Het ancien régime 1

Samenvatting door Patrick Moesick

Introductie tot de cursus

Europa 1450-1800: verantwoording en conceptualisering

De cursus beperkt zich niet tot het bieden van een chronologisch overzicht, maar wil de gebruiker tevens confronteren met de beperkingen van het métier. Dit wordt geconcretiseerd aan de hand van een problematisering van de gepresenteerde stof.

Keuze van het cursusthema: Europa, 1450-1800

Europa

De geschiedenis van Europa is onze eigen geschiedenis; zij vormt dan ook een geschikte achtergrond waartegen het geheel van de cultuurwetenschappen kan worden gesitueerd.

1450-1800

Binnen Europa manifesteerden zich gedurende deze eeuwen allerlei veranderingen (afnemende betekenis van het feodalisme, terugtredende rol van de kerk, opkomst van de geseculariseerde staat en de ontwikkeling van de wetenschappen), die een breuk markeerden met de traditionele middeleeuwse maatschappij. Ten dele als resultaat van de genoemde veranderingen kan in deze periode ook een op gang komend proces worden onderkend, dat men als de europeanisering van de buiten-Europese wereld kan aanduiden.

De ontdekking, exploratie en exploitatie van andere continenten had ingrijpende gevolgen op sociaal-economisch en politiek gebied.

Even belangwekkend is echter de wijziging in het wereldbeeld van de Europeanen, door een relativering van de eigen culturele verworvenheden.

Naast de genoemde transformatieprocessen (1450-1500) kan dan omstreeks 1800 opnieuw een cesuur worden gesignaleerd. IJkpunten zijn in dit verband het optreden en doorwerken van twee, qua aard verschillende revoluties: de Franse Revolutie (sociaal-politiek) en de Industriële Revolutie (sociaal-economisch).

 

Problemen rond opzet en benadering: over geschiedenis, geschiedschrijving en historiografie

Subjectief element

In vrijwel alle teksten die door historici zijn geschreven, treft men, naast een corpus van meer feitelijke informatie, ook meningen en interpretaties van de auteur aan. Dit subjectieve element is inherent aan de aard van de geschiedwetenschap. Geschiedschrijving is geen louter aaneenrijging van feitelijkheden, incidentele gebeurtenissen en jaartallen.

De geschiedwetenschap houdt zich juist bezig met de bestudering van omvattende fenomenen en veranderingsprocessen, die de grenzen van periodisering, plaats, regio en land overschrijden en die zich niet tot het domein van het politieke, sociale, economische of religieuze leven beperken. Een belangrijk kenmerk van de wording van de moderne samenleving is nu eenmaal dat allerlei gebeurtenissen en ontwikkelingen samenhangen, elkaar beïnvloeden en vaak zelfs sterk vervlochten zijn

Geschiedschrijving als discussie zonder eind

Om dergelijke complexe veranderingen te duiden en te verklaren is het onvermijdelijk dat verschillende historici tot verschillende interpretaties en waarderingen komen. Het interpretatiekader wordt daarbij bepaald door een aantal parameters zoals het aanwenden van nieuw bronnenmateriaal, het ingenomen perspectief, de eigen overtuiging, enz. Mede om deze reden heeft de Nederlandse historicus Pieter Geyl de geschiedschrijving eens gekarakteriseerd als een discussie zonder eind.

Constructie van het verleden in plaats van reconstructie

Het verleden is als zodanig niet oproepbaar: het is definitief vervlogen en kan niet in zijn actualiteit worden gereconstrueerd. De historicus vermag slecht een beeld, een constructie, te bieden. Als het verleden al spreekt, dan spreekt het door het verhaal en de presentatie van de historicus: door zijn vraagstelling, door de ordening van gegevens, door expliciete en impliciete interpretaties. Individuele waarden en normen, die voor een belangrijk deel cultureel bepaald zijn, spelen hierbij een belangrijke rol. Het gezegde van Jan Romein geschiedschrijving als spiegel van de cultuur is in dit verband veelzeggend. Daarbij moet tevens worden opgemerkt dat ook cultuur geen statische grootheid is. In de tijd is ook zij aan verandering onderhevig en dat heeft dan weer consequenties voor de geschiedschrijving: elke geschiedschrijving draagt dan ook het navelmerk van de tijd die haar baarde, aldus de historicus G.W. Kernkamp.

