HET ZEEGAT UIT: ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN VAN HET LAGERE PERSONEEL IN DE ZEEVAART

(leereenheid 34)

Rekrutering en gages van matrozen

Rekrutering

De bemanningen van Nederlandse schepen bestonden niet uitsluitend uit inwoners van de traditionele zeevarende gemeenschappen uit de Republiek, ook buitenlanders voeren mee. Veelal kwamen zij uit Duitsland, de Baltische landen en Scandinavië. De VOC putte uit een ander arsenaal, namelijk uit de vlottende bevolking van de steden. Uit andere delen van de Republiek en uit Duitsland trokken werklozen en paupers naar de grote havensteden op zoek naar werk. Ook weesjongens of mannen uit armen- en tuchthuizen werden gerekruteerd. Vaak werd geronseld door logementhouders ook wel volkhouders of zielsverkopers genoemd. Zij boden onderdak of logies, verschaften een eenvoudige uitrusting en vroegen als vergoeding de 2 maanden gage die de matroos als voorschot ontving bij zijn aanmonstering. Daarnaast moesten zij een schuldbekentenis (transportbrief of transportceel) tekenen voor 150. Aangezien een matroos circa 10 tot 12 gulden per maand verdiende had hij zon anderhalf jaar nodig om zijn schuld af te betalen. De VOC betaalde echter alleen uit als de matroos nog leefde. De volkhouder verkocht de transportceel vaak voor een veel lager bedrag aan een transportkoper die fungeerde als een kleine bankier.

De verdiensten

Op een schip ging vaak ruim 300 man mee, veel meer dan nodig was om het schip te laten zeilen. Naast matrozen gingen soldaten, ambtenaren en ambachtslieden mee voor de VOC vestigingen in Azië.

De gages bleven 200 jaar lang vrijwel onveranderd, van 5 gulden per maand voor jongens tot 72 gulden voor de schipper. In vergelijking met de koopvaardij in Europese wateren en de marine waren de lonen een stuk lager. Voor zeevarenden uit de traditionele zeevarende gemeenschappen van de Republiek was het varen voor de VOC dan ook uit den boze.

Het overgrote deel van de matrozen en soldaten zette de stap om aan armoede en werkloosheid te ontkomen. Voor sommigen speelde de hoop om door (smokkel)handel in korte tijd rijk te worden.

Zeemansliedjes over de oost

In de beeldvorming over Oost-Indië hebben liedjes een belangrijke rol gespeeld. Vooral voor de lagere geledingen van de samenleving die geen reisjournalen en reisbeschrijvingen konden kopen, noch konden lezen. Liedjes hoorde je in gezelschappen, op kermissen en feesten, en dank zij de melodie en het rijm kon je ze gemakkelijk onthouden.

Leefomstandigheden aan boord van VOC-schepen

Sterftecijfers

Van de ongeveer 900.000 mensen die in de 17de en 18de eeuw naar de Oost vertrokken keerde slechts een derde terug. Een deel bleef in de Oost maar een groot deel stierf onderweg.

Oorzaken van sterfte aan boord

Ondanks dat de compagnie veel aandacht aan de hygiëne op de schepen besteedde was de ruimte aan boord zo beperkt dat het een broedplaats was voor ziekten. Typhus, dysenterie, verkoudheid en griep konden gemakkelijk aan elkaar worden overgedragen.

Gebrek aan vitamine B en C veroorzaakte beriberi en scheurbuik. Het eten was eenzijdig, bevatte voldoende caloriën maar te weinig vetten en vitaminen. Bederf van voedsel en/of drinkwater kwam ook regelmatig voor. De eerste tijd aan boord kon men nog wel bier drinken maar dat was slechts beperkt houdbaar. Scheurbuik begon op te treden als men langer dan 3 maanden op zee was. Reizen die tegenslag hadden en veel langer duurden kenden daardoor veel sterfgevallen.

Ook gevechtshandelingen waren een belangrijke doodsoorzaak. Tijdens oorlogen gaan de sterftecijfers op de schepen dan ook drastisch omhoog.

De VOC en de arbeidsmarkt in de Republiek

De betekenis van de VOC voor de werkgelegenheid van zeevarende en soldaten

Het aantal zeelieden en soldaten bij de VOC neemt sterk toe. In 1610 heeft de Compagnie nog maar 2000 zeelieden in dienst, in 1770 11.500. Ook bij de soldaten is de stijging groot. Het relatieve gewicht van de Compagnie op de arbeidsmarkt stijgt sterk. In 1770 is een kwart van de zeevarende op Nederlandse schepen bij de VOC werkzaam, in 1630 was dat nog maar ongeveer 8 á 9 procent. In 1770 is ongeveer een derde van de soldaten in dienst bij de VOC.

De werkgelegenheid in de Europese koopvaardij is in de 17de en 18de eeuw vrijwel stabiel gebleven (ongeveer 22.000 man). Deze is daarmee wel veel groter dan bij de VOC.

Om aan de sterk stijgende vraag aan arbeidskrachten te voldoen moest de Compagnie in toenemende mate een beroep doen op zeelieden en soldaten uit het buitenland.

De herkomst van het VOC-personeel

In de grotendeels bewaard gebleven scheepssoldijboeken werd van elke opvarende de plaats van herkomst genoteerd.

Het aantal buitenlandse zeevarenden bevindt zich tussen de 25% en 50%. Voor militairen ligt dit tussen de 40% en 80%. Tot 1660 stijgt het aandeel buitenlanders. Tussen 1680 en 1720 vindt er een daling plaats maar daarna is weer sprake van een sterke stijging.

De buitenlanders kwamen veelal uit Duitsland; zeelieden uit de kuststreken en soldaten uit het binnenland. Naarmate de 18de eeuw vorderde werd het steeds moeilijker om bevaren zeelieden te vinden, ook in het buitenland. Hierdoor nam de kwaliteit van de scheepsbemanningen af.

Het perspectief voor de Compagniesdienaar

Omdat slechts een derde van de vertrekkers met de VOC ook daadwerkelijk terugkeerde wordt de Compagnie er wel een van beticht mede de achteruitgang van de bevolking van de Republiek in de 18de eeuw te hebben bewerkstelligd. Hierbij is echter wel een nuancering nodig. Buitenlanders hadden een veel kleinere kans dan Nederlanders om de tocht te overleven. Voor velen van hen (met name de niet ervaren zeelieden en de soldaten) was Azië het eindstation. Voor Nederlandse zeelieden was het vooruitzicht van terugkeer naar het vaderland gunstiger, voor de officieren zelfs heel wat gunstiger.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)