Leereenheid 4 - Ontdekkingen en Europese expansie

1. Historiografische inleiding

Het standpunt van historici ten opzichte van de ontdekkingen en expansie is verschoven van het zien als deel van hun eigen nationale geschiedenis (fase 1), naar het zien als koloniale geschiedenis (fase 2). William R. Shepherd (Amerikaan) introduceert in 1919 de term Europese expansie. Daarmee wil hij aangeven dat de overzeese expansie als één proces van Europese instituties, technieken en ideeën gezien kan worden, leidend tot een verwesterde wereld (fase 3). Sinds WO II deelt men over het algemeen zijn visie. Vandaag is de term Europese expansie algemeen aanvaard in de historiografie. De overzeese expansie wordt vanuit vergelijkend perspectief bestudeerd met meer aandacht aan de reacties van de inheemse bevolking (fase 4). Dit levert problemen op omdat men niet alleen op de hoogte moet zijn van de geschiedenis en taal van het land dat koloniseerde, maar ook van de geschiedenis en taal van de vroegere kolonie.

Het wereldbeeld van de Europeaan wordt tot eind 15e eeuw in cultureel opzicht vooral bepaald door de Grieks-Romeinse oudheid en de joods-christelijke traditie. Kennis van andere culturen vooral via oorlogen en handelscontacten (zijderoute). Vanaf eind 15e eeuw ontdekking en expansie mogelijk door technische en wetenschappelijke ontwikkelingen, de Europeanen gingen de zeeën op. Er werd een brug geslagen tussen de beschavingen van Europa, Afrika, Azië en Amerika. Europa werd politiek, economisch, cultureel en technisch wereldleider. Hiermee begon een verschuiving in de verhouding van Europa tot de rest van de wereld en het eigen verleden:


2. Ideeën en hulpmiddelen aan het begin van de nieuwe tijd

Geografische kennis tot aan het begin van de ontdekkingsreizen berust op de Inzichten van Aristoteles en Ptolemaeus. Aristoteles gaat uit van en ronde aarde met één grote landmassa, de oikoumenè of bewoonde wereld. Verder meende hij dat de landmassa minstens 51% van het aardoppervlak bedekt, en dat zijn beschaving zich in het westelijk randgebied bevond. Zijn ideeën werden door de middeleeuwse geograaf Pierre d'Allay grondig bewerkt. Zijn werken beïnvloedden Columbus. In 1410 kreeg men beschikking over de meest uitvoerige bron van geografische kennis uit de oudheid: Ptolemaeus had in de 2e eeuw na Chr. met de Geographia een synthese gemaakt van de kennis van eerdere geografen. Voor zijn wereldkaart gebruikte hij de indeling in 360 graden van Hipparchus. Hierbij gaf hij de blunder van een vroegere kopiist door, waardoor men aannam dat de omtrek van de aarde 1/3 kleiner was dan deze werkelijk is. Zo kwam de oostgrens van oikoumenè erg dicht bij de westgrens te liggen.

Die grote landmassa was wel bekend, tijdens de oudheid verkende men India, en kooplui gingen via de Rode zee. In de 14e eeuw ondernam Marco Polo Tochten naar China. Deze kennis werd verder aangevuld met de ervaringen van reizigers die Azië bereisden (Alexander de Grote, de Polo’s, kooplui). Afrika bleef echter grotendeels (met uitzondering van een deel van de oostkust) onbekend en men was zich helemaal niet bewust van het bestaan van het Amerikaanse continent. De ontsluiting van Zuid-Azië werd bemoeilijk doordat de islam de heersende godsdienst was. Christenen mochten niet over land reizen. Contact diende over zee te worden gelegd. In de late Middeleeuwen kreeg men beschikking over de benodigde technieken en hulpmiddelen:

3. De uitgangspunten voor de expansie

De Portugese verovering van Ceuta kan niet worden beschouwd als de eerste poging om voor eigen land overzees gebied te veroveren. Reeds voor de kruistochten hadden de Venetianen en de Genuezen reeds factorijen of handelsposten opgezet en in stand gehouden in de Levant en op de kusten van de Zwarte Zee. Daaruit blijkt wel dat de expansiedrang er al was voor Spanje en Portugal de eerste Europese rijken stichtten.

De Iberische koloniale rijken danken hun ontstaat aan militaire activiteiten, en niet zozeer aan de traditie van koopmanschap. De expansie was een voorzetting van de Reconquista; de verdrijving van de islamitische invallers van het Iberisch Schiereiland. De Reconquista start in 711 met de aankomst van de Arabieren en bekeerde Afrikanen in Spanje en eindigt met de overgave van Granada aan Ferdinand en Isabella in 1492. Al rond 1030 ontworstelt Portugal zich aan de Moorse overheersing en wordt zelfstandig. In Spanje en Portugal worden militairen geen adel-imitators, zij waren gewend aan een leven van verovering en buit maken ten koste van ongelovigen. Het was een kruistocht voor het geloof.

