Leereenheid 5 – De kerkhervorming
1. Historiografische inleiding
De Reformatie was een revolutionaire explosie, die zich ook op het terrein van de cultuurgeschiedenis en de sociaal-economische geschiedenis bevond. De steden hebben een beslissende rol gespeeld in het hervormingsproces, ze hadden een voorhoedefunctie. Was de hervorming dan, zoals Engels (1850) opmerkte, een burgerlijke revolutie, en waren de conflicten klassenstrijd? In debatten over het gevolg van de reformatie was men het snel eens dat de kracht van de afzonderlijke staten toenam. Het grondbezit van de oude kerk kwam in handen van vorst of adel, de nieuwe kerk had niets. Vorsten maakten uit wat de staatsgodsdienst werd.
De discussie over de gevolgen op economisch gebied verliep moeizamer. Volgens de inmiddels afgewezen stelling van Max Weber, zou het protestantisme de opkomst van het kapitalisme hebben bevorderd. De stelling werd afgewezen na grondig onderzoek. Dit is in de sociaal-economische wetenschap relatief gemakkelijk. Cijfers zijn grijpbare gegevens, en de indeling op de maatschappelijke ladder is vaak ook duidelijk. Moeilijker is het te bepalen wat de betekenis van de religieuze factoren is geweest. De aandacht is verlegd van de oorzaken van de hervorming naar de motieven van de aanhangers, en deze vraag is weer naar voren gekomen. Beantwoording is niet gemakkelijk, maar wel mogelijk.
2. Achtergronden
16e eeuws Europa stond onder grote spanningen. Herordening van de economie, vernieuwingen, kennis over een nieuwe wereld, stijgende prijzen. Oorlogen brachten gruwel en fiscale druk. Op politiek terrein heerste wisselvalligheid. De Franse koning zocht in zijn strijd tegen de roomse keizer nu en dan steun bij de Turken. Karel V had zijn middelen slechter in de hand dan Valois. De afzonderlijke staten wonnen het van de twee machten met universele aanspraken, Karel V en de paus.
Het Babylonische ballingschap (periode van 1309-1376 waarin de pausen na een machtsstrijd met de adel uit Rome, vluchtten en in Avignon verbleven. Ze verkeerden onder de macht van de Franse koning, waardoor ze veel aanzien en gezag in de rest van Europa verloren) en het Westers Schisma (periode tussen 1377-1417 toen er tijdelijk twee, en zelfs drie pausen waren. Eerst een in Avignon, aan het eind van de ballingschap, en een nieuwe in Rome. Gevolg van dit schisma (scheuring in de kerk) was de opkomst van het conciliarisme, de beweging die het gezag van het concilie (vergadering bisschoppen en theologen) boven dat van de paus wilde plaatsen. 1409 kwam het concilie bijeen om het probleem van de twee pausen op te lossen, en ze kozen een nieuwe. De oude pausen erkenden dit niet, en er waren er tijdelijk drie. In 1417 ruimden allen het veld voor Marinus V.) deden afbreuk aan het gezag van Rome. Uiteindelijk werd het concilie niet boven het gezag van de paus geplaatst, maar over hervormingen kon men het niet eens worden.
Pausen sloten concordaten: verdrag tussen heilige stoel en afzonderlijke staat, waarin de betrekkingen over grondgebied worden geregeld. Wie benoemt de bisschop, welke vrijheid hebben geestelijken, belasting op kerkelijke goederen. Toen de macht van de paus tanende was nam die van de vorsten toe. Frankrijk kreeg beslissende invloed op de benoeming van bisschoppen, en kreeg zo een Gallicaanse kerk, die zich van Rome weinig aantrok. Ook in andere landen kreeg de vorst grote invloed op de seculiere geestelijkheid (geestelijken die in de wereld leven, niet behorend tot een orde of congregatie, de bisschoppen en kanunniken.). Toch was men beducht voor pauselijke bemoeienis. Het had weinig invloed maar was wel hinderlijk. De reguliere geestelijkheid (geestelijken die in een orde leven, monniken. De vorsten hadden hierop weinig greep, sommige orden waren alleen verantwoording schuldig aan de paus.), kregen door haar vele bezittingen kritiek, vooral van Erasmus.
