(leereenheid 19)
Een globaal overzicht
De katholieke kerk kent een sterke, van bovenaf bestuurde hiërarchie, waarbij de geestelijke stand een eigen, gewijde positie inneemt. Naast de bijbel speelt de traditie een belangrijke rol in de katholieke kerk. Ook zijn er naast de doop en het avondmaal nog andere sacramenten bij de katholieke kerk.
De gereformeerde kerk kent geen bisschoppelijke opbouw, maar een opbouw van de gemeente af opwaarts, met kerkenraden, classes en synoden. Het priesterschap van alle gelovigen en de overtuiging dat zaligheid door geloof alleen (zonder de werken van de mens) te bereiken is, zijn twee kenmerken van de gereformeerde leer.
De gereformeerde kerk als publiek lichaam
Er was in de Republiek geen sprake van een staatskerk. De organisatie van de gereformeerde kerk stond los van de wereldlijke overheid. In de Republiek was een ieder vrij in de keus van zijn of haar geloof. Protestantse dissidenten werden volledig geaccepteerd. Alleen de katholieken moesten zich behelpen met schuilkerken (die aan de buitenkant niet als kerk herkenbaar mochten zijn) en recognitiegelden (in ruil voor oogluikende toelating van erediensten).
Wel was de gereformeerde kerk een publieke kerk. Zij voerde een aantal publieke taken uit zoals het bijhouden van huwelijks- en doopregistratie, ook van niet-lidmaten (een vorm van burgerlijke stand). Ook niet in de kerk gesloten huwelijken werden er afgeroepen.
Vanaf de kansel werden zelfs openbare verkopingen en veilingen afgekondigd. Predikanten verleenden getuigschriften aan personen die het dorp verlieten, ook al behoorden zij niet tot zijn kerkelijke gemeente. Predikanten werden vaak uit algemene middelen betaald en konden soms door de overheid worden geweigerd. Ook werd de doop uitgevoerd voor alle kinderen van christelijke ouders.
Hoe calvinistisch was de Republiek
Gezien het feit dat de gereformeerde kerk als enige door de overheid werd erkend zou men kunnen zeggen dat de Republiek calvinistisch was. Bedenken we echter dat nauwelijks de helft van de bevolking behoorde tot de gereformeerde kerk, dan kan weer niet van een calvinistisch land worden gesproken. Ook de invloed van de calvinistische levensovertuiging op de cultuur is niet overheersend geweest.
Omstreeks 1650 was nog maar een kleine meerderheid calvinistisch (in 1620 slechts een kwart). Grote aantallen mensen had nog geen bewuste keus gemaakt tussen het katholicisme en het protestantisme. Het aantal belijdende lidmaten van het calvinisme was daardoor nog beperkt. De onzekerheid over de afloop van de strijd tegen Spanje speelde daarbij een belangrijke rol.
Belijdenis doen betekende onderwerping aan de leer- en levenstucht, de door de kerkeraad uitgeoefende controle over je persoonlijke opvattingen en dagelijkse levenswandel. Hierbij was sprake van een zuivere kerk (preciezen of contra-remonstranten)
De overheden waren meer geporteerd van een kerk, waarin zoveel mogelijk Nederlanders zich konden thuis voelen, zonder een strenge tuchtoefening, de volkskerk (rekkeleken of remonstranten). Ook binnen het calvinisme waren de meningen daarover verdeeld.
Alhoewel in eerste instantie voor een zuivere kerk werd gekozen was dit, mede in het kader van de publieke functie van de kerk, niet lang houdbaar en groeide de gereformeerde kerk langzaam uit tot een (beperkte) volkskerk.
De Nadere Reformatie was de belangrijkste vernieuwingsbeweging ten tijde van de Republiek. Nader moet hier worden gelezen als verdere of doorgaande. Het ideaal van deze beweging was de verbreiding van persoonlijke vroomheid, op calvinistische leest geschoeid, in alle geledingen van de maatschappij. Men deed dit door een gerichte prediking, intensieve catechese, verspreiding van stichtelijke lectuur en een strenge handhaving van de kerkelijke tucht. Ook werd er druk op de overheid gevoerd om plakkaten uit te vaardigen tegen zondagsontheiliging en ongeoorloofd openbaar gedrag.
