FILOSIFIE EN DE AARD VAN CULTUURWETENSCHAPPEN

(leereenheid 39)

Wat is filosofie?

Empirische wetenschap levert een bepaalde vorm van kennis op die zich op ervaring baseert. De vraag wat onder wetenschap of empirie moet worden verstaan is typisch filosofisch. Filosofie kan het best worden omschreven als een activiteit, namelijk het stellen van een bepaald soort vragen, die van karkater verschillen van bijvoorbeeld de vragen die binnen de wetenschappen worden gesteld. Immanuel Kant (1724-1804) merkte op dat men geen filosofie kan leren, maar allen kan leren filosoferen.

Er kan wel een ordening worden aangebracht ten aanzien van bepaalde probleemgebieden, waar de filosofie zich traditioneel in het bijzonder op richt. Bijvoorbeeld geschiedenis van de filosofie (bestudering van de diverse theorieën in hun historische context) en de systematische filosofie (houdt zich bezig met specifieke onderdelen van de filosofie zoals logica, epistemologie (kennisleer), wetenschapsleer, antropologie (typisch menselijke kenmerken), ethiek, esthetica, metafysica (fundamentele uitgangspunten van de werkelijkheid), ontologie (algemene zijnsleer) en sociaal-politieke filosofie).

Reflecties over geschiedenis

Descartes (1596-1650)

Descartes zocht in zijn filosofie naar een betrouwbare methode om tot zekere kennis te komen. Het streven naar een onbetwijfelbare (wetenschappelijke) kennis stond centraal.

Het ging hem voornamelijk om de wiskunde en de natuurwetenschappen.

Vico (1688-1744) en Herder (1744-1803)

Vico stelde dat wij slechts betrouwbare kennis kunnen hebben van datgene wat wij zelf gemaakt hebben. Omdat de wereld van de natuur door God is voortgebracht, is de ware kennis hieromtrent aan hem voorbehouden. De maatschappelijke wereld van naties, is het product van menselijke activiteit, zodat het aan de mens is voorbehouden hiervan ware kennis te verkrijgen. Vico maakt derhalve een principieel onderscheid tussen natuur en cultuur.

Vico benadrukte het bestaan van verschillende volkeren met een eigen geschiedenis en

identiteit (pluriformiteit i.p.v. uniformiteit).

Ook de Duitse geschiedfilosoof J.G. Herder benadrukte de diversiteit van de verschillende volkeren. Het volk is een organische eenheid (taal, kunst, literatuur etc.) binnen een bepaalde Zeitgeist.

G.W.F. Hegel (1770-1831)

Het denken van Hegel vormt een hoogtepunt in de geschiedenis van de filosofie. Zijn werk is zo omvangrijk en samenhangend dat het niet in een kort bestek kan worden samengevat.

Hegel vat de (wereld)geschiedenis op als een geschiedenis van staten, waarin een bepaalde Volksgeist tot uitdrukking wordt gebracht. Geleid door de Weltgeist vertoond de geschiedenis van de wereld een bepaalde ontwikkeling van oost naar west (van China, via India, Perzië, Egypte, Griekenland en Rome naar Europa), waarbij er sprake is van een toenemende vrijheid. Het idee van de Volksgeist speelt in deze ontwikkeling een belangrijke rol.

De invloed van Hegel is bijzonder groot geweest, niet alleen binnen maar ook buiten de filosofie. Met name het in de 19de eeuw opkomend nationalisme maakte dankbaar gebruik van het idee van de nationale Volksgeist.

Naar een methodologie

In de loop van de 19de eeuw kreeg de geschiedschrijving steeds meer het karakter en de pretenties van een wetenschap. Deze ontwikkeling stimuleerde haar beoefenaars tot bezinning op haar grondslagen en methoden.

L. von Ranke (1795-1886) en Th. Buckle (1821-1862)

In de 2de helft van de 19de eeuw werd benadrukt dat geschiedschrijving gebaseerd diende te zijn op onafhankelijk en kritisch bronnenonderzoek en niet meer op het gezag van klassieke auteurs. Von Ranke was de belangrijkste vertegenwoordiger van deze nieuwe methode. Hij word dan ook beschouwd als de vader van de moderne geschiedwetenschap.

Kritiek op Von Ranke was dat hij een al te eenzijdige belangstelling had voor de politieke geschiedenis en zijn politiek conservatisme dat wat al te gemakkelijk er van uitging dat de machtsverhoudingen tussen de Europese staten een vanzelfsprekend uitgangspunt waren voor de geschiedenis.

Volgens de Engelsman Buckle werden teveel detailstudies gedaan zonder dat dit materiaal werd gebruikt om grotere verbanden in de geschiedenis op te sporen. Hij stelde zich tot doel om, net als bijv. bij natuurwetenschappen, in de geschiedenis te zoeken naar historische wetmatigheden.