De voornaamste kritiek van Erasmus, geuit in Lof der Zotheid was dat geestelijken ongeletterd waren, ze hadden gebrek aan bijbelkennis en waren onwetend. Verder hadden ze een te wereldlijke levenswandel.
Na 1417 was de paus geïnteresseerd in de Renaissancecultuur en het spel om de macht in Italië, en niet in de noden van de kerk en gelovigen en om wat hen buiten Italië nog restte aan geestelijk gezag. In het kerkelijk leven van Europa bloeiden verschillende verschijnselen op, waar Rome niets aan deed omdat de visie ontbrak. De angst voor hekserij, ontstond in de vroegmoderne tijd. In de 15e eeuw ontstonden rechtsvormen, ontleend aan het Romeins recht, om dit aan te pakken. Een pauselijke bul machtigde de inquisitie tot streng optreden, en de Heksenhamer, een geschrift van twee Dominicanen, bood geestelijk en wereldlijk leiders richtlijnen voor de procesvoering. In de angst voor hekserij kwamen allerlei gevoelens van angst en onzekerheid naar voren.
Verder keerden humanisten zich tegen de middeleeuwse scholastiek. Zij zochten, met behulp van de jonge wijsbegeerte en filologie, nieuwe wegen. Geletterdheid was niet meer het monopolie van de clerus. De klachten van de onzeker geworden kudden keerde zich tegen een gebrek aan pastorale zorg, tegen de standsprivileges van de geestelijkheid, haar jacht op beneficia, ambten en inkomsten uit kerkbezit. De geestelijkheid van de oude kerk stond te ver van de noden van haar gelovigen.
3. Luther
31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de deur van de kerk te Wittenberg. Hij wilde uitnodigen tot debat. Volgens Luther stond in Paulus brief aan de Romeinen dat men alleen genade kon vinden door het geloof. Het goede deed men uit barmhartigheid. Het was niet zo dat men gods genade verdiende door goed te doen, maar dat men goed deed doordat men gods genade had. De Dominicaner monnik Tetzel hield gelovigen voor dat zij een aflaat kregen als zij geld gaven voor de bouw van de St. Pieter (in werkelijkheid werd dit geld gebruikt door de aartsbisschop voor het afbetalen van schulden bij de Fuggers). Luther keerde zich tegen de aflaatpraktijk. De kerk en haar dienaren waren niet langer de exclusieve bemiddelaars tussen god en de mens. Hij kon niet inzien wat voor gevolgen zijn stellingen hadden, hij dacht nog dat de paus (oorzaak van veel problemen) de problemen zou kunnen oplossen. De debatten begonnen, en Luther trok zich terug op zijn sterkste stelling, de heilige schrift. Hij plaatste het gezag van de bijbel boven pausen en concilies. Daarom moesten doop en avondmaal blijven, maar konden de overige sacramenten verdwijnen. Ook kloosters en de priesterstand leek overbodig, zelfs de kerk als instituut was niet nodig. Van Sola fide was Luther gekomen bij sola scriptura, dit bracht hem bij het priesterschap voor alle gelovigen. De gelovigen moesten dan wel met de schrift leren omgaan. Luther vertaalde de bijbel. De kerk zou de taak krijgen de mensen het evangelie uit te leggen en ze te leren lezen. In de kerk moesten geestelijken en leken dichter bij elkaar staan, de kerk zou op een school moeten lijken. Zonder hulp van het humanisme lukte dit niet.
De afschaffing van de priesterstand bracht met dat de voorheen gekoesterde mysteriën, zoals de aanwezigheid van Christus temidden van zijn volgelingen tijdens de viering in de eucharistie (transsubstantiatie, aanwezigheid van Christus in brood en wijn) van de hand gewezen werden. De hervormden waren niet eensgezind over de viering van hun avondmaal. Uiteindelijk viel de christenheid uiteen in twee groepen: het katholicisme met sterk oraal-visuele accenten, en het protestantisme met nadruk op een schriftelijk-cerebrale (verstandelijke) benadering van het geloof.
