GESCHIEDENIS EN BEELDVORMING VAN HET KOLONIALE SYSTEEM

(leereenheid 27)

 

Indonesische nationalisten over het koloniale verleden van hun land

In het begin van de 20ste eeuw groeide het zelfbewustzijn van de Indonesiërs op politiek, maatschappelijk en cultureel terrein. Er ontstond een nationalistische beweging met een nieuwe kijk op de Indonesische geschiedenis die tot dan toe vooral vanuit het Nederlandse koloniale beeld werd geschreven.

In zijn bekende pleitrede Indonesië klaagt aan! Uit 1930 onderscheid Soekarno drie perioden (trimurti of driedeling) in de Indonesische geschiedenis:

  1. groots verleden (Hindoetijd van de oude rijken Srivijaya en Majapahit in de 11de en 14de eeuw die zich als eenheidsrijk over meerdere eilanden uitstrekte)
  2. donker verleden (koloniale overheersing)
  3. lichtende toekomst (deze zou aanbreken zodra er een zelfstandig Indonesië was gevestigd)

De nationalist en politicus Muhammad Yamin presenteerde in 1957 in zijn pancawarsa een indeling in 5 perioden:

  1. Prehistorie, van het ontstaan der aarde tot het begin der christelijke jaartelling;
  2. Protohistorie, van het begin der jaartelling tot ca. 500;
  3. Nationale tijd, van 500 tot 1525;
  4. Internationale tijd, van 1525 tot 1900
  5. Tijd van de Proclamatie (van de Indonesische onafhankelijkheid), van 1900 tot heden.

In de nationale geschiedschrijving zijn de levens van de helden (pahlawan) uitvoerig te boek gesteld. Vanaf de jaren 50 speelde de Indonesische overheid hierbij een belangrijke rol. Per presidentieel decreet werd de status van nationale held toegekend.

Zolang er nog geen zelfstandig bronnenonderzoek had plaatsgevonden moesten de Indonesische auteurs het doen met westerse studies, die dan ook veelvuldig werden herschreven waarbij de goede en slechte partij van plaats verwisselden.

Liberalen en ethici

In de 19de en 20ste eeuw werd vanuit het liberalisme of de ethische richting kritisch gekeken naar koloniale instellingen als de VOC en het cultuurstelsel. Met name J.K.J. de Jonge en J.J Meinsma oordeelden met afkeuring over alles wat in strijd was met het principe van vrijhandel. Ook de Leidse hoogleraar H.T. Colenbrander oordeelde met zijn Koloniale geschiedenis (1925-1926) overwegend negatief over het in de 19de eeuw gevoerde beleid. Wel wilden de ethici dat Nederland met het oog op zijn zedelijke roeping voorlopig daar moest blijven.

Vanuit conservatieve hoek werd tegen dit negatieve oordeel ten strijde getrokken. Zo schreef C. Gerretson in 1944 in Coens eerherstel dat het bloedbad op Banda werd veroorzaakt door de kwade trouw van de Bandanezen en niet door Coens bloeddorst.

Van koloniale naar Indonesische geschiedenis

In de westerse geschiedschrijving stonden niet de lotgevallen van het Indonesische volk centraal, maar de daden van de koloniserende mogendheid. Er waren wel uitzonderingen. Mw. W. Fruin-Mees schreef in 1919-1920 een tweedelige geschiedenis van Java.

H.J. de Graaf gebruikte als eerste ook inheemse bronnen (babad) voor de reconstructie van het Javaanse verleden. J.C. van Leur wees op het feit dat pas tegen het eind van de 17de eeuw het westerse element een overheersende rol ging spelen. Sommige nationalistische auteurs waren hier minder gelukkig mee. Wat bleef er immers over van de uitspraak van Soekarno van meer dan 300 jaar koloniale overheersing.

Nieuwe methoden van geschiedonderzoek

Vanaf de jaren 60 wint een meer wetenschappelijke i.p.v. nationalistische benadering van het verleden terrein. Men is steeds meer gebruik gaan maken van inheems bronnenmateriaal om een geschiedenis, los van koloniale smetten te schrijven.

De praktijk van het kolonialisme in het begin van de 17de eeuw

Aan het einde van de 16de eeuw wilden Nederlanders gaan deelnemen aan de lucratieve handel in oosterse waren (vooral specerijen) die tot dan toe door Portugezen en Spanjaarden was gedreven. Het streven naar een monopolie was de kern van de politiek die de VOC in Indië voerde. Religieuze motieven speelden, in vergelijking met de Portugezen, veel minder een rol. Terwijl de Portugezen slechts een monopolie hadden over een beperkt aantal producten wilden de Nederlanders ook de inter-Aziatische handel beheersen.

Ondanks enige interne oppositie (o.a. van Laurens Reael, gouverneur-generaal vóór Coen van 1616-1617, die zowel vanuit de concurrentiepositie als vanuit humanitaire overwegingen bezwaren maakte) kreeg de gouverneur-generaal Jan Pietersz. Coen de opdracht om de monopoliepositie sluitend te maken. Men gaf de voorkeur aan het afsluiten van contracten met de inheemse vorsten waarbij werd bepaald dat zij hun producten enkel aan de VOC mochten leveren. Omdat dit veelal met militaire dreiging gepaard ging werden er versterkte handelsposten ingericht. Met uitzondering van de Molukken en de Banda-archipel, had men geen belangstelling voor de verovering van de binnenlanden.

Toen de Bandanezen contractbreuk pleegden en specerijen aan de Engelsen gingen leveren voerde Coen in 1621 een strafexpeditie uit waarbij de bevolking werd gedecimeerd.

Nederlandse historici hebben verhitte discussies gevoerd over de conqueste van 1621. Volgens C. Gerretson had Coen slechts één keus, óf Indië verlaten en aan andere Europeesche naties over te laten, wat den ondergang der Compagnie ten gevolge zou hebben gehad, óf haar verworven rechten onverbiddelijk te handhaven en te zorgen, dat haar gezag en dat van de Republiek werden ontzien.

Ook als men de maatstaven van de 17de eeuw zou hanteren, is het echter nog maar de vraag of het oordeel gunstiger uitvalt: het optreden van Coen heeft immers ook destijds al veel afkeuring uitgelokt.

 


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)