Concluderend kan worden gesteld dat het verleden in zekere zin een gegeven is dat we slechts zin en samenhang kunnen geven in de vorm van geschiedschrijving, en dat de laatste niet gevrijwaard is van persoonlijke, culturele en tijdgebonden invloeden.

Historiografie

Binnen de geschiedwetenschap bestaat een afzonderlijke tak die de hierboven geschetste problematiek als studieobject heeft: de historiografie of de geschiedenis van de geschiedschrijving en geschiedbeoefening. Afgezien van de historiograaf, die het vak als specialisme beoefent, bedrijft elk modern historicus een stukje historiografie, al is het maar door zich rekenschap te geven van wat anderen eerder en elders over het betreffende onderwerp hebben geschreven. Pas daarna kan de historicus tot een plaatsbepaling en beoordeling van eigen standpunten en zienswijzen komen.

Tegen deze achtergrond is het verklaarbaar waarom elk hoofdstuk van het handboek opent met een historiografische inleiding, waarin de problematisering van de aangeboden stof centraal staat. Het hele scala van interpretaties en meningen maakt immers evenzeer deel uit van de huidige geschiedwetenschap.

 

Moderne c.q. nieuwe geschiedenis of ancien régime

    Algemene karakteristieken

Vanaf 1450 raakten een aantal veranderingsprocessen in een stroomversnelling. In verschillende opzichten tekenen zich ontwikkelingen af die destabilisatie en ontbinding van de traditionele samenleving bevorderen.

De hier behandelde periode markeert een overgang van de Europese maatschappij; van een gesloten agrarisch-feodale samenleving (middeleeuwen), naar een meer open type samenleving. De macht van de paus neemt af door de scheuring in de christelijke gemeenschap als gevolg van de Reformatie, en de wereldlijke macht van de keizer wordt overschaduwd door de opkomst van centralistisch geregeerde staten.

Deze tendens tot centralisering van de staatsmacht loopt, evenals het verzet daartegen, als een rode draad door de periode 1450-1800.

Bij het verzet tegen de centralisatie van de staatsmacht speelt de adel een belangrijke rol; hun belangrijkste motief daarbij is de beduchtheid voor de tanende invloed die ze kunnen laten gelden. Met de terugval van de adel nam ook de betekenis van het feodalisme af, hoewel het tot aan het einde van het ancien régime een kenmerkend maatschappelijk verschijnsel bleef.

Tegelijk groeide de invloed van de burgerij in het politiek, maatschappelijk en economisch leven. Deze tendens kan niet los worden gezien van de toenemende handelsbewegingen, de verbeterde communicatiemiddelen en de groei van de steden.

Vanaf de vijftiende eeuw begint een periode die men als europeanisering van de wereld buiten Europa kan omschrijven. Hoewel het aanvankelijk vooral om exploratie en missionering ging, voerde later exploitatie in de vorm van handel, plantagecultuur en kolonialisme de boventoon. In de tweede helft van de zeventiende eeuw neemt de omvang van de handel met de nieuwe gebieden toe. Dit leidt tot een kapitaalsaccumulatie in West-Europa met een stijgende welvaart voor met name de burgerij. Illustratief voor de vormen die de europeanisering van de wereld in de loop van de achttiende eeuw had aangenomen, is het gegeven dat een aantal Europese oorlogen in dat tijdvak in belangrijke mate buiten Europa, in Amerika en Azië werden uitgevochten.

Ook in deze periode onderkennen we een aantal ontwikkelingen die kunnen worden samengevat onder de noemer van de overgang van een gesloten naar een meer open wereldbeeld. De confrontatie met andere culturen leidt tot een relativering van eigen culturele noties. Ook de hervormingsbewegingen, de renaissance, het humanisme en de Verlichting leidden tot veranderingen in mens- en wereldbeeld maar ook tot een groeiden laïcisering van de staat en secularisering van de samenleving.

