(leereenheid 18)
Bestuurders en regelgeving
Samenstelling van de bestuurslaag
In de gedachtewereld van de 17de-eeuwer was het de gewoonste zaak dat het bestuur toebehoorde aan de aristocraten (de rijksten en aanzienlijksten). Alle andere bevolkingsgroepen (burgers, middenstanders, loontrekkers en armen) waren daarvan uitgezonderd.
Op het platteland kwamen de aristocraten oorspronkelijk voort uit de adel, in de stad uit de burgerij. De adel had bezittingen en rechten die overgingen van vader op zoon. Doordat de adelstand niet erg groot was dreigden sommige geslachten uit te stervenen. Huwen met rijke burgerdochters bracht geen oplossing doordat men daardoor veel aanzien verloor. Derhalve werden steeds meer kandidaten over de provincie- en zelfs landsgrenzen gezocht.
Stedelijke regenten in Amsterdam hadden een handelsachtergrond terwijl de regenten in nijverheidssteden als Leiden en Haarlem voortkwamen uit plaatselijke grote ondernemers.
Het was van groot belang te huwen met een meisje van gelijke stand. Omdat te nauwe verwantschap tussen ambtbekleders was verboden werd veel over de stadsgrenzen heen gehuwd. Enkel leden van de gereformeerde kerk, de publiekskerk, konden overheidsambten bekleden.
De levensstijl van de regenten werd met de toegenomen welvaart steeds luxer. Men ging zich ook steeds meer afsluiten voor nieuwkomers (het proces van aristocratiesering).
Spanningen binnen de bestuurslaag
Voor de bezetting van de circa 2.000 bestuursfuncties in de Republiek
ontstond soms een bittere strijd. Men vormde facties (politieke partijen)
om de strijd te beslechten. Het kwam daarbij vaak tot coalitievorming. Ook
interlokaal, tussen steden, ontstonden er facties om tot belangenbehartiging
te komen. Het ging hierbij veelal niet om ideologische zaken. Verschillende
facties sloten vaak contracten van correspondentie (overeenkomsten van
goede verstandhouding) waarbij de ambten voor de volgende jaren werden verdeeld.
Omdat regenten vele overheidsfuncties te vergeven hadden ontstonden er afhankelijkheidsrelaties
tussen ambtenaren en hun regenten.
Oude en nieuwe regels
Uit de middeleeuwen en de Habsburgse tijd stamden allerlei stedelijke en gewestelijke privileges en plakkaten waarvan vele in stand werden gehouden.
De Unie van Utrecht (1579) was een defensie verbond tussen soevereine staatjes. Die soevereiniteit werd nadrukkelijk gehandhaafd. Voor alle belangrijke zaken was eenparigheid van stemmen vereist. Het kwam echter niet tot een algemeen belastingstelsel of een generaliteitsmunt.
In artikel 13 werd bepaald dat ieder gewest zelf kon bepalen welke religie mocht worden gepraktiseerd. Het gewest kon één godsdienst alleenrecht verlenen, dan wel de godsdienstvrede van 1578 toepassen die meer religies naast elkaar toeliet. In ieder geval diende de overheid aan alle onderdanen gewetensvrijheid te laten.
Het bestuur op de verschillende niveaus
Stedelijk bestuur
De steden bleven traditioneel bestuurd door schout, schepenen, burgemeesters en vroedschappen.
De schout was belast met de handhaving van de orde, sprak recht en was voorzitter van het college der schepenen dat dienst deed als stedelijke rechtbank en het beheer voerde over de stadseigendommen. De Schout werd voor meerdere jaren aangesteld, schepen slecht voor één jaar (met de mogelijkheid van herverkiezing).
Het dagelijks bestuur was in handen van burgermeesters (2 tot 4 per stad) die ook voor één jaar werden aangesteld.
Schout, schepenen en burgermeesters vormden de magistraat, ook wel de wet.
In de westelijke provincies werden zij benoemd door de gewestelijke Staten of hun vertegenwoordiger (de stadhouder) uit een lijst met namen die door het vroedschap van de stad werd opgesteld. Het vroedschap was een college van 24 á 40 aanzienlijken die voor het leven waren benoemd en dat zichzelf door coöptatie aanvulde. In Gelderland en Overijssel verrichten de steden zelf de benoeming.
Bestuursambten waren onbezoldigd maar leverde vaak wel inkomsten op (bijv. door het innen van boetes). Regenten konden worden verplicht ambten buiten de stad te aanvaarden (bijv. in het gewest of het admiraliteitscollege).
In de stad waren slechts enkele ambtenaren als bezoldigde krachten in dienst. De belangrijkste was de pensionaris, een juridische adviseur die als stadssecretaris optrad en de stad naar buiten toe vertegenwoordigde. Door de vele wisselingen in het bestuur zorgde de pensionaris
Voor continuïteit en was daarmee vaak een belangrijk figuur.
