(leereenheid 31)
De hervormingen van Daendels en Raffles
In 1795 kwam Nederland onder Franse invloed te staan, waarmee het tevens een vijand van Engeland werd. Engeland veroverde in 1796 al Ceylon en de Molukse eilanden Ambon en Banda op Nederland. Men was ook bang voor een aanval op Java. Tot 1808 veranderde er op Java echter niets. In 1808 arriveerde ex-patriot en hervormer Herman Willem Daendels op Java. De Javaanse bevolking werd gedwongen om grote fortificaties aan te leggen om het eiland tegen de Engelsen te verdedigen. Hij gaf ook de aanzet tot een gecentraliseerd, modern-bureaucratisch bestuur. Hij stelde een Algemene Secretarie en een Generale Rekenkamer in. Het regionale bestuur op Java ( verdeeld in 9 prefecturen) werd rechtstreeks onder het gezag van de gouverneur-generaal gesteld en de ambtenaarsalarissen werden verhoogd waarbij neveninkomsten streng verboden werden.
Inheemse gezagsdragers kregen minder vrijheden en werden verantwoordelijk gehouden voor de leverantie van landbouwproducten.
In 1811 kwam de Britse invasie en kwam Java tot 1816 onder Brits bestuur onder leiding van T.S. Raffles. Hij voerde de landrentebelasting in waarbij de Javaanse boeren 2/5 deel van hun oogst verschuldigd waren en de belasting per dorp werd geïnd. Hiermee werd de positie van de regenten verder aangetast.
Het bewind van Van der Capellen
In 1816 werd het Nederlandse gezag hersteld. Van der Capellen werd tot 1826 gouverneur-generaal. Hij wilde de boerenbevolking beschermen tegen de willekeur van regenten en Europeanen. Het kwam in 1823 zelfs tot een algeheel verbod op de landverhuur in de Vorstenlanden. Dit had een ernstige nasleep en kan als een van de belangrijkste oorzaken van de Java-oorlog (1825 -1830) worden beschouwd.
Het financiële beleid van Van der Capellen was een debacle. Het bestuur was te uitgebreid en de militaire acties op de diverse eilanden kostten teveel geld.
Tijdens de Java-oorlog kon slechts met de grootste moeite Java voor Nederland worden behouden.
In 1826 kwam L.P.J. du Bus de Gisignies. Hij voerde een harde bezuinigingspolitiek met inkrimping van het bestuur. Ook konden Europeanen weer land huren in de vorstenlanden.
Door de enorme oorlogsuitgaven konden de financiën echter niet op orde komen hetgeen voor de regering in Nederland een onhoudbare zaak was.
Van den Bosch en het cultuurstelsel
In 1830 werd Johannes van den Bosch de nieuwe gouverneur-generaal. Hij voerde het cultuurstelsel in. Het cultuurstelsel was een staatsmonopoliestelsel met slechts een beperkt particulier initiatief. De Javaanse bevolking moest als vorm van belasting cultuurdiensten verrichten op Nederlandse plantages. Hiervoor kreeg de dorpsbevolking een zogenaamd plantloon. De verzamelde producten werden vervolgens via de Nederlandse Handel-Maatschappij in Nederland namens de staat geveild. De landrentebelasting bleef gehandhaafd maar de boeren hadden nu, door het plantloon, voldoende geld om deze te betalen.
Financieel was het cultuurstelsel een groot succes. Omdat onder dit stelsel de regentenstand weer in ere werd hersteld was sprake van een stabiele situatie.
Het cultuurstelsel in de praktijk
Het stelsel was geen geordend geheel van uniforme en consistente regelingen, maar meer een losse verzameling van lokale regels. Per product was er een andere organisatievorm.
De Nederlandse residenten zagen erop toe dat een bepaald deel van de grond (maximaal 1/5 deel van de cultuurgrond) werd afgezonderd voor de aanplant van marktgewassen.