De beschreven verschijnselen en processen droegen bij aan, of waren symptoom van de desintegratie en transformatie van het traditionele, middeleeuwse samenlevingstype. Deze verschijnselen en ontwikkelingen kunnen (mogen) echter niet in isolement worden gezien, maar moeten in een zekere samenhang bestudeerd worden.

Zo impliceerden renaissance en humanisme niet alleen de herleving en herwaardering van de klassieke cultuur, maar ze hadden ook consequenties voor de toekomstige ordening van de samenleving.

De ontwikkeling van de kritische filologie beperkte zich op den duur niet alleen tot een opnieuw bezien van klassieke edities; ook de christelijke overlevering zelf werd kritisch onderzocht.

Zonder de hervormingsbeweging zijn de godsdienstoorlogen van de zestiende- en zeventiende eeuw ondenkbaar en de laatste interfereren met de politieke en staatsvormingsprocessen in deze periode.

Ook de betekenis van de ontdekkingstochten krijgt, indien in isolement beoordeeld, onvoldoende diepte. Deze tochten kunnen immers niet los gezien worden van een verschuiving van de handelsbewegingen in Europa ten voordele van de Atlantische kust. In het algemeen kan worden vastgesteld dat het machtsevenwicht in Europa verschoof ten detrimente van de agrarisch georiënteerde continentale landen naar de in het westen gelegen staten. Uiteindelijk zouden al deze naast elkaar werkende en op elkaar inwerkende transformatieprocessen de omstandigheden en voorwaarden creëren die hebben geleid tot de Industriële revolutie en de Franse revolutie.

 

    Terminologie en periodisering

Ancien régime

Over de terminologie en periodisering voor dit tijdvak bestaat geen consensus. In plaats van de geschiedenis van het ancien régime spreken andere historici van nieuwe of moderne geschiedenis. Oorspronkelijk werd de term ancien régime gebruikt om het regeringsbestel in het prerevolutionaire Frankrijk aan te duiden; vandaag hanteren de meeste historici het begrip om het gehele maatschappelijk bestel in Europa in de eeuwen voor 1800 aan te duiden.

Periodisering

Ook over de periodisering bestaat geen eensgezindheid en dat geldt met name voor het einde van de periode.

Diegenen die het begrip ancien régime hanteren, plaatsen de eindgrens soms rond 1750 (begin van de Industriële revolutie) of in 1789 (Franse Revolutie).

Historici die de term moderne geschiedenis gebruiken, prefereren de jaren 1870 of zelfs de hele negentiende eeuw als een integraal deel van het tijdvak. Men wijst dan op de betekenis van het nationalisme, het inzetten van de tweede industriële revolutie of op het moderne imperialisme.

Hoe kan met dit dilemma worden omgegaan? We moeten in ieder geval vaststellen dat de cesuren niet scherp kunnen gesteld worden. In het handboek wordt terecht opgemerkt dat van bepaalde modern ogende ontwikkelingen de wortels reeds in de middeleeuwen lagen, terwijl anderzijds tal van oude en respectabele tradities ook in de nieuwe tijd nog verder werden gezet.

Terminologie

Uiteindelijk zal de periodisering en de gehanteerde terminologie in belangrijke mate afhangen van de invalshoek die wordt gehanteerd.

Indien men aan de renaissance een beslissende betekenis toekent, dan situeert het omslagpunt zich waarschijnlijk al omstreeks 1400 of zelfs rond 1350. De historicus die het belang van de ontdekkingsreizen wil beklemtonen, zal daartegenover eerder kiezen van 1492.

Fernand Braudel opteerde, op basis van studies naar onder meer de golf van prijsbewegingen, voor een begintijdvak 1450-1650 (de lange zestiende eeuw).

Wellicht moet men met Johan huizinga instemmen dat uiteindelijk vage en globale periodeaanduidingen te verkiezen zijn, omdat elke aanduiding en periodisering omstreden is en nooit meer is dan een hulpmiddel voor de historicus.

