(leereenheid 24)
Terminologie
Er ontstond een steeds grotere kloof tussen de elite en het volk. De elite nam afstand van het plaatselijke of regionale dialect voor een meer als beschaafder ervaren standaardtaal. Het onderscheid in woninginrichting en kleding werd ook steeds duidelijker. Dit gold evenzo voor de boeken, liederen of dansen die men verkoos. Vermaak als kermis, werd als ruw of ongepast ervaren. Het gaat hier om een geleidelijk proces dat zich eerst in het westen (met name Amsterdam en Den Haag) voltrok. De vrouwen van de elite stonden nog lange tijd veel dichter bij de volkscultuur. Dit had te maken met hun geringere opleiding en hun positie in de maatschappij.
De Engelse historicus Simon Schama verwierp dit onderscheid tussen elite en volk. Hij sprak van een brede middenstand die van hoog tot laag een vrijwel identieke cultuur zou hebben gekend. De meeste historici zijn dat echter niet met hem eens. Het is wel zo dat ook het volk profiteerde van de welstand maar de kloof tussen elite en volk werd toch steeds groter.
Met name de Engelse historicus Peter Burke legde veel meer de nadruk op de vloeiende grenzen tussen de twee culturen. Vooral in de 1ste helft van de 17de eeuw stonden de hogere klassen nog met één been in de volkscultuur. Zij waren in feite bicultureel. Taalgebruik, kleding, huisraad, maar ook verhalen, liederen of religieuze ideeën werden na verloop van tijd overgenomen door de lagere klassen. Ook werden verhalen, liederen etc. door de elite van het volk overgenomen.
Predikanten, uitgevers of populaire liedjeszangers fungeerden vaak als culturele bemiddelaars.
A.L. Kroeber geeft de volgende cultuurdefinitie: een geheel van gestructureerde houdingen en normen én de concrete vormen waarin deze tot uitdrukking worden gebracht. Cultuur verschilt dan niet veel meer van alles wat mensen denken, en daarom doen - bewust of onbewust. Of zoals de cultuurhistoricus P.J. Bouman het gezegd heeft: cultuur is de levensstijl van een samenleving.
Van volksleven naar volkscultuur
Alhoewel velen konden lezen en schrijven zijn er nauwelijks directe bronnen vanuit het volk. Een verhelderend beeld geven wel andere bronnen zoals bijvoorbeeld die van processen rond kwaadaardige toverij. Maar de bekentenissen werden veelal op de pijnbank afgedwongen.
In de huidige bestudering van de vroegere volkscultuur wordt het zoeken naar een volksaard, zoals dat in de 19de eeuw gebeurde, niet meer serieus genomen. Het onderzoek beperkt zich nadrukkelijk tot de lagere klassen. Voor de Republiek vormt het werk van Van Deursen een goed voorbeeld. Naast de meer folkloristische themas die al in de 19de eeuw werden onderzocht, gaat het nu ook om dagelijkse themas als de onderlinge omgangsvormen, de wijze waarop mensen zich kleedden, de manieren waarop zij aten, dronken en sliepen en de wijze waarop zij hun ziektes of de dood ervoeren.
Onze kennis over hun bestaan is echter nog zeer gering.
Economische verschillen
Opvallend was dat de lagere klassen in de Republiek een betrekkelijke welvaart hebben gekend. Pas aan het eind van de 18de eeuw deed zich een algehele verslechtering voor.
Wel waren er regionale verschillen in de welvaart. De agrarische depressie tussen 1650 en 1750 zorgde in Drente en delen van Brabant voor veel armoede. In Leiden kwam na 1650 de textielnijverheid in de problemen hetgeen een massale werkeloosheid tot gevolg had. Dit gebeurde ook met de visserij en scheepvaart in het Noorderkwartier (ten noorden van Haarlem en Amsterdam).
Over de behuizing van de laagste klassen is weinig bekend. Wel is duidelijk dat in de steden in het westen de mensen grotendeels in allerlei steegjes en slopjes woonden met hele gezinnen in één kamer met een strooien matras op de vloer. De geschoolde ambachtslieden en winkeliers beschikten dikwijls over een voorhuis met winkel of werkplaats met daarachter een achterhuis als woning waarin ook al bedsteden aanwezig waren.
Op het platteland in het westen waren de woningen ruimer bemeten. In de overige delen van de republiek bleven de woningen op het platteland zeer bescheiden.
De werkdagen begonnen om 05.00 uur tot 19.00 uur en s zomers vaak tot 21.00 uur en later.
De kwaliteit van het voedsel was afhankelijk van de regio en het inkomen. Het brood was meestal roggebrood, de drank meestal bier omdat water niet veilig was.
Migratie en verstedelijking
De inkomensverschillen tussen de kustprovincies en de andere gewesten droegen in aanzienlijke mate bij aan de verstedelijking in het westen van de Republiek. Rond 1675 woonde 42% van de mensen in Holland in een stad. Amsterdam groeide van 33.000 inwoners in 1590 tot 200.000 in 1670. De religieuze pluriformiteit trok ook vele immigranten aan. De Hollandse steden waren dan ook een smeltkroes van diverse culturen. Er waren dan ook onvermijdelijk regelmatig spanningen tussen de diverse culturen. Dit leidde echter zelden tot geweldpleging tegen immigranten. De meeste nieuwkomers hadden zich binnen één of twee generaties al aangepast aan.
Stedelijke volkscultuur en alfabetisme
De leesvaardigheid in de Republiek is in de 17de en 18de eeuw aanzienlijk toegenomen, zeker in vergelijking met de rest van Europa. Op school leerde men eerst lezen en daarna pas schrijven. Het kunnen lezen van de bijbel was immers van grootste belang.
Rond 1630 kon 57% van de mannen en 32% van de vrouwen hun handtekening zetten. In 1730 was dit toegenomen tot 76% van de mannen en 51% van de vrouwen. Een deel van hen was echter niet in staat om veel meer te schrijven dan enkel hun handtekening. Maar toch zijn deze cijfers indrukwekkend.
Wel was er sprake van regionale verschillen. Boeren bezaten gemiddeld minder boeken dan stadsbewoners.
Mondelinge en schriftelijke cultuur
Ondanks de relatief hoge graad van alfabetisme had een groot deel van de bevolking geen toegang tot de geschreven cultuur. Onder de lagere klassen werden echter veel verhalen verteld. Ook waren veel geschriften voorzien van prenten die ook zonder tekst al duidelijk hun bedoeling lieten zien. Veel boeken werden voorgelezen. Hetzelfde gebeurde met door de overheid uitgevaardigde plakkaten en verordeningen. Hierdoor had het geschreven woord veel meer invloed op de volkscultuur dan in de 15de en 16de eeuw.
Het toneel had een enorme invloed op de wisselwerking tussen de elite- en de volkscultuur.
Niet voor niets bemoeiden predikanten zich regelmatig met de inhoud van de stukken.
Omgekeerd was de preek een geducht instrument. Het catechismusonderwijs was ook gericht op een cultuur waarin het schrift nog maar een bescheiden rol speelde. De teksten werden steeds weer hardop door de predikant herhaald om zodoende de kennis erin te stampen.
Men maakte veel gebruik van allerlei geheugensteuntjes om vakkennis over te dragen en te onthouden. Als je immers niet kon lezen dan was je wel gedwongen om veel zaken in je geheugen op te slaan.
Veel liedjes en verhalen werden doorgegeven door rondtrekkende liedjeszangers, terwijl ook de marskramers met liedbladen langs de huizen gingen.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)