Leereenheid 3
Het karakter van de periode tot 1650: sociale en politieke aspecten
1. Historiografische inleiding
Het vorige hoofdstuk wekt misschien de indruk dat de verandering zich overal in een zeer hoog tempo voltrok. Dit gaat misschien op voor West-Europa en voor steden als Antwerpen en Amsterdam. Elders ging het er echter trager aan toe waardoor spanningen ontstonden. Ook bleek de sociale waardering voor vernieuwende activiteiten op economisch gebied minder groot dan verwacht. Het gedrag van de vorsten werd nog sterk bepaald door traditionele invloeden die werden gekoesterd door zowel de vorst zelf als door de bevolking. Deze vaststelling doet echter niets af aan het feit dat er in de maatschappij ruimte kwam voor een zekere sociale reorganisatie en dit mede door de verzwakking van het leenstelsel en de gildenorganisatie.
Toch kan men de vroeg-moderne maatschappij niet zomaar als burgerlijk bestempelen. De geschiedschrijving associeert het opkomend kapitalisme te gemakkelijk met een burgerlijke maatschappij. Het is echter merkwaardig te zien dat juist in de zestiende eeuw in grote delen van Europa de invloed van de steden taande. Vele steden konden hun privileges en autonomiepretenties niet meer hooghouden in een maatschappij waarin het vorstelijk-aristocratische element de toon ging aangeven (afstraffing van Gent door Karel V). Veel steden waren niet meer dan marktcentrum voor de agrarische omgeving, aangevuld met wat ouderwets-ambachtelijk bedrijf. Daar kwam nog bij dat de kapitalisten geen rasechte burgers bleken te zijn. In de zestiende en zeventiende eeuw bleef het voor een rijk burger aantrekkelijk om de aristocratie te imiteren (het verraad van de bourgeoisie). Een zakenman kocht een landgoed en paste zijn gedrag en levensstijl aan. Na verloop van tijd werden hij en zijn kinderen als dis- en bedgenoten gezien (in convivium en connubium) en geaccepteerd. (Zo kwamen de Augsburgse Fuggers aan hun adelstand). Zo werd de burgerstand steeds afgeroomd. De vaandelvlucht van kooplui en ondernemers heeft het tempo van de economische en technologische vernieuwingen vertraagd, ervaring ging steeds verloren.
Volgens Degryse echter is het onjuist om in zijn algemeenheid van een verraad van de bourgeoisie te spreken. In zijn ogen was de adel geen universeel voorbeeld en het verraad kwam alleen maar voor in maatschappijen waar ondernemers en handelaars een lage sociale positie innamen. In samenlevingen waar zij een hoog aanzien genoten, was van verraad nauwelijks sprake. Het was wel zo dat als het in bepaalde tijden niet gunstig was handel te drijven, zij overgingen tot aankoop van grond, en rustig gingen leven. In de standenmaatschappij van de vroeg-moderne wereld was het doordringen van burgers tot de status van de aristocratie slecht onderdeel van een veel omvangrijker sociale mobiliteit. In de zestiende eeuw komt de new monarchy op; een bestuursvorm die zich kenmerkt door een bestuur door de vorst en zijn hovelingen (hier werden de ambten en titels verdeeld). Men vestigt een effectiever gezag en schuift pretenties van adellijke heren (overmighty subjects) en steden opzij. Op deze manier begeeft men zich een eind in de richting van het absolutisme van de zeventiende eeuw. Sommige historici zagen deze vorsten dan ook als een soort wegbereiders van de moderne staat. Vanuit die visie kon men overgaan tot de beschrijving van één proces van politieke modernisering door de eeuwen heen, waarvan de lange duur verklaard kan worden door de adellijke reactie tegen de centraliserende politiek.
Ondertussen is deze visie alweer in het gedrang. Dat deze vorsten bestuursinstellingen in het leven riepen die nu nog onder dezelfde naam bestaan, wil niet zeggen dat deze bijdroegen aan modernisering. Verder lette men niet op wisselende omstandigheden en problemen en tegenwerking. Daardoor ontstond een anachronistische voorstelling van zaken. Ook de vraag of de bevolking verwachtingen had waar de vorst al dan niet aan voldeed, blijft buiten beschouwing. Het besef dat de moderne staat langs grillige wegen, en ook langs andere dan het vorstelijk absolutisme is ontstaan, leefde nog niet. Men acht het nu onmogelijk dat de heersers in de zestiende eeuw al plannen hadden waarin de uiteindelijke verwerkelijking van een rationeel ingerichte moderne staat besloten lag. De nieuwe theorieën (Norbert Elias) besteden minder aandacht aan de relatie tussen vorst en staat en meer aan die tussen hof en maatschappij.