Ceuta had een beperkte maritieme betekenis, toch ging men de kust snel met schepen exploreren. De Portugezen trokken zuidwaarts onder leiding van Prins Hendrik, waarschijnlijk in opdracht van de koning. Men ontdekte onbekende eilanden (Madeira 1418), en rijkdom in de vorm van goud en slaven. Hendriks neef, Johan II, neemt deze tochten geheel onder gezag van de kroon. Onbewoonde eilanden werden in leen uitbesteed aan donatórios (ontwikkelaars), maar het profijt op goud en slaven bleef in handen van de kroon. In 1486 ontdekte Bartholomeus Diaz Kaap de goede hoop. De weg naar India lag open.


4 en 5. Castilië komt in het spel. Ontdekking en verwarring

Inter caetera; Demarcatielijn:

De kustverkenningen brachten Portugal meermaals in conflict met Castilië (Canarische eilanden, beiden aanspraak). Portugal en Castilië hadden een haat-liefde verhouding. De Spanjaarden volgden de Portugezen langst de kusten van Afrika, zodra de Portugezen weg waren, stroopten de Spanjaarden de boel. De Portugezen hadden van de Paus vanaf 1455 bullen verkregen die hun acties rechtvaardigden, daar stond in dat zij de inboorlingen wilden bekeren. Columbus had het plan voor zijn toch naar de West al eerder voorgelegd aan Johan II van Portugal. Ferdinand en Isabella hadden er wel oren naar. Columbus kreeg titels en volmachten, maar geen geld. In 1493 ontdekte Columbus land. (Pas in 1500 bedacht Amerigo Vespucci dat het nieuw land moest zijn. Een cartograaf gaf het nieuwe land zijn naam). Johan II beschuldigde Castilië ervan door zijn Afrikaanse zeeën te zijn gevaren. Beide landen wendden zich tot de paus voor een uitspraak. Daarop vaardigde de paus de Demarcatiebul (Inter Caetera, 1493) uit die een denkbeeldige lijn trok tussen de twee polen van de aarde om de veroveringen van de twee concurrenten af te bakenen. De betrokken partijen moesten er zich wel toe verbinden om de bewoners van de nieuwe wereld te bekeren tot het christendom.

In het Verdrag van Tordesillas (2 juli 1494) wordt de demarcatielijn bijgesteld. Deze opdeling van de wereld was van bij het begin een omstreden kwestie omdat andere mogendheden (Engeland en Frankrijk) zich vragen stelden bij de reële waarde van deze toewijzing. Hendrik VII keerde terug toen de katholieke koningen protesteerden na zijn vermeende ontdekking van Newfoundland. Het huwelijk van zijn zoon Arthur en hun dochter was nog niet gesloten. Koning Frans I (Frankrijk) dreef er echter openlijk de spot mee. De theologen van die tijd verdedigden deze houding echter met de argumenten dat: De Res Publica Christiana hooggehouden moest worden, en dat de paus het recht had om het vruchtgebruik over heidense streken toe te wijzen. Als de humane verkondigers hun plicht zouden verzaken, zouden hun aanspraken vervallen. Er ontstond wrijving tussen koning en clerus enerzijds, en ontdekkers anderzijds, omdat de ontdekkers zich hier weinig van aantrokken.

6. Snelle voortgang van de ontdekking van de wereld

De Portugese troon financierde reizen en de Spaanse gaf machtigingen aan private ondernemingen. Na enkele decennia was het meeste land op aarde ontdekt. De harde en gelovige Iberiërs konden elke vijand aan. De Portugezen bereikten kort na 1540 Japan. De Spanjaarden veroverden Mexico (1521) en Peru (1532), en ontdekten de route tussen Florida en Mexico. Paraguay en Colombia werd gesticht, ze voeren de Amazone af en drongen door in het gebied van de huidige VS. De grootste zeereis werd in 1521-1522 gemaakt door de Portugese Magelhaen, die de aarde omzeilde, in opdracht van Karel V!. Er begon een nieuwe discussie over de Tordesillas-lijn, want hij kwam via de Filippijnen (waar de Spanjaarden meteen aanspraak op maakten), die aan Portugese kant lagen. Portugal maakte kort daarna aanspraak op Brazilië.

In de nieuwe wereld woonden weinig mensen, die met eenvoudige middelen leefden. De Iberiërs trokken er in groten getale heen als veroveraars en landverhuizers. In Azië woonden grote bevolkingsconcentraties, die er een geraffineerde levenswijze op na hielden. Iberisch voordeel was de superieure zeemacht. Men vestigde zich in strategisch of zakelijk interessante plaatsen. In Afrika bleef men aan de kust, door het klimaat en kans op besmetting in het binnenland.

