SCHILDERKUNST EN STEDELIJKE CULTUUR, 1425-1575

(leereenheid 12)

Stedelijk leefmilieu en religieuze beleving

Inleiding

Het centrale kenmerk van de laat-middeleeuwse Nederlandse schilderkunst is het realisme.

Dit realisme wordt meestal in verband gebracht met het toenemen van de welvaart van de stedelijke burgerij in de loop van de 15de eeuw. Voor de inhoudelijke lading van de schilderijen (een profane inkleding van een religieus onderwerp) zijn een tweetal opties:

  1. Een uitdrukking van een seculiere (wereldse) mentaliteit, die als een dominante levenshouding wordt gepostuleerd voor de gehele stedelijke samenleving (o.a. Vandenbroeck).
  2. Een getuigenis van een uitgesproken religieuze belangstelling van de koper. Het realisme heeft daarbij een symbolische dimensie waarbij allerlei dagelijkse voorwerpen als metaforen van religieuze denkbeelden dienen (o.a. Panofsky).
In deze paragraaf worden Panofskys opvattingen belicht met het disguised symbolism van een tweetal devotievoorstellingen

Devotievoorstellingen

Het Mérode-altaarstuk (ca. 1427) van de Meester van Flémalle, is een van de vroegste schilderijen in de Nederlanden die een religieuze voorstelling situeren in een realistisch, burgerlijk huisinterieur, waarvan de inrichting en het meubilair bestaan uit gevisualiseerde metaforen. Dit geldt ook voor een vermoedelijk nog iets eerder gedateerd schilderij van zijn hand Madonna met kind (zie afbeelding). Het godsbeeld is hierbij aangepast aan de leefwereld van de burger. De functie is een voorbeeld te geven voor het eigen religieuze handelen en de devotie tot Maria en haar kind te stimuleren.

Later worden de motieven getransformeerd tot huishoudelijke scènes waarbij de religieuze voorstellingen zijn gereduceerd tot metaforen en achtergrondafbeeldingen van bijv. bijbels. Ook wordt steeds vaker verwezen naar de menselijke deugden.

Landschappen

De eerste landschappen komen van de hand van Joachim Patinir (ca. 1485-1524) die in Antwerpen werkzaam was. Rust op de vlucht naar Egypte (ca. 1520) bevat religieus thematiek in een min of meer realistisch landschap. Het is daarmee verwant aan de devotievoorstellingen. De bijbelse scène is gesitueerd in een Vlaams landschap met dorp.

De Mariavoorstelling en het tempelachtig bouwsel links verwijzen duidelijk naar de vlucht uit Egypte. De kleding en de burcht op de achter-grond verwijzen naar de levenspelgrimage. Her en der in het landschap zijn christelijke metaforen te vinden. Later wordt o.a. door Jan van Amstel het landschap nog meer in een voor de 16de-eeuwse beschouwer te herkennen landschap geschilderd.

In diverse voorstellingen wordt duidelijk gemaakt dat Jezus de moeilijke levensweg gaat terwijl de boeren zich slechts bekommeren om hun aardse goed. Boeren werden vaak als negatieve personages voorgesteld.

Stillevens

Pieter Aertsen (ca. 1507-1575) heeft dit genre in de Europese schilderkunst geïntroduceerd. In het begin was sprake van een uitstalling van allerlei etenswaar met op de achtergrond een kleine onopvallende bijbelscène (aardse begeerte tegenover bijbelse verkondiging). Het thema is daarbij de kritische zelfbeschouwing van de beschouwer.

Wanneer we de verschillende genres overzien dan kunnen we concluderen dat in de loop van de 15de en 16de eeuw de nadruk steeds meer komt te liggen op het inzicht en verantwoordelijkheid bij het onderscheiden van goed en kwaad.

Het kan zijn dat men steeds meer komt tot een vermoralisering van de religie. Evenzo kan het zijn dat het publiek vraagt om meer profane voorstellingen maar waarbij nog steeds gebruikt wordt gemaakt van overtuigingsmethoden voor de morele christelijke waarden.

Wereldse waarden verbeeld

Het gaat hier om schilderijen die de seculiere normen en waarden voor de stedelijke samenleving tot uiting brachten. Vaak was sprake van een negatieve zelfdefiniëring: landlopers, bedelaars en kermisvolk, maar ook boeren. Door het afkeurenswaardige gedrag van maatschappelijk onaangepasten uit te beelden, werd een negatieve blauwdruk van de gepropageerde moraal gegeven.

Bedriegers

In De goochelaar van Jeroen Bosch (ca. 1450-1516) zien we diverse oneerlijke beroepsuitoefeningen en zonden tegen de burgermoraal (dief, goochelaar, kwakzalver, nar, man in schandpaal) . Ze zijn dom en dwaas hetgeen onderstreept wordt door de ezel, de os en de uil. De Hooiwagen-triptiek van Jeroen Bosch geeft een nog bredere catalogus van zonden en vergrijpen tegen de burgermoraal. Hierbij geldt de hebzucht als bron van aardse zaken. Hooi; is hier een metafoor voor aards goed en vergankelijkheid.

Boeren

Pieter Aertsens Boers festijn (1550) geeft een treffend voorbeeld van de omkeringsstrategie waarbij boeren als negatieve personages worden voorgesteld met een gedrag dat tegen

overgesteld is aan de gepropageerde moraal. In het schilderij nemen ook burgers zelf deel aan de uitspattingen. Boeren daarentegen komen in aanraking met burgelijke manieren, zoals de keurig gedekte tafel, waar zij niet mee weten om te gaan. De tafel is aan de onderkant afgesneden waardoor het lijkt of de beschouwer zelf aan de tafel heeft plaatsgenomen.

Het zelfbeeld van de burger

Portretten bieden aan de burger de mogelijkheid om zich te etaleren waarbij zijn rijkdom en moraliteit tot uitting komt. In de 15de eeuw stond de religieuze beleving nog centraal zoals in de Nieuwenhove Diptiek van Hans Memling (1487) waarin de latere burgermeester van Brugge, Martin van Nieuwenhove zich biddend laat afbeelden tegenover een mariascène.

In de 16de eeuw was sprake van een voortschrijdend secularisatieproces: in de zelfpresentatie van de burger verdwijnt het religieuze als centrale maatstaf voor zijn innerlijke levenshouding.

Wel blijft het uitbeelden van de burgerlijke waarden belangrijk. Handelend met verstand en inzicht; arbeidzaam leven; innerlijke distantiëring van materiele rijkdom, en maat houden bij de genieting van aardse goederen.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)