Omdat deze doelstellingen niet haalbaar waren vond er in 1669 onder leiding van de predikant Jean de Labadie (1610-1678) een afscheiding plaats. De aanhang van de Labadisten bleef beperkt. Zij werden ook wel als fijnen aangeduid.
De katholieke herleving
Ondanks dat al snel na het begin van de Opstand katholieke erediensten werden
verboden bleef het katholicisme een grote aanhang houden (in 1650 nog 35%).
Dit had 3 oorzaken:
In 1592 werd Vosmeer benoemd tot apostolisch vicaris (bestuur rechtsstreek
onder de paus) en werd de Republiek tot zendingsgebied verklaard. De apostolisch
vicaris was de leider van de missionarissen in de Republiek. Naast de officiële
geestelijken stelden ook veel ongetrouwde vrouwen klopjes hun leven in
dienst van de katholieke kerk. Zij ontvingen en begeleiden de soms rondtrekkende
paters en pastoors en zij gaven godsdienstonderwijs. Er werd een appèl
gedaan op traditionalisme en de overtuiging dat de kracht van de Roomse
kerk gelegen was in haar 15 eeuwen oude historie en haar bezit van een eeuwige
waarheid. Behoudens in het noordoosten van het land bleef een grote aanhang
behouden voor de katholieke kerk.
Er was echter wel veel onvrede over de zendingsstatus van de Republiek. Spanningen ontstonden tussen de rondreizende jezuïeten, die geen verantwoording aan de apostolisch vicaris waren verschuldigd maar alleen aan hun eigen orde, en de seculieren (wereldgeestelijken). Deze vonden een permanente statie met een vaste priester en een schuilkerk te prefereren boven rondtrekkende geestelijken.
Ook omtrent de mate van strengheid ontstonden spanningen. Apolistisch vicaris Van Neercassel (1626-1686) was voorstander van een strenge zedelijke en kerkelijke tucht. De theoloog Cornelis Jansenius was echter voorstander van een strenge moraal en kreeg veel aanhang (Jansenisme). Omdat de leer veel leek op de genadeleer van protestantse hervormers, kwam het al snel tot een pauselijke veroordeling. In 1702 werd De Cock als tijdelijk toezichthouder aangesteld op de Nederlandse kerk. Een groep van 30 hoge geestelijke cleresie kwam hiertegen in opstand. Omdat zij gemakkelijk toegang hadden tot de Hollandse regenten werd De Cock middels een plakkaat verboden zijn ambt uit te oefenen. Tevens werd door de cleresie aangegeven dat zij zich onder hetzelfde toezicht als de gereformeerde kerk wenste te plaatsen waardoor zij werden toegelaten tot de Saten. Hiermee kwam het tot een eerste erkenning van de katholieke kerk (erediensten waren echter nog steeds verboden). In 1723 werd uiteindelijk ook een eigen aartsbisschop gekozen. Vanaf dat moment bestonden er in de Republiek twee katholieke kerken:
Religieuze pluriformiteit
De kunsten en wetenschappen die in de 1ste eeuw van de Republiek tot grote bloei kwamen droegen eerder een stempel van het christelijk humanisme dan van het Calvinisme.
De Republiek onderscheidde zich van andere landen in het toenmalige Europa door haar godsdienstige pluriformiteit, de situatie waarin de bevoorrechte kerk haar plaats in de maatschappij moest delen met die van tal van andere confessionele of sektarische groepen.
Hierdoor heeft Nederland tot op de huidige dag de faam van tolerantie verworven.
De val van de Republiek in 1795 bracht uiteindelijk de lang verwachte scheiding van kerk en staat, die alle kerkgenootschappen een gelijke rechtspositie gaf.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)