(leereenheid 16)
Algemene karakteristiek
Vanaf omstreeks 1600 bereikte de economie van de Republiek door vele oorzaken een ongeëvenaarde bloei:
De gereformeerde kerk werd geen officiële staatskerk, maar wel de kerk
van de Staat: alleen haar leden konden zitting nemen in vertegenwoordigende
lichamen of staatsambten bekleden.
De geboorte van de Republiek
Bij de Unie van Utrecht in 1579 hadden zich niet alleen Noord-Nederlandse gewesten aangesloten maar ook Brabantse en Vlaamse steden als Breda, Ieperen, Antwerpen, Brugge en Gent. Het Vlaams-Brabantse deel kwam daarna weer onder de Brussels-Spaanse macht. Als laatste stad viel in 1604 Oostende. In de daaropvolgende decennia heroverden de begaafde veldheren Maurits en Frederik Hendrik veel terrein, maar niet het hele oorspronkelijke gebied. Wel werden Maastricht en Roermond teruggewonnen. Bij de vrede van Munster in 1648 aanvaarde de Spaanse koning de Republiek ook juridisch.
De Zeven Verenigde Nederlanden bestonden uit: Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel en Groningen. De vergadering van de Unie of Staten-Generaal was samengesteld uit afgevaardigden van deze zeven gewesten. Het gewest Drente had wel een eigen bestuur, maar was niet geheel soeverein en stuurde geen afvaardiging naar de Staten-Generaal.
Staats-Brabant, Staats-Limburg en Staats-Vlaanderen werden als veroverd land beschouwd en werden Generaliteitslanden genoemd. Ze werden rechtstreeks bestuurd door de Staten-Generaal.
Het staketsel van de staat
De Unie van Utrecht diende meer dan twee eeuwen als grondwet van de Republiek. De oude privileges en vormen van stedelijke autonomie bleven echter bestaan waardoor er een gebrek aan eenheid was. Er waren dan ook vaak conflicten tussen de Unie en de gewesten.
Het uitvoerend college van de Unie was de Raad van State. De vertegenwoordiging van de staten (Staten-Generaal) was de belangrijkste uitvoerende macht. Afgevaardigden waren gebonden aan een lastbrief van hun committenten (opdrachtgevers). Alleen in karidnale kwesties (vrede, oorlog, belasting etc.) was eensgezindheid noodzakelijk.
De gewestelijke staten bestonden uit afgevaardigden van stedelijke vroedschappen en ridderschappen. Haar leden, de regenten, bestonden uit zeer gegoede burgers en edellieden.
Johan van Oldenbarnevelt, de Hollandse raadpensionaris van 1586 tot 1618, gaf feitelijk gestalte aan de Unie als een confederatie waarin Holland het leiderschap uitoefende.
De stadhouder was, als lid van het huis Oranje-Nassau, een halfmonarchale figuur met een geducht politiek-militair prestige. Als kapitein- en admiraal-generaal had hij het bevelhebberschap over leger en vloot. Ook kon hij vroedschapsleden benoemen uit een hem aangeboden kandidatenlijst.
Middels overreding en compromis moesten in deze ingewikkelde staatsstructuur oplossingen worden gevonden. Conflicten tussen prinsgezinden en staatsgezinden waren legio.
Het conflict Oldenbarnevelt-Maurits
In de jaren 90 van de 16de eeuw had prins Maurits en zijn neef Willem Lodewijk het Spaanse leger zover teruggedrongen dat er geen gevaar meer voor het voortbestaan van de Republiek was. Maurits wilde, samen met Holland en Zeeland, doorvechten. Oldenbarnevelt wilde echter vrede en sloot het Twaalfjarig Bestand (1609-1621).
Nu ontstond er een theologisch strijdpunt over het vraagstuk van de predestinatie (voorbeschikking):
Holland (onder leiding van Oldenbarnevelt), Utrecht en Overijssel stonden achter de remonstranten. De andere gewesten stonden achter de contraremonstranten.
Maurits besliste in 1618 ten gunste van de Unie en contraremonstranten met militaire macht.