Ancien régime, circa 1450-1800

Hier is geopteerd voor het ancien régime, circa 1450-1800. Deze keuze werd ingegeven door de reeds eerder beschreven karakteristieken. Ontdekkingstochten, de secularisatie van staat en samenleving en het ontfeodaliseringsproces, die we onder de noemer hebben gebracht van de overgang naar een meer open type van samenleving en wereldbeeld, kregen in de loop van de vijftiende eeuw belangrijke impulsen. Omwille van de diverse ontwikkelingen en verschijningsvormen kunnen we de samenleving in dit tijdvak als vroegmodern karakteriseren, omdat het hier toch onmiskenbaar gaat over aspecten van een moderniseringsproces.

Standensamenleving

Eén van de meest opvallende kenmerken van de traditionele samenleving, de op standen gebaseerde ordening, bleef echter bestaan. Dit vormt een van de doorslaggevende redenen waarom uiteindelijk toch voor de term ancien régime is gekozen.

Franse Revolutie

De belangrijkste omwenteling in deze periode wordt gevormd door de Franse revolutie, en dat is dan ook onze belangrijkste reden om daarmee het tijdvak af te sluiten.

Industriële Revolutie

Wie geneigd is aan sociaal-economische elementen doorslaggevende invloed toe te kennen, zal echter wijzen op de betekenis van de Industriële Revolutie. De verspreiding en doorwerking ervan, is naar ons gevoel voornamelijk een negentiende- en twintigste-eeuwse aangelegenheid en de veranderingen die ze teweeg brengt in de samenleving maken dat niet kan worden vastgehouden aan het ancien régime als periodeaanduiding. De Europese samenleving voor 1800 draagt daarentegen nog steeds een overheersend preïndustrieel en agrarisch-commercieel karakter.


Enkele beperkingen

    De seculaire trend

In het handboek wordt het ancien régime onderverdeeld in een drietal periodes. De auteurs van het handboek erkennen dat de overtuiging van A.M. Van der Woude "dat zich in de tijd grote golfbewegingen van op en neergang hebben voorgedaan, die zich op verschillende gebieden manifesteren bij de opbouw en indeling van hun werk een belangrijke rol heeft gespeeld. De hiermee geïntroduceerde golfbewegingen, corresponderen met het concept seculaire trend, een concept dat in de wijze waarop het is gehanteerd, niet onomstreden is.

Het zijn vooral de economische historici, later gevolgd door demografische en sociaal-historici, die met het begrip werken of hebben gewerkt. K. Bertels omschrijft seculaire trend als een "beweging de lange duur (seculair) alternatie van hausse en baisse van lange duur, eeuwbeweging".

Men kan zich afvragen of met de toepassing van dit raamwerk van afwisselend bloei en expansie versus stagnatie en contractie de complexiteit van het verleden in zijn verscheidenheid wel recht wordt gedaan. Worden de bevolkingscijfers van Europa of de prijsbewegingen onder de loep genomen, dan lijken deze inderdaad globaal te corresponderen met de afwisselende ontwikkelingsgang.

Regionaal en per categorie zijn echter allerlei afwijkingen waar te nemen. Zeker wanneer we kijken naar bijvoorbeeld de vooruitgang in de wetenschap, technologische innovatie, de alfabetiseringgraad en naar vele andere aspecten van de samenleving, dan biedt het concept seculaire trend, zoals toegepast in het handboek, weinig uitkomst. Het is dus verstandig dergelijke ordeningsconcepten met de nodige terughoudendheid te bejegenen.

Het gevaar bestaat dat een concept als de seculaire trend een eigen leven gaat leiden en als zelfstandige grootheid in de geschiedenis wordt getraceerd. Allerlei facetten van de geschiedenis worden zo bij voorbaat gemerkt, enkel op grond van de omstandigheid dat ze zich hebben voorgedaan in een periode van hausse dan wel baisse. In wezen gaat het bij zulke concepten echter om interpretaties, constructies van de werkelijkheid, waarmee zin, samenhang en ordening aan de veelheid van verschijnselen in heden of verleden kan worden gegeven. Dergelijke constructies moeten echter niet met de werkelijkheid zelf worden verward.