Rondom een suikerfabriek was dit echter veel meer. De directe verantwoordelijkheid ten behoeve van het werk was opgedragen aan de Javaanse regenten, die dit vervolgens doorschoven naar de dorpshoofden. De Nederlandse ambtenaren en de Javaanse regenten kregen zogenaamde cultuurprocenten uitbetaald. Dit kon voor de betrokkenen veel geld opleveren.
Het gouvernement stelde particuliere ondernemers aan voor de exploitatie van suikerfabrieken. Deze waren buitengewoon lucratief zodat er veel concurrentie was om zon contract binnen te halen.
Discussie over de gevolgen van het cultuurstelsel
In de 2de helft van de 19de eeuw werd het cultuurstelsel door liberale historici en politici zeer negatief afgeschilderd. In 1963 verschijnt van de Amerikaan Clifford Geertz. het boek Agricultural involution. Dit boek leidt tot nieuwe discussies over het cultuurstelsel. Geertz zou teveel zoeken naar één of enkele verklaringen zonder daarbij rekening te houden met regionale verschillen en zijn observaties zouden niet gebaseerd zijn op historisch bewijsmateriaal.
M.C. Ricklefs schrijft in zijn handboek over dwang, corruptie en machtsmisbruik ten opzichte van de Javaanse bevolking. Fasseur erkent dat in zijn Nieuwe Algemene Geschiedenis der Nederlanden maar merkt wel op dat het welvaartspeil van de Javanen is toegenomen en er een betere infrastructuur tot stand is gekomen.
De Australische historicus R.E. Elson beoordeelt het cultuurstelsel positief.
Gezien de grote bevolkingstoename in deze periode en de toename van het inkomen per individu is zeker sprake van grote welvaartstoename.
Ook de monetarisering van Java is in deze periode sterk toegenomen. Er werd immers meer plantloon uitbetaald dan dat er aan landrente werd geïnd.
Wel ontstaat er een steeds grotere kloof tussen de kleine boer en de aan de koloniale staat gelieerde elite. Ook de regent is steeds meer verlengstuk van de koloniale staat en steeds minder traditioneel hoofd.
Onder invloed van de liberalen werd in 1870 de Agrarische Wet en de Suikerwet aangenomen. Hiermee kwam het cultuurstelsel ten einde.
De aard van het koloniale bestuur
Voor 1870 was de bestuursstructuur van Nederlands-Indië nog in een stadium van opbouw.
De ambtenaar had een groot gewicht omdat de bestuurstaak nog niet vast omschreven was. Voor 1800 was de resident vooral een diplomaat, na 1800 ontwikkeld zich meer een koloniale staat in opbouw met een territoriaal karakter. De resident wordt meer ambtenaar dan diplomaat.
Aanstelling van nieuwe ambtenaren geschiedt in het begin van de eeuw nog door de Koning of door de gouverneur-generaal. Hierbij spelen persoonlijke voorkeuren een doorslaggevende rol. Pas in 1825 werd het zogenaamde radicaal van Indisch ambtenaar ingesteld, dat wil zeggen er werden algemene eisen gesteld voor de benoembaarheid in de Indische dienst. Hierbij gold een driedeling in rangen afhankelijk van genoten opleiding en/of maatschappelijke ervaring.
In 1842 werd in Delft een reguliere opleiding voor Indisch ambtenaar begonnen, waarvan de geslaagden verzekerd waren van een aanstelling. In 1864 werd het grootambtenaarsexamen ingesteld waaraan iedereen kon meedoen. In 1902 ontstond in Leiden een wetenschappelijke Indologenopleiding.
Ondanks de geleidelijke professionalisering bleef nepotisme (onrechtmatige begunstiging van vrienden en familie) een grote rol spelen. Regelrechte corruptie en misbruik van macht werden echter hard bestraft. In 1820 werd de resident van Surakarta ontslagen omdat hij geld had gekregen voor de aanstelling van bepaalde Javanen aan het Javaanse hof.
Onder Van den Bosch werden het Javaanse regentschap in ere hersteld en in 1854 werd het regentschap zelfs formeel erfelijk verklaard.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)