Oldenbarnevelt werd onthooft en Hugo de Groot werd vastgezet op slot Loevestein.
De periode van Frederik Hendrik
Frederik Hendrik volgde in 1625 zijn halfbroer Maurits op. Hij voerde een verzoenend beleid ten opzichte van de remonstranten en creëerde door benoemingen een toegewijde achterban in de Staten-Generaal. Enkel het gewest Holland onttrok zich goeddeels aan zijn invloed.
Hij huwde zijn kinderen met buitenlandse vorstenkinderen en bouwde grote paleizen.
Het principe van erfelijkheid was reeds aanvaard doordat al bij leven een opvolger werd aangewezen. Nadat o.a. Den Bosch en Maastricht weer waren heroverd kreeg de wens naar vrede weer de overhand. Voor Amsterdam was het geen aanlokkelijk idee dat Antwerpen zou worden bevrijd. In 1648 kwam de vrede van Munster tot stand.
De crisis van 1650 rondom Willem II
Willem II volgde in 1647 zijn vader Frederik Hendrik op. Hij miste echter diens voorzichtigheid en wilde ook de oorlog voortzetten, mede om zijn Stuart-schoonfamilie in Engeland te helpen. Hierdoor kwam hij in conflict met Holland dat een deel van de troepen afdankte. De prins liet een aantal tegenstanders in slot Loevestein gevangen zetten maar het lukte hem niet om Amsterdam te bezetten. Om economische redenen gaf Amsterdam echter toe aan de eisen van Willem II. Na zijn plotselinge dood in 1650 kwam er een volledige ommekeer. Zijn zoon Willem III werd pas na zijn dood geboren. Er werd door de Grote Vergadering van 1651 (de provincies) geen nieuwe stadhouder aangesteld en ook werd de functie van kapiteit-generaal afgeschaft. De gewesten kregen zeggenschap over troepenbewegingen en officiersbenoemingen.
Het eerste stadhouderloze tijdperk
Het eerste stadhouderloze tijdperk (1650-1672) was voor de Republiek de tijd van haar grootste bloei. Door de vrede waren er immers geen handelsbelemmeringen meer en de buitenlandse mogendheden waren verlamd. Johan de Wit was een buitengewoon bekwame raadpensionaris (van 1653-1672).
Engeland kwam echter langzaam weer tot rust en ging de strijd aan met de Nederlanden hetgeen tot een drietal oorlogen leidde (1652-1654, 1665-1667 en 1672-1674). Frankrijk was bezig om weer een mogendheid van betekenis te worden.
Ook moesten met oorlogen (1643-1645 en 1655-1660) respectievelijk de Denen en de Zweden gedwongen worden de Sont open te laten voor de scheepvaart.
De hoop van de Oranjepartij was gevestigd op de jeugdige Willem III. De Engelse tak van zijn familie, De Stuarts, kwamen vanaf 1660 weer aan de macht. In 1666 werd de educatie van Willem III door De Witt zelf ter hand genomen.
Holland bepaalde in het Eeuwig Edict van 1667 dat in dit gewest het stadhouderschap afgeschaft bleef en dat deze zeker geen kapitein-generaal meer kon worden.
Door buitenlandse spanningen stegen de kansen voor Willem III echter snel.
Willem III
In 1672 viel de Franse armee de Republiek binnen en drong door tot aan de waterlinie. Onder deze omstandigheden stemde de Staten-Generaal na lang beraad in met de aanstelling van Willem III als Kapitein-generaal voor één veldtocht. Er brak in een aantal steden oproer uit tegen de regenten. Johan de Witt diende zijn ontslag in en werd op 20 augustus samen met zijn broer Cornelis in Den Haag gelyncht. Willem stelde in de stedelijke vroedschappen veel aanhangers aan en de leden van de Loevesteinse factie werden vervangen. In 1673 kreeg de Republiek steun van Duitsland en Spanje. De tegenaanval werd ingezet en de Fransen werden tot in de zuidelijke Nederlanden teruggedrongen alwaar de strijd nog jaren op een neer golfde. Willem III wilde doorvechten maar Holland dacht meer aan de kosten en de handelsschade. Derhalve werd in 1678 - tegen de zin van de stadhouder - de vrede van Nijmegen gesloten.