7. Frankrijk en Engeland

Pas eerste helft 16e eeuw raakte Frankrijk geïnteresseerd in zeevaart. Frans I zond de cartograaf Giovanni da Verrazano uit met de bedoeling een noordwestelijke doorvaart naar het Oosten te vinden. Als deze er was, lag de route naar het verre Oosten open, en wilde hij het door de paus uitgevaardigde Inter Caetera ter discussie stellen. Al voor 1520 namen de Fransen deel aan de handel op Afrika, en een franse kaper maakte de hoofdtooi van Moctezuma (kadootje voor Karel V) buit. De tochten van de Fransen leverden vooralsnog geen gebiedsuitbreiding op. Ze deden wat pogingen op al door Portugal en Spanje veroverd gebied, maar dit leverde niets op.

De Engelsen raakten pas vanaf 1560 betrokken bij de zeevaart. Zij zochten een noordoostelijke doorvaart. De Engelsen hadden geen respect voor de demarcatielijnen. Ze haalden slaven uit Portugees gebied, en verkochten deze in Spaans Amerika. Toen Hawkins en Drake door een commandant van de zilvervloot op gewelddadige wijze uit Mexico werden verjaagd, deden zij, met beperkte steun van Elisabeth, Spanje een privé-oorlog aan. Drake legde Nombre de Dios in de as, en deed in 1577 de tocht van Magelhaen over. Hij maakte in Zuid-Amerika nog zilverschepen buit. Hij leverde de grootste persoonlijke bijdrage aan de Engelse vijandschap jegens Spanje. De Engelsen combineerden ontdekkingstochten met piraterij, vooral gericht tegen Spanje.

8. De koloniale bestuursstelsels van de Iberiërs

In 1580 werd Filips II van Spanje tevens Filips I van Portugal, na die tijd werd ontwikkelde het koloniale bestuur van beide gebieden zich nog meer langs dezelfde lijnen. Spaanse bestuursinstellingen als de residencia, belast met rechterlijk toezicht op de ambten, werden ook in de Portugese gebieden ingevoerd.

In 1509 aanvaardde Albuquerque zijn ambt als leider over Portugees Azië. Hij veroverde de strategische punten Goa in westelijk India, Ormuz aan de Perzische golf, en Malakka. Van hieruit beïnvloedde Portugal de handel in specerijen van Arabieren en Indiërs. Deze handel concentreerde in de Perzische golf en de Rode zee, de toevoerroutes naar de Middellandse zee. De Portugezen gingen tol heffen op passerende schepen. De heerschappij van de zee lag bij de koning van Portugal. In de praktijk kreeg hij alleen de inkomsten uit het specerijenmonopolie, de tolafdrachten waren nodig om de administratie, met als centrum Goa, te kunnen onderhouden. Onder Goa vielen forten, die verspreid lagen over een groot gebied. Het bestuur van elk fort was bescheiden van opzet: een onderkoning met ondergeschikten, met een ambtstermijn van drie jaar, meestal met militaire achtergrond. Zij hadden weer eigen ondergeschikten. Voorst was er in Lissabon de Casa de India, een organisatie voor het heffen van in- en uitgaande rechten, gekoppeld aan het overheidsbedrijf dat schepen gereed maakte voor vaart op de koloniën. Daarnaast was er het systeem van handelsposten (feitoras) overzee, gerund door de feitor. Inboorlingen leefden onder hun eigen hoofden en naar eigen wetten.

Het Spaanse rijk was in het leven geroepen door een stelsel van vergunningen, door de koning verstrekt. Zo'n vergunning heette Caputilacion de adelantado: onderwerp het zelf en bestuur het daarna. Toch kwam veel veroverd gebied in koningshanden terecht. Veel veroveraars (Columbus) waren als bestuurder niet te handhaven, en werden vervangen door een administratie met koninklijke gouverneurs, later onderkoningen. Spaans Amerika had een ingewikkelder bestuur, omdat het bestuur bemoeienis had met de velen inheemsen, de gemengde bevolking en de kolonisten. Onder de twee onderkoningen in Lima en Mexico Stad stond een ingewikkeld bestuursapparaat. Er waren streekgouverneurs voor platteland en stad, en cabildos of stadsraden. Vaak deed men een beroep op hogere organen, de audiencias, die een administratieve en rechtsprekende taak hadden. Soms bestuurden ze een gebied op eigen kracht.