2. Een breuklijn ontstaat langs de Elbe
Het is wel zeker dat de keizers (Karel V) in de zestiende eeuw een sterke positie bleven innemen. Doordat de Habsburgers bij zowat alle kwesties en problemen van hun tijd (Turkenopmars, Reformatie, conflicten met Frankrijk, strijd in Italië) betrokken waren, konden ze echter niet het volle profijt uit deze positie halen. Ondertussen ging de economische positie van het Rijk er niet op vooruit. De belangrijkste handelsroutes weden in de loop van de zestiende eeuw verlegd, waardoor de steden in Zuid-Duitsland gedupeerd werden. Er voltrok zich echter nog een proces dat voor de toekomst van Duitsland van grote betekenis is geweest. Langs de Elbe kwam een breuklijn te liggen waarlangs Europa werd verdeeld in een Westelijk en Oostelijk part, gekenmerkt door sterk verschillende maatschappijvormen op het platteland.
Ten oosten was men na 1100 vanuit het Westen gaan koloniseren. Aanvankelijk had de adel geen overwicht over deze landbouwkolonisten. De misere van de 14e eeuw zorgden voor leegloop van veel landbouwdorpen. Door gebrek aan mankracht moesten grondbezitters zelf het land op, en zij stelden arbeidsplicht in voor de boerenbevolking. Deze zware plicht maakte het onmogelijk weg te trekken of ander werk te zoeken. Ondertussen vroeg het westen om meer hout en graan. Veel grootgrondbezitters in het oosten konden zich hierdoor breed maken. In het oosten van Duitsland heersten de Duitse jonkers, de schlachta in Polen en de pomesjtsjiki in Rusland. Hier stonden de boeren machteloos tegen de aristocratie, die toegang hadden tot de afzetmarkt. De steden waren onvoldoende bij machte hen te helpen en de grondheren beheersten hun leven. Als ze klachten hadden, waren de grondheren hun rechters, en een beroep op de vorst, die op die heren aangewezen was, maakte geen kans. Op steun van de clerus konden ze evenmin rekenen, omdat deze stand niet bij machte was een vuist te maken. De weinig gecompliceerde, winstgevende maar niet al te rendabele landgoedereneconomie weerspiegelde zich in de maatschappijvormen. Er ontstond een samenleving met een statisch, weinig gedifferentieerd en eenzijdig agrarisch karakter met strakke landsgrenzen. Hier was het vooral de adel die profiteerde van de stijgende prijzen en de vraag uit het Westen naar graan een bosbouwproducten.
De westelijke streken hadden daarentegen een dynamischer karakter gekregen. De grondheren bewerkten hier niet meer zelf het land, maar verpachtten de grond aan de boeren, vaak tegen vaste prijzen. Prijsstijgingen (producten) waren gunstig voor de boeren, en slecht voor de grondheren. Onder invloed van een aantal factoren veranderde de agrarische bedrijvigheid, graan werd immers geïmporteerd uit het oosten. Veeteelt en schapenteelt in Engeland, hierdoor ontstonden enclosures, grote stukken omheind land. Ook ging men over op vormen van gespecialiseerd bodemgebruik. De economische groei leidde hier in de zestiende eeuw dus tot een versterking van de sociale positie van de stedelijke middenklassen en de boeren, die zich uit de macht van de adel en het horigheidsysteem wisten te bevrijden. Sommige edelen gingen in overheidsdienst. Besluitend: terwijl het lot van de West-Europese plattelandsbevolking verbeterde (was door misoogsten nog niet altijd goed), verloren de Oost-Europese boeren hun persoonlijke vrijheid en raakten in een toestand van lijfeigenschap.
3. De sociale mobiliteit in West-Europa
In heel Europa bleef het agrarisch bedrijf nog lang het bestaansmiddel dat aan de meeste handen werk gaf. Maar in het Westen kon men wel al allerlei kanten uit als men in ander werk een bestaan wou vinden. Dit gold ook voor de adel. Een echt besloten kaste is de adel in het Westen in de vroeg-moderne periode nergens geweest. Bijna overal werd ze door adelsverheffingen aangevuld (verkoop van adelstitels, verheffing op grond van verdienste, enz.). Soms kwam het zelfs tot titelinflatie. Zo stelde Richelieu in zijn politiek testament voor dat massale toelating tot de ambtadel (noblesse de robe) ongewenst was. Uit dergelijke waarschuwingen blijkt dat men een evenwichtige opbouw van de maatschappij hopte te handhaven. Te veel en te snelle sociale stijging was ongwenst. In de omgangsvormen onderstreepte men de standsverschillen. Maar al beperkte men de mogelijkheden nog zozeer, er viel niettemin vrij wat sociale stijging te signaleren. Ook in de republieken waar geen instantie bestond die adelsverheffingen bewerkstelligen kon, slaagde het stedelijke patriciaat er in zich adellijke allures aan te meten.