    Europa als geografische entiteit

Het handboek hanteert een eurocentrische benadering. Dat betekent dat slechts marginaal aandacht wordt besteed aan de geschiedenis van de niet-westerse wereld of de Nederlandse (vaderlandse geschiedenis).


    Thematische aspecten

Hoewel het handboek de intentie heeft veel aandacht te besteden aan maatschappijgeschiedenis, waarbij, naast de sociaal-economische aspecten, ook voor politiek en cultuur plaats wordt ingeruimd, moet worden geconstateerd dat deze voornemens iet in alle opzichten werden verwezenlijkt.


Inleiding bij een overzicht van de algemene geschiedenis van de renaissance (in Italië) tot omstreeks 1870

De auteurs stellen dat het niet gemakkelijk is om een overzicht te schrijven van de behandelde periode van de Algemene Geschiedenis. "Haar algemeenheid dwingt de auteur enig recht te doen én aan de gewichtigste omstandigheden en gebeurtenissen in allerlei delen van de wereld van toen, én aan de belangrijkste aspecten van het menselijk bestaan, aan het politieke en culturele, zowel als het economische en sociale aspect." Bij het schrijven van het handboek diende rekening te worden gehouden met de startsituatie van leerlingen uit het middelbaar onderwijs.

Door de beklemtoning van de contemporaine geschiedenis in het voortgezet onderwijs is de kennis van het verder terugliggend verleden veelal op de achtergrond verdrongen en vastgezet in een op de actualiteit toegespitst perspectief.

Ernstiger is dat historische kennis door een groot aantal studenten gezien wordt als onaanvechtbaar, onomstreden en onproblematisch. Eerstejaarsstudenten houden nog te weinig rekening met het feit dat historische kennis slechts een voorlopig eindproduct is van de discussie zonder eind.

De opbouw van het handboek en de behandelde onderwerpen werden (mede) bepaald door enkele belangrijke nieuwe inzichten die reeds door Van der Woude werden uiteengezet in zijn inleiding op de nieuwe Algemene Geschiedenis der Nederlanden. Deze inzichten kunnen bruikbaar zijn voor een indeling en opbouw van historisch werk dat een lijn wil aanbrengen in een langdurig verleden. Het wordt moeilijker zodra er sprake is van deelgebieden waar de ontwikkelingen zich kenmerken door ongelijktijdigheid en afwijkend verloop.

Fernand Braudel (La Méditerrannée et le monde méditerranéen à lépoque de Philippe II. - 1949)

Het gaat in de eerste plaats om Braudels gelaagd-structuralistische beschouwingswijze; het inzicht dat de maatschappelijke werkelijkheid is opgebouwd uit een aantal met elkaar in verband staande geledingen die niet alle met eenzelfde intensiteit, tempo en beweeglijkheid aan het historisch proces deelnemen.

In dit werk ontwikkelde Braudel de gedachte dat de maatschappelijke werkelijkheid is opgebouwd uit verschillende lagen die ieder hun eigen ontwikkelingstempo hebben. In het boek werkt Braudel die opzet nader uit door drie tijdsniveaus te onderscheiden.

Geografische tijd (lange duur): de wereld van de trage verandering: landschap, zee, klimaat en de regelmaat der seizoenen.

Sociale tijd (middellange duur): structurele en conjuncturele aspecten van de economie en de staatkundige, maatschappelijke, culturele en militaire organisatie.

Individuele tijd (korte duur):de van dag tot dag veranderende politieke en militaire ontwikkelingen, de zogeheten evenementiele geschiedenis.

Braudel keert zich op deze manier tegen het primaat van de politieke geschiedenis die in zijn ogen vooral bestond uit woelingen aan de oppervlakte. Deze geschiedenis kon pas betekenis krijgen door kennis van de onderliggende structuren. Braudels favoriete terrein was dan ook dat van de lange duur.

Seculaire trend

Daarnaast plaatste Van der Woude de overtuiging dat zich in de tijd grote golfbewegingen van op- en neergang hebben voorgedaan. Met behulp van het begrip seculaire trend komt hij tot een periodisering van de Nederlandse geschiedenis in de vroeg-moderne tijd.. Hij meent ook dat de seculaire trend zichtbaar is in de dynamiek van de ontwikkeling in de preïndustriële periode in het algemeen. Iedere samenleving is in beweging.

