BATAVIA, EEN KOLONIALE STAD

(leereenheid 37)

De vorm van de stad

Batavia werd gebouwd op de plaats van een bestaande Javaanse stad, Jacatra. Jacatra was een kleine handelsstad in het westen van Java, aan de monding van de rivier Ciliwung. De VOC kreeg in 1610 toestemming voor een handelskantoor. In 1618 werd de handelspost versterkt hetgeen een conflict met de plaatselijke vorst, de Bantammers en de Engelsen opleverde. De hierdoor ontstane belegering werd op 30 mei 1619 door Jan Pieterszoon Coen, die met versterkingen uit de Molukken arriveerde, gebroken. Hierdoor werd de VOC, zonder dat zij dat wilde, heerser van het grondgebied van Jacatra. Aan de oostzijde van de Ciliwung werd een vierkant kasteel gebouwd met op de hoeken grote uitspringende bastions.

Ten zuiden van het kasteel werd een kleine ommuurde stad gebouwd. Na de belegering in 1628/9 werd de Ciliwung gekanaliseerd en ontstond een stad volgens de toentertijd geldende denkbeelden in de Republiek die vooral verspreid werden door Simon Stevin (1548-1620). Ook werd een typisch Hollands grachtenstelsel aangelegd.

De stad groeide gestaag. Vanaf 1667 werden bamboe huizen binnen de stad verboden. Ook werd omstreeks die tijd het houden van vee in de stad verboden.

Het gebied buiten de stad bleef nog lang onveilig. Pas toen in 1684 vrede werd gesloten met Bantam kwam de ontginning van de Ommelanden goed op gang. Omdat de stad steeds meer mensen aantrok ontstonden er diverse voorsteden buiten de stadsmuren. Langzamerhand werd de grond rond Batavia in cultuur gebracht. Naast vele buitenhuizen kwam ook de landbouw op gang. Met name de Chinezen maakten een aanvang met de verbouw van suikerriet waarvan suiker en arak (een soort brandewijn) werden gemaakt.

Door de grote houtkap (onder andere voor de raffinage van suiker) ontstond veel erosie en slibde de grachten in de binnenstad snel dicht.

Ondanks baggerwerkzaamheden werden de stadsgrachten stinkende modderpoelen en een broedplaats voor de malariamug. In de 18de eeuw werd Batavia steeds vaker getroffen door epidemieën. Uiteindelijk zou de oude stad rond 1810 definitief worden ontmanteld.

Bevolking

Batavia was gesticht om te fungeren als stapelmarkt en administratief centrum. Een vestigingskolonie was niet het doel van de VOC. Coen wilde echter een stad vormen met trouwe en nijvere inwoners die zorgden voor de productie en aanvoer van levensmiddelen en die bij de verdediging konden worden ingezet. De migratie van Nederlandse gezinnen wilde echter niet lukken. Er ontstond een gemengde samenleving. Nederlandse mannen kregen kinderen van Aziatische vrouwen. Hun kinderen werden mestiezen genoemd.

Omdat de VOC alle handel zelf in handen wilde hebben werden vrijburgers zoveel mogelijk geweerd. Batavia was derhalve onaantrekkelijk voor personen die buiten de VOC-dienst rijk wilden worden.

Het merendeel van de bewoners was van Aziatische afkomst. Ook werden uit India en Arakan (Birma) vele duizenden slaven aangevoerd. Later kwamen de slaven ook uit Bali en Celebes. Om opstanden te voorkomen mochten geen Javanen als slaven worden aangesteld.

Door Chinezen naar Batavia te lokken (soms ook met dwang) ontstond er een grote Chinese bevolkingsgroep die bestond uit zowel kooplieden als arbeiders. Deze groep was zeer bepalend voor de ontwikkeling van de stad.

Ook ontstond een grote groep mardijkers (Portugees sprekende Aziatische christenen die door de Portugezen als slaven gebruikt waren). Zij waren door de VOC krijgsgevangen gemaakt in de vele botsingen met de Portugezen.

Daarnaast treffen we in Batavia mensen uit alle delen van de archipel aan, alsmede handelsgemeenschappen van Indiase moslims en Hindoes (Moren en Gentieven) en Maleiers.

Aanvankelijk leven alle bevolkingsgroepen door elkaar heen. Als snel ontstonden echter buurten met bevolkingsgroepen van dezelfde afkomst.