Veel institutionele trekjes van het Spaanse imperium waren ontleend aan praktijken die hun oorsprong hadden in de Reconquista. De vergunningen waren ontleend aan soortgelijke afspraken die in de Middeleeuwen werden gemaakt met landheren in het grensgebied met de Islam. Cabildos waren gemodelleerd naar de stadsraden in Castilië, opgericht door nieuwkomers in dit gebied. En encomienda (toewijzing van dorpen en hun arbeidskracht aan conquistadores) gebeurde tijdens de reconquista ook. De instelling Casa da Contractación, gevestigd in Sevilla, was overgenomen van de Portugese Casa.

De Portugese kroon kreeg inkomsten uit specerijen, de Spaanse uit zilver. Mexico en Peru brachten flink op, en volgens het Romeins recht waren bodemschatten voor de regering. In de praktijk werkten mijnexploitanten met vergunning, en behielden zij 80% van de winst. De quinto real, bleef de grondslag voor het koninklijke inkomen gedurende 300 jaar. Totaal zou dit nooit meer worden dan ¼ van de Spaans-Euopese inkomsten, maar het was wel zuiver inkomen. Alleen de haven van Sevilla mocht zakelijk contact met de overzeese gebieden hebben, georganiseerd door de paar firma's met vergunning. Alle scheepvaart betaalde belasting om de escortering van de zilvervloten mee te betalen. Het lukte maar één keer om een zilvervloot te veroveren, Piet Heyn in 1628.

Het Portugese bestuur van Brazilië zag er anders uit: de kustlijn was verdeeld in stukken van 50 mijl. In 1533 werden deze, met achterliggend land, in beheer gegeven aan particulieren (donatorios of capitaes gerais), die hiervoor commerciële en bestuurlijke privileges ontvingen. In 1549 werd er een gouverneur-generaal benoemd, omdat de kroon reden had voor bezorgdheid. De gebieden werden soms slecht tot ontwikkeling gebracht, dit zou kunnen leiden tot verbrokkeling van het koloniale rijk. Van Madeira uit werd suikerriet naar Brazilië verscheept, dit drukte een stempel op de economie aldaar. Er was mankracht (slaven) voor nodig, men gaf in toenemende mate de voorkeur aan negers. De Braziliaanse economie kreeg hierdoor een bijzondere relatie met de Portugese slavenhandel in Afrika.

Beide kronen namen de bul Inter caetera zeer serieus. De missionaire activiteit was een heilige plicht. De meeste kolonisten vonden het echter niet bezwaarlijk de inheemsen tot slavernij te brengen en dit zo te laten. De Portugese kroon, gewend aan deze praktijken in Afrika, liet het vaak zo. Koningin Isabella maakte echter van het begin af duidelijk dat inheemsen niet als slaven behandeld mochten worden. Zij had het encomienda-systeem ingesteld zodat de Indianen, door contact met Christenen tot het Christendom bekeerd zouden worden. Het financiële voordeel was natuurlijk meegenomen. Het encomienda-systeem zorgde echter voor schrijnende wantoestanden (zwarte legende), en werd na 1542 geleidelijk afgeschaft. Maar ook daarna hadden pleitbezorgers voor de Indiaase zaak een hard gevecht te leveren tegen de kolonisten.

9. De neergang van de Iberische koloniën

Het Portugese rijk in Azië kon zich handhaven totdat andere Europese machten vanuit zee forten en schepen gingen aanvallen. Ook lijkt het erop dat onderkoningen en andere functionarissen eigen zakken vulden. Er waren ook te weinig Portugezen (10.000, volgens Boxer) om dit grote land te kunnen behouden.

De relatie tussen Portugal en Noord-Europa was altijd goed geweest, tot Filips II in 1580 in Portugal aan de macht kwam. De handel in specerijen enz. werd geblokkeerd. In 1595 en 1598 gingen Engelsen en Nederlanders op onderzoek uit in het Oosten. De Portugezen konden hen niet tegenhouden. Portugal liet enkele staaltjes van wreedheid zien, wat de verstandhouding niet verbeterde, men raakte verbitterd, en de oorlog om de koloniën begon. Tegen midden 17e eeuw waren de Nederlanders in het gebied oppermachtig, op een paar minderwaardige posten van de Portugezen na. In Brazilië en Afrika sloegen de Portugezen met kracht van zich af.

De neergang van de Spaanse koloniën had meer te maken met intern beleid. Deze koloniën lagen zo ver van de kust, dat aanval van zeezijde weinig uithaalde. Wat wel gebeurde, is dat men in deze koloniën al gauw niet meer afhankelijk was van het moederland. De vraag naar import uit Spanje daalde, en ambtenaren wendden zich van Filips II af. Arbeiders werkten in fabriekjes, de goederen werden verkocht ten gunste van de gouverneur.

Al met al is het wel zo dat het verdrag van Tordesillas een van de hoekstenen is geworden waarop men het gebouw van de moderne wereld heeft opgetrokken.


| Index | Geschiedenis | Ancien Régime 1 | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Ira van Montfoort (2002)