J.G. Droysen (1808-1884), W. Dilthey (1833-1911) en de hermeneutiek

De ideeën van Droysen gaan lijnrecht in tegen een op de natuurwetenschappen georiënteerde (gewoonlijk positivistisch genoemde) geschiedwetenschap. Hij benadrukte twee aspecten van het menselijk bestaan:

een natuurlijk aspect

een geestelijk aspect

De historicus moet zich richten op het geestelijk aspect als belichaming van idealen en waarden.

Droysen gaat op zoek naar: achterliggende ideeën (niet alleen feiten dus), aanvoelen van morele krachten. Verstehen (begrijpen) stelt hij tegenover Erklären (verklaren).

Hij ging er van uit dat voor de bestudering van een specifiek historisch object ook een specifieke methode is vereist.

Dilthey heeft deze gedachten op een meer fundamentele wijze uitgewerkt en filosofisch gefundeerd. Bij Dilthey vormde de hermeneutiek (traditioneel: het interpreteren van teksten) de filosofische fundering van wat hij de geesteswetenschappen noemde. Het gaat dan niet meer alleen om de interpretatie van teksten, maar vooral om die van alle cultuuruitingen.

Hierbij ontstaat het probleem van de hermeneutische cirkel: feiten krijgen pas zin binnen een bepaalde interpretatie, terwijl een interpretatie is gebaseerd op bepaalde feitelijke gegevens.

Gadamer (1905-..)

Gadamer heeft een hermeneutische theorie ontwikkeld die verschild van die van Dilthey. Uitgangspunt voor Gadamer is de historische context van de interpreet en de interpretatietraditie. Een interpretatie vindt altijd plaats vanuit de eigentijdse horizon en dat is ook zinvol. Hij spreekt van de term Wirkungsgeschichte.

Er zijn twee benaderingswijzen:

reconstructie (onderzoek naar de oorspronkelijke zingeving) Gadamer verwerpt dit

integratie (in de hedendaagse zingeving) hier kiest Gadamer voor.

R.G. Collingwood (1889-1943)

Collingwood vatte het begrip historische wetenschappen zeer ruim op, zij omvatten naar zijn mening ook de sociale wetenschappen. Hij kende twee betekenissen toe aan het woord geschiedenis: geschiedenis als gebeuren (het historisch proces) en de wetenschap ervan, tot uitdrukking komend in de geschiedschrijving.

De geologie, paleontologie, astronomie etc. beschouwd hij als pseudo-geschiedenis en hij plaatst dit tegenover de eigenlijke geschiedenis van de mens. Hij stelt derhalve dat alle geschiedenis die van het denken is (all history is the history of thought)

Hieruit volgt zijn stelling dat historische kennis de heropvoering in de geest van de historicus is van de gedachte, waarvan hij de geschiedenis bestudeert (historical knowledge is the re-enactment in the historians mind of the thought whose history he is studying).

Collingwood maakt onderscheidt tussen de buitenkant (feiten) van en de binnenkant (gedachten, denkprocessen) van een gebeurtenis. Hij is feitelijk op zoek naar denkprocessen.

Dit kan maar op één manier gebeuren: door ze te her-denken in je eigen geest.

Het her-denken stuit echter op een aantal problemen:

Denkprocessen zijn individueel en kunnen niet op identieke wijze her-dacht worden. Bovendien is de huidige bewustzijnstoestand niet alleen persoonlijk, maar ook tijdelijk bepaald (onder invloed van de context). Collingwood merkt hierover op dat gedachten uit de context van een bepaalde bewustzijnsstroom gelicht kunnen worden en zo door andere personen op verschillende tijdstippen gedeeld kunnen worden.

Maar wat zijn dezelfde gedachten. Collingwood: Ze hebben een bepaalde logische structuur gemeen (maar kunnen wel op verschillende manieren gedacht worden).

Moet de historicus zich identificeren met de gedachten uit het verleden die hij her-denkt? Nee, want de (hedendaagse) context is anders. De her-dachte gedachten zijn ingekapseld in het hedendaagse denken van de historicus (n.b. identificatie is ook niet mogelijk in verband met de distantie t.o.v. het verleden).

Het ging Collingwood niet om het ontwikkelen van een historische methode, maar om de vraag hoe kennis van het verleden mogelijk is. Niettemin is zijn logica van vraag en antwoord een wezenlijke methodische bijdrage. Betekenis en waarheidsgehalte van het antwoord zijn afhankelijk van de vraagstelling (en dus relatief). Het meest wezenlijke principe van de moderne wetenschap is het systematisch en gericht vragen stellen. Collingwood noemt dit ook wel het oplossen van problemen hij is voorstander van probleemgerichte geschiedbeoefening.

Collingwood maakt een tweedeling in de wetenschappen

empirische wetenschappen, die op de ervaring zijn gebaseerd

aprioristische wetenschappen die louter op het denken berusten (logica, wiskunde)

Geschiedwetenschap behoort tot geen van beide en moet als een derde weg worden beschouwd. Historische kennis wordt vergaard door gebeurtenissen te beredeneren vanuit het bewijsmateriaal.


| Index | Oriëntatiecursus | Inhoud | Vorige |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

P.C.J. Ruigrok (2000)