Uit angst voor een opstand werden de stadsmuren zo gebouwd dat de bolwerken ook de straten in de stad konden bestrijken. Enkel de Chinezen en mardijkers werden door de VOC vertrouwd. In 1656 moesten alle Javanen, als gevolg van vijandelijkheden met Bantam, zich buiten de muren vestigen.

In 1688 werd de volledige segregatie van de Indonesische bevolking een feit. Iedere groep moest zich in de Ommelanden in kampongs, vestigen onder eigen hoofdmannen. Alle inwoners kregen een loodje of tjap, een loden identiteitsplaatje dat gemerkt was met het teken van de betreffende bevolkingsgroep. Later werd het loodje vervangen door een perkament. Er mocht ook niet zonder toestemming buiten de eigen bevolkingsgroep worden getrouwd.

Ondanks dat de Chinezen het meest vertrouwd werden zorgden juist zij voor de meeste moeilijkheden. Chinese bendes maakten de Ommelanden onveilig en in 1740 deden zij een aanval op de stad. Toen de Nederlanders bij enkele Chinezen in de stad wapens vonden leidde dit tot een slachting onder de Chinezen. Later kregen de Chinezen een eigen kampong ten zuiden van de stad en mochten zij ook weer in de stad wonen.

Stadshuizen en landhuizen

Batavia leek in vele opzichten op een Hollandse stad. Wel waren de huizen enigszins aan de tropische omstandigheden aangepast. Zo waren er overhangende dakranden ter bescherming tegen de zon en werden er veel bijgebouwen gebouwd om de slaven te huisvesten.

De rijken lieten grote buitenverblijven bouwen. Eerst in Hollandse stijl maar later meer in een Indische of Javaanse stijl. Geen verdiepingsvloeren en diepe galerijen overwelfd door een reusachtig puntvormig dak. Hierdoor was de ventilatie optimaal.

Vrouwen van Batavia

Er waren weinig Hollandse vrouwen in Batavia. Mannen hadden vaak omgang met Aziatische vrouwen zonder met hen te trouwen want dan konden zij niet meer terug naar de Republiek. Hierdoor ontstond een mengcultuur in Batavia (Mestizocultuur).

Zonen mochten vaak in Europa gaan studeren. Dochters moesten in de Oost blijven, zij trouwden vaak al op zeer jonge leeftijd met VOC-dienaren. Omdat de vrouwen altijd in Batavia bleven waren zij de spil in het sociale netwerk. Zij waren gewend om om te gaan met slaven en slavinnen en spraken ook hun taal, veelal Portugees en Maleis.

Pracht en praal

Er was sprake van een hoge mate van pronkzucht van de Bataviase high society. Op aandringen van de Heren Zeventien kwamen, in navolging op de Republiek, ook in Batavia weeldewetten tot stand die het weeldevertoon in de perken moest houden. Dit zou immers ten koste van de VOC gaan. De leiding in Batavia trok zich echter niet al te veel van deze wetten aan. In 1754 werd deze zaak door gouverneur-generaal Jacob Mossel strenger aangepakt. Van elke rang werd vastgelegd wat het uiterlijk vertoon mocht zijn (grootte van het rijtuig, aantal paarden ervoor, de juwelen, borduursels van de kleding etc.). Onder invloed van de gelijkheidsidealen werden zij in 1795 weer afgeschaft.

Slaven

Nederlandse en Mestizo vrouwen hadden de gewoonte zich op straat te laten volgen door een groot aantal mooi uitgedoste slaven. Ook hierin werden door Mossel drastische beperkingen aangebracht.

In de 18de eeuw was meer dan 60% van de bevolking slaaf. Zij werden meestal alleen voor huishoudelijke taken gebruikt. De arbeids- en leefomstandigheden waren over het algemeen redelijk. Er waren wetten die hen beschermden tegen een al te wreed optreden van hun meesters. Christelijke slaven kregen na de dood van hun meester de vrijheid. Sommige slaven mochten ook met een eigen ambacht of winkel geld verdienen om zich vrij te kopen.

Ondanks de relatief redelijke omstandigheden vluchtten regelmatig slaven naar de Ommelanden waar ze met grote bendes de omgeving onveilig maakten.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)