De evolutie van de westerse cultuur tussen de jaren 1000 en 1800 (het preïndustriële tijdvak) laat zich het best chronologisch ordenen met behulp van het begrip seculaire trend. Voor verder terug en dichterbij gelegen perioden lijken andere chronologische indelingen de historische ontwikkeling meer recht te doen. Van der Woude komt dan tot de volgende periodisering van de Nederlandse geschiedenis in het preïndustriële tijperk:

De periode 1500-1650, die gekenmerkt wordt door bloei op allerlei terreinen.

De periode 1650-1750, een periode van stagnatie en contractie.

De periode na 1750, waarin een begin wordt gemaakt van een nieuwe bloeiperiode.

De lange zestiende eeuw

Het boek is opgebouwd uit drie gedeelten en de verschillende hoofdstukken en onderdelen hebben een meer thematische dan een strikt chronologische opzet. Om het belang van de chronologische orde toch te onderstrepen, werden enkele cesuren aangebracht, en de daardoor afgezonderde tijdvakken zijn ieder voor zich van een algemene inleiding voorzien. Die cesuren: het midden van de zeventiende, het midden van de achttiende en het einde van de achttiende eeuw, zijn uiteraard niet willekeurig gekozen. De reeds genoemde golfbewegingen komen daarbij om de hoek kijken.

Het gaat daarbij allereerst om de lange zestiende eeuw, een term die gebruikt wordt voor een periode van 1450 tot omstreeks 1650. Wanneer dit tijdvak, dat op verschillende gebieden een periode van expansie was, laten volgen door het tijdvak van 1650 tot 1750, dan zijn de contrasten opvallend: er is nu sprake van stagnatie en contractie. Omstreeks 1750 volgt dan weer een soort omslag.

Maatschappijgeschiedenis

Bij het schrijven van het handboek moest rekening worden gehouden met recente veranderingen in de ziens- en werkwijzen van historici. Voor de schrijvers kwam dit neer op een bewuste keuze om maatschappijgeschiedenis als uitgangspunt te nemen. Daarbij wordt de aandacht gericht op de maatschappelijke verbanden waarin de enkeling is opgenomen. De daden van deze enkelingen kunnen daardoor én gerelativeerd én verhelderd worden.

Met dit uitgangspunt is het onvermijdelijk dat cesuren, die men vroeger scherp aanbracht, gaan vervagen zodra men probeert aan alle levensverschijnselen enig recht te doen.

In maatschappijgeschiedenis dient voor politiek en cultuur een ruime plaats te worden ingeruimd. Daarmee wordt de betekenis van sociaal-economische aspecten niet gemarginaliseerd, maar wordt wél gewezen op het feit dat sommige historici het politieke nogal eens beschouwden als een zaak met weinig maatschappelijke betekenis. Politieke geschiedenis was in hun ogen slecht een chronologisch relaas van gebeurtenissen (histoire événementielle) en niet een in de tijd vervormbaar aspect van het maatschappelijk leven, een aspect dat structurele verandering kan ondergaan. In onze tijd, die meer en meer oog begint te krijgen voor de betekenis der veranderingen die zich ook in de patterns of authority hebben voorgedaan, is een onderschatting van dit aspect niet langer vol te houden.

Opmerkingen van soortgelijke strekking kunnen voor de cultuurgeschiedenis worden gemaakt. Het cultuurleven kan immers, via verbreiding van gedachten en gewoonten invloed uitoefenen op het maatschappelijk klimaat.

Niet-westerse geschiedenis

Aan de niet-westerse geschiedenis werd nauwelijks aandacht besteed. Dit is deels te wijten aan het feit dat, toen er van intensief contact met het Westen nog geen sprake was, weinig contacten bestonden tussen de ene Kulturkreis en de andere.


| Menu | Ancien Régime 1 | Introductie | 1450-1650 | Barok

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Patrick Moesick (1999)