde als rector in Zwolle fundamentele wijzigingen in het onderwijs door. De school werd in 8 klassen ingedeeld naar kennisniveau. Per klas werd de leerstof vastgelegd. De Broeders van het Gemene Leven (Moderne Devotie) en daarna de humanistische pedagogen, hebben dit concept in de loop van de 15de en 16de eeuw verder gepropageerd.

Moderne Devotie

De beweging geloofde dat de kerk hervormd kon worden met behulp van wetenschap en literatuur. Doordat aan het eind van de middeleeuwen steeds minder mensen bereid waren scholieren onderdak te bieden begon men met de huisvesting van scholieren (veelal armen en buitenkinderen of extranei) in de grote steden te verzorgen (convicten). De tucht was streng en het dagelijks leven religieus geïnspireerd.

Aan sommige convicten werd een eigen school verbonden. Het onderwijs was over het algemeen van een hoog niveau. Kennis van de antieken werd essentieel gevonden om de mens zedelijk en religieus te verheffen. Hiermee werd een vruchtbare voedingsbodem gelegd voor de latere humanistische pedagogiek.

Humanistisch onderwijs

Het humanistisch onderwijs had als doelstelling om van ieder individu een plichtsbewust en zedelijk hoogstaand burger te maken tot nut van de maatschappij. Men betoogde dat alles wat een ontwikkeld mens moest weten terug te vinden was bij de klassieke auteurs. Hiervoor was allereerst de kennis van de klassieke talen vereist. De doelstellingen kunnen als volgt worden geresumeerd; geen massa;s leerstof, indeling in klassen, aangepaste leerboeken, speciale aandacht voor taalvaardigheid, aemulatio of wedijver en fysieke ontplooiing.

In de eerste jaren moest de moeder al aandacht besteden aan de morele opvoeding, de taalvaardigheid en de beleefdheid (civilité).

Later op de universiteit was contact met het buitenland nodig om het wereldbeeld en de politieke ideeën te verruimen en de talenkennis te vergroten.

In Italië was het humanistische onderwijs sterk aristocratisch. In de Nederlanden werden de ideeën verspreid door de Groningen Rudolf Agricola (1442/3-1485). Door het relatief dichte scholennet en de heersende mentaliteit verbreidde het humanistisch onderwijs zich snel onder alle lagen van de bevolking echter vooral onder de middelbare scholen.

Er verschenen vele humanistische leerboeken van o.a. Agricola, Erasmus (1469-1536), Juan Luis Vives (1492-1540), Jannes Murmellius (1480-1517), Adriaan Barlandus (1486-1538) en Simon Verepaeus (1522-1598).

Johan Sturm (1507-1589) bracht in navolging van Johan Cele essentiële hervormingen tot stand. Een school bestond uit drie graden: een lagere (de nona of negende klas), een middelbare (van de achtste tot de derde klas) en een hogere graad (klasse twee en een) als voorbereiding voor een universitaire studie.

In veel katholieke scholen werd in de nieuwe tijd een internaat verplicht om de kinderen af te snijden van de kwade wereld. Onder invloed van de contrareformatie legde het katholieke onderwijs meer de nadruk op de morele opvoeding dan op de intellectuele vaardigheden. Het onderwijs werd vanaf 1559 steeds vaker door de jezuïeten gegeven. De jezuïeten waren geïnspireerd door de activiteiten van de Broeders van het Gemene Leven. Er werd echter een sterke censuur toegepast op de leerboeken (o.a. van Erasmus), er was een sterke discipline en harde tuchtmaatregelen. Vrij onderzoek was niet mogelijk.

In protestantse landen werd schoolplicht in zekere mate door de religie (het verplichte bijbellezen) opgelegd.

Na de scheiding tussen de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden was onderwijs in het noorden een zaak van leken en werd kerkelijke inmenging weinig geduld. In het zuiden werd de verantwoordelijkheid aan de kerk gegeven.

Hoger onderwijs

Vanaf haar ontstaan tot in de 12de eeuw tot circa 1800 telde een universiteit vier faculteiten


In de middeleeuwen bestond de studie voornamelijk uit het uit het hoofd leren van wat autoriteiten in de oudheid en middeleeuwen hadden geschreven. Vanaf de renaissance werd men kritischer maar pas in de 17de eeuw werden de natuurwetenschappen echt vernieuwd. Pas toen werden empirie (ervaring, bevinding als bron van kennis) en experiment algemeen aanvaard.

Latijn was tot in de 19de eeuw de officiële voertaal op de Nederlandse universiteiten.

De universiteit van Leuven (opgericht in 1425) was lange tijd de enige universiteit in de Nederlanden. Velen bezochten dan ook buitenlandse universiteiten. Leuven was in de eerste helft van de 16de eeuw wel de belangrijkste universiteit van Noordwest Europa. Belangrijk was het Drietalencollege (Latijn, Grieks, Hebreeuws) dat op aanraden van Erasmus door kanunnik Jeroom van Busleyden was gesticht.

In 1575 werd de universiteit van Leiden opgericht. In de oprichtingsakte word Filips II als stichter vermeld, dit omdat formeel alleen het soeverein gezag een universiteit kon oprichten.

In de eerste helft van de 17de eeuw groeide de Leidse universiteit uit tot de belangrijkste van Europa.

Het is wel zo dat het steeds moeilijker werd voor mensen uit een laag milieu om aan de universiteit te studeren. Beurzen waren er in het begin van de 17de eeuw hoofdzakelijk nog voor hen die een universitaire priester- of predikantenopleiding wensten.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)