4. Strijd om het voortbestaan van de Reformatie
Het zoeken naar nieuwe wegen en vormen in een zich vernieuwende gemeenschap van gelovigen lijkt een hoogst ideële bezigheid. De ideële sfeer was echter ver te zoeken. Konden keizer en paus met behulp van machtsmiddelen tot volledige onderwerping komen en de hervormingsbeweging vernietigen? De oude kerk had een omvangrijk apparaat en kon gebruiken, belangen en machtsmiddelen mobiliseren. Het netwerk van haar vroegere tegenstanders reikte minder ver. Vorsten en edelen van nu begonnen kerkgoed te seculariseren. De vervolgingsmachine kwam slechts langzaam op gang. Luthers denkbeelden werden, door middel van de drukpers, snel verbreid, en de groep was groot. De pauselijke ban was gevolgd door een rijksban, maar deze had geen effect. Vorsten en steden beschermden de bannelingen. Zij zorgden er ook voor dat Karel V het moeilijk had. Maar door zijn oud en respectabel gezag maakte hij het zijn tegenstanders ook moeilijk. Het probleem was dat hij geen middelen had, en afhankelijk was. Ook het oude conflict met de paus bracht hem ertoe een eigen koers te volgen. Over een algemene kerkvergadering werden paus en keizer het niet eens. Karel had steun nodig voor de strijd tegen de Turken en zijn aanspraken op Milaan. Hij was bereid tot compromissen, en wilde geen concilie dat met Duitse (protestantse) omstandigheden geen rekening hield.
5 en 6. Radicale groepen - De Reformatie krijgt in Duitsland een gevestigd karakter
De tegenstanders van de keizer hadden het ook moeilijk. De vraag naar de toepassing van het evangelie op de gerechtigheid op aarde was onontkoombaar. Een gekerstende wereld moest een afspiegeling van de goddelijke wereld zijn. In de Duitse historiografie wordt de boerenoorlog als belangrijke cesuur in de geschiedenis van de Reformatie beschouwd. Luther bleef in sociaal opzicht conservatief, hij weigerde zijn religieuze hervormingen te vertalen in sociale. De overheid was ingesteld door God en moest worden gehoorzaamd. De boeren in Zuidwest Duitsland kwamen in opstand: als alle mensen in de bijbel gelijk zijn, zijn ze dat ook op aarde. Luther had sympathie, al was hij tegen het geweld en het feit dat zij wereldlijke zaken vermengden met het evangelie. Hij riep vorsten en grootgrondbezitters op concessies te doen. Dit deden ze niet. Hierop verwoestten de boeren kastelen en kloosters en zij vermoordden tegenstanders (volgens het tekstboek bleven de opstanden redelijk vredig). Thomas Munzer spoorde de boeren als een profeet aan. Luther reageerde verbitterd. Hij spoorde de vorsten aan de opstand neer te slaan, wat gebeurde.
Geschrokken herformuleerde hij zijn theologische denkbeelden. Vroeger legde hij er de nadruk op dat individuen zelf mochten oordelen in religieuze situaties, bijvoorbeeld de keuze van een predikant, nu maakte hij meer plaats voor de geestelijkheid. Ook zocht hij toenadering tot de overheid, hierdoor ontstonden er Lutherse landkerken die bijna volledig onder leiding van de landsvorst kwamen te staan. Geestelijken werden door vorsten en landsheren aangesteld.
Zwingli, een van de eerste reformateurs had wel begrip voor de sociaal-economische perspectieven. Zijn theorie heeft echter een beperkte reikwijdte gekregen: delen van Zwitserland en Zuid-Duitsland. Andere bewegingen, meer radicaal, volgden op de boerenoorlog. Munzer richtte zich op de armen. Daarna kregen de anabaptisten (wederdopers, tegen kinderdoop) aanhang onder ambachtslieden in de Nederlanden en het Westen van Duitsland. Het chiliasme speelde hierin een grote rol. Het koninkrijk Sion ging bloedig ten onder. Rustiger groepen wederdopers bleven over. Deze doopsgezinden heten Mennonieten naar Menno Simons. Later zijn ze wat meer verbreid geraakt. Kenmerken: wereldverzaking, afkeer leerstellingen, weigering wapens te dragen.