In 1683/84 laaide de strijd weer op en Frankrijk viel o.a. Vlaanderen binnen. Holland wilde echter geen extra troepen leveren en het conflict met de stadhouder was wederom een feit. Frankrijk stelde een 20-jarig bestand voor met behoud van het veroverd gebied. Dit werd tot woede van Willem III aanvaard.
Door problemen in Engeland trok hij echter in 1688 met een leger naar Engeland. Dit lukte wonderwel en Willem III werd met zijn vrouw, Maria Stuart, koning en koningin van Engeland. Hiermee trad Engeland tevens toe tot de anti-Franse coalitie.
Vervolgens werd Engeland steeds machtiger om in het begin van de 18de eeuw de Republiek te overvleugelen. Door de beperkte gebiedsomvang en de geringe bevolking was toch ook geen andere uitkomst te verwachten.
Vanaf 1700 zien we dan ook een economische teruggang in de Republiek. Dit was echter vooral te wijten aan het feit dat de andere landen hun achterstand inhaalden. De financiële sector bleef nog lang toonaangevend en ook bleef de republiek in het bezit van een uitgebreid netwerk van koloniën, commerciële steunpunten en fortificaties in Azië, Afrika en Amerika.
Het tweede stadhouderloze tijdperk
Bij de dood van Willem III (1702) was zijn opvolger, Johan Willem Friso uit de Friese Nassautak (Willem III was kinderloos) nog minderjarig. Het gevolg was weer een stadhouderloos tijdperk. Pogingen om het bestuur te centraliseren door de Raad van State meer macht te geven mislukte. De Republiek werd steeds moeilijker te besturen. Corruptie en onderlinge machtsverdeling werden steeds erger. Ook het aanstellen van Willem IV als stadhouder leidde niet tot de noodzakelijke hervormingen. Na de Franse inval van 1795 ontstond de Bataafse republiek. Nu begon men pas met de modernisering en centralisering van het staatsbestel.
De drie tijdvakken van Robert Fruin
De geschiedkundige Robert Fruin deelde de Nederlandse geschiedenis in 1865 in drie tijdvakken:
1ste tijdvak de periode voor de republiek met een bestuur door de landsheer waarin men
pogingen deed om te komen tot een centraal bestuur.
2de tijdvak de republiek met een gedecentraliseerd bestuur
3de tijdvak de Bataafse republiek vanaf 1795 waarin men kwam tot een centraal bestuur
Het tweede tijdvak opnieuw beschouwd
Daar waar Fruin het accent legde op de staatsinstellingen, over de politieke geschiedenis, legde Schöffer een bijna een eeuw later in 1962 meer de nadruk op de geschiedenis van de maatschappelijke structuur, op basis waarvan de staat rust, of waarvan de staat de politieke uitdrukking is. Schöffer ziet ook meer structurele overeenkomsten met de ontwikkeling in andere landen terwijl Fruin juist wijst op de verschillen.
Fruin benadrukt het gebrek aan eenheid en centrale leiding in de Republiek, Schöffer ziet eerder voordelen in de federale structuur.
Conclusie
De Republiek was in het 17de-eeuwse Europa in veel opzichten toonaangevend. Meer dan een eeuw beheerste zij de wereldhandel. De calvinistische minderheid groeide uit tot de bevoorrechte publieke kerk, hoewel de gewetensvrijheid in acht werd genomen. Ook in de Europese cultuur speelde de Republiek een belangrijke rol.
De machtsstructuur kende twee polen: Holland met zijn raadpensionaris en belangrijkste stad Amsterdam enerzijds, de stadhouder/kapitein- en admiraal-generaal anderzijds.
Het vooral maritiem-commercieel gerichte Holland wenste een sterke vloot, vrede en zeker geen landoorlogen. De meer continentaal gerichte stadhouders achtten een sterk leger noodzakelijk en ontvingen daarin steun van landprovincies en gereformeerden.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)