Plattelandsbestuur
Een ambacht (dorpsgebied) was het ambtsgebied van een plattelandsschout, die veel meer taken had dan zijn stedelijke collega. Hij was ook verantwoordelijk voor het lokale bestuur en het beheer van de financiën. De dorpsschout had de landsheer boven zich. Vaak de graaf of hertog en diens ambtopvolgers. Zij hadden hun rechten vaak verkocht of verpand aan edellieden of burgers of soms aan een naburige stad. Deze hadden daarmee ámbachtsheerlijkheid en werden daarmee de superieur van de schout.
De bevoegdheid van de schout verschilde nog al. In veel steden mocht hij lijfstraffen toepassen, tot de doodstraf toe, terwijl de schout in dorpen vaak alleen lichtere straffen mocht opleggen. Sommige dorpen hadden echter wel alle rechten zelf in handen (Vianen en Culemborg tot 1720) en werden daarmee vrijplaatsen voor mensen die in het gewest een straf opgelegd hadden gekregen.
Er bestonden ook regionale tussen niveaus (baljuwschap, drostambt, markizaat, grietenij) om hogere rechtspraak te doen en om als beroepsinstantie te dienen.
Gewestelijk bestuur
Na afzetting van Filips II kregen alle staten een meerhoofdige landsheer, een college. De Staten namen de bestuurlijke besluiten voor het hele gewest, deden de hoogste rechtspraak, traden op als beschermers van de kerk, beleenden grond en rechten en vertegenwoordigden het gewest naar buiten. De Staten waren samengesteld uit vertegenwoordigers van de steden en de adel. In het westen vooral de steden en in Gelderland en Overijssel meer edelen. De Staten kwamen een aantal maal per jaar bijeen om te vergaderen. Om het werk te doen werd een vaste commissie gecreëerd die als dagelijks bestuur optrad (in Zeeland en Holland de Gecommitteerde Raden, elders de Gedeputeerde Staten). De Staten hadden ook het gerechtshof onder zich dat dienst deed als beroepsinstantie voor vonnissen van lagere rechtbanken. Daarnaast deed het hof dienst als vervaardiger van wetgevende stukken of het verrichten van onderzoek in lokale of regionale conflicten.
Twee bijzondere ambten
Het gewest had twee hoge ambtenaren in dienst; de stadhouder en de raadpensionaris (ook wel syndicus of secretaris).
De stadhouder had de bevoegdheden van de landsheer. Het ambt werd meestal bekleed door een lid van het huis van Oranje of het aanverwante Friese huis van Nassau-Dietz. De stadhouder had veel zeggenschap in lokale benoemingen waardoor hij aldaar veel steun kon verwerven. Ook was hij kapitein- en admiraal-generaal van de land- en zeemacht.
De raadpensionaris was de juridisch adviseur van het gewest en was in de praktijk voorzitter van het college van de Staten. Met name de Hollandse raadpensionaris kon een machtige rol ontwikkelen.
De Staten-Generaal
Theoretisch was de Raad van State het machtigste college van de Staten. Zij was een onafhankelijk adviescollege (dus los van de gewesten) voor de staat. Feitelijk werd de Staten-Generaal het machtigste college omdat de gewesten hier hun invloed konden laten gelden. De Staten-Generaal regelden in de eerste plaats de defensie en de financiering daarvan, waarbij Holland de grootste bijdrage (58%) leverde en vaak ook nog voor de andere gewesten moest voorschieten. Ook het buitenlands beleid was in handen van de Staten-Generaal. Een sterke raadpensionaris (Oldenbarnevelt en De Witt) fungeerde als een soort minister van buitenlandse zaken. Later deed de Staten-Generaal ook de benoemingen in Generaliteitslanden (veroverde gebieden) en de handelscompagnieën. De VOC en de WIC mochten daardoor zelfstandig verdragen met inheemse vorsten sluiten en hadden het hoogste gezag over Nederlandse onderdanen in de Oost en de West.
Andere generaliteitscolleges en hoge ambtenaren
Bij de uitvoering van taken was er een samenwerking tussen de Raad van State en de Staten-Generaal. De Raad van State bereidde de defensiebegroting voor, de Staten-Generaal nam keurde deze goed (soms met aanpassingen) en de Raad van State zorgde weer voor de uitvoering (uitgaven aan manschappen en materieel).
Er werden ook gecombineerde commissies samengesteld om allerlei zaken te regelen.
Voor de oorlogsvloot werden vijf admiraliteiten ingesteld (Amsterdam, Rotterdam, Middelburg, Hoorn-Enkhuizen en Dokkum, later ook Harlingen).
De Oranjes hadden hun eigen adviescollege, de Nassause Domeinraad.
Naast de functie van raadpensionaris waren nog belangrijke functies als: griffier van de Staten-Generaal, secretaris van de Raad van State en de thesaurier-generaal. De laatste werd weer gecontroleerd door de Generaliteitsrekenkamer dat onder de Raad van State ressorteerde en een gezaghebbend orgaan werd dat heeft kunnen voorkomen dat er op grote schaal financieel misbruik plaats vond.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)