Er waren trouwens promotiekanalen genoeg:
In feite kwam het er op neer dat men met behulp van hoger geplaatsten zijn doel bereikte. Clienten deden van alles om in de gunst te komen, riepen hulp in als er een vacature was, droegen kunstwerken op enz. Dit systeem van patronage, wat op ons erg kruiperig ovekomt, werkte niet al te slecht en, hoewel het anders kan lijken, stond waardering voor bekwaamheid niet geheel buitenspel. Er waren ook geen andere mogelijkheden: diploma's en sollicitatieprocedures bestonden nog niet.
Het patronagesysteem had enkele belangrijke gevolgen. Verticale verbindingen tussen patroons en cliënten liepen van hoog tot laag door de sociale piramide, waarbij de eigen standgenoten gevaarlijke concurrenten konden worden. Van horizontale solidariteit was in deze standenmaatschappij niet veel sprake. Het patronagesysteem bevorderde een stabiele samenleving: de verticale banden door de sociale piramide voorkwamen strijd tussen de verschillende standen. Samenvattend mag men zeggen dat de vroeg-moderne samenleving relatief stabiel was, mede doordat ze een nogal flexibel karakter had. Veel van de patronage-lijnen kwamen uit bij het hof, deze lijnen liepen vaak via belangrijke hovelingen. Soms hadden overmighty subjects zelfs een groter patronageareaal dan de vorst zelf.
In de zestiende en zeventiende eeuw werd sociale ongelijkheid als een normaal verschijnsel aanvaard. Men was ervan overtuigd dat God de verschillende sociale groepen in een door Hem gewilde hiërarchische ordening had ondergebracht. De Franse historicus Roland Mousnier heeft geprobeerd een antwoord te formuleren op de vraag langs welke scheidslijnen de verschillende sociale groepen konden onderscheiden worden.
4. De vorst van de zestiende eeuw en zijn problemen
De vorst was vanouds een verheven persoonlijkheid, een beschermer tegen allerlei kwaad en onrecht. De functie die hij vervulde had nog een magisch-sacraal karakter (cf. handoplegging van zieken). De vorst werd tevens verondersteld persoonlijk garant te staan voor de handhaving van vrede en recht. Heel anders dan in Italië tijdens de renaissance was het politiek bestel traditioneel verankerd; een vorst diende te beantwoorden aan de verwachtingen die men koesterde. Dit vertrouwen richtte zich op de trditie, slechts leden van zo'n heersersfamilie konden dit waarmaken (geboorte). Een vorst wiens positie in sterke mate op het persoonlijk vertrouwen van de onderdanen berustte, deed er dus goed aan het contact met hen niet te schuwen. Dat was één van de redenen waarom vorsten met hun hofhouding rondreisden in het land. Als rijken groter werden was de vorst afhankelijk van helpers, waaronder de statenvergaderingen.
Een van de kenmerken van de vroeg-moderne periode is dat de scheiding tussen private en publieke aangelegenheden nog niet was gemaakt. De hofomgeving van de vorst bleek daarbij nogal eens aanleiding te geven tot problemen (onbetrouwbare plaatsvervangers, conflicten met de statenvergadering, enz.). In het algemeen kan men zeggen dat de samenleving ingewikkelder werd en dat er naast de traditionele verwachtingen, ook nieuwe eisen werden gesteld aan het vorstelijk bestuur. Daardoor moest de vorst allerlei taken delegeren aan vertrouwelingen. Naast problemen van communicatie en controle van deze ambtenaren bracht de uitbreiding van taken en de groei van het bestuursapparaat toenemende kosten mee. Het vorstelijk hof ging functies vervullen op het gebied van eenmaking van bestuur, rechtspraak, wetgeving, belastingsinning, muntslag en de organisatie van een staand leger. De vorst haalde inkomen uit het los-samenhangende geheel van maatregelen van mercantilistische strekking: tolgeleden, belastingen enz, maar ook de opbrengsten van zijn domeinen. Hendrik VIII had maar kort plezier van de door hem in beslag genomen kloostergronden, al snel moest hij deze door geldgebrek van de hand doen.
Al bij al kreeg de wereldlijke overheid in de 16e eeuw meer bemoeienis met de maatschappij, maar ze stond er nog niet boven. Conflicten kregen meer aandacht dan de opbouw van een bruikbaar bestuurlijk bestel. Aan de hoven ontstonden soms hoffacties, en de vorsten reageerden daar soms zo grillig op dat hun eigen positie in gevaar kwam.
De keizer verkeerde daarbij in een benarder positie dan andere heersers:
Toch golden de keizers als de machtigste van de heersers. In 1555, toen Karel V de macht overdroeg, splitste de dynastie in twee takken: de Duitse en de Spaanse, die al snel het machtigste bleek.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
Correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
Ira van Montfoort (2002)