De protestbewegingen mislukten door gebrek aan leiding en sociale basis. Hun optreden en nederlaag schokten overige protestanten. De Duitse steden lukte het niet langer om tegen de keizerlijke en katholieke tegenstand op te treden. Ze waren gevoelig voor de economie en afhankelijk van het hen omringende platteland. De vorsten namen de leiding van de reformatie over. Er vormden zich landskerken in de afzonderlijke staatjes. In 1555, bij de godsdienstvrede van augsburg, werd besloten het beginsel cius regio, eius religio in te voeren. Dit bepaalt dat de vorst de religie van de onderdanen mocht bepalen. Onderdanen die dit niet willen, kunnen zich elders vestigen. Er kwam een formeel einde aan de eenheid van het Duitse rijk. Politieke versplintering, vorst bepaalde godsdienst, niet keizer, en het religieuze schisma werd geaccepteerd.
7. Calvijn
De hervormingsbeweging in Duitsland had in de loop van de jaren dertig aan kracht ingeboet. Toen begon het pas in de andere landen. Calvijn, na zijn juridisch-humanistische scholing in Geneve beland, schreef het boek Christianae religionis institutio (onderwijzing in de christelijke godsdienst). Aan de universiteit van Geneve studeerden veel buitenlandse studenten. Calvijns strijdbare en behoedzame opstelling maakte zijn protestantisme lange tijd tot actieve voorhoede tegenover de wereldlijke overheid. In Geneve bracht hij een taakafbakening tussen kerk en wereldlijk gezag tot stand die niet al te veel wrijving veroorzaakte. De voornaamste verschillen tussen Calvijn en Luther betreffen de verhouding tussen mens en god en tussen kerk en wereldlijke overheid. Bij Luther staan de verlossing en eigen verantwoording meer centraal, Calvijn legt de nadruk op zondigheid en de nietigheid van de mens tegenover gods almacht. Luther acht de kerk ondergeschikt aan wereldlijk bestuur, Calvijn meent dat in geval van conflict de wereldlijke autoriteit zich dient te onderwerpen aan de kerk. De Lutherse kerk bleef onder bisschoppelijk gezag, in de Calvinistische kerk was elke gemeente zelfstandig en werd een meer democratische, presbytiaanse bestuursvorm ingevoerd, waarin vertegenwoordigers van de gemeente zitting hadden. Toch heeft Calvijn dit systeem niet willen exporteren. Hij sprak zich nooit uit tegen de episcopale kerkorganisatie, het bisschoppelijke kerkbestuur.
In Calvijns Institutio staat niet de verlossing van de mens, maar de alomtegenwoordigheid van God centraal. God kan slechts gekend worden als men Christus begrijpt. De mens kan god eren door zijn werk, door eenvoud en soberheid en door zijn naasten bij te staan. Hij verkondigde ook de predestinatieleer: uitverkorenen zijn tot geloof gekomen door Gods genade, niet door verdienste van henzelf. Toch vond hij dit geen reden tot verkettering. Dit is een mild beeld van Calvijn, wat door de latere interpretaties van Calvinisten is vertroebeld. (volgens het werkboek was Calvijn minder mild dan in het tekstboek wordt geschetst!) Hij was zelf geen Calvinist in de latere zin van het woord. Het Calvinisme van de 16e eeuw stond niet afwijzend tegenover andersdenkenden, de eis van soberheid leidde niet tot cultuurvijandigheid, van fundamentalisme (afwijzen kritiek op bijbeltekst) was geen sprake en kerkelijke tucht werd niet gehanteerd als sluitstuk van sociale controle. Het calvinisme was een nuchtere vorm van protestantisme, tegen wereldlijke betutteling. Ook zij zagen de kracht in scholing van gelovigen, en werkten dus samen met de humanisten.
8 en 9. Engeland en Schotland
De samenwerking tussen humanisme en kerk vond ook in Engeland en Schotland, toen nog gescheiden koninkrijken, plaats. In Engeland verbrak de Tudor-koning Hendrik VIII de band met Rome toen de paus zijn huwelijk niet wilde ontbinden. De koning nam de leiding van de kerk op zich, maar omdat hij al veel invloed op de kerk had was dit geen grote stap. Landgoederen van kloosters werden in beslag genomen, en kort daarna verkocht om schulden ontstaan door oorlogen af te lossen. De protestantse invloed van het continent werd onder Eduard VI merkbaar. Tijdens de regering van Maria Tudor, zijn zuster die was gehuwd met Filips II, kwam er een katholieke reactie. Velen ontvluchten het land, vaak richting Geneve. Tijdens de regering van Elisabeth Tudor werd het moeilijk om in de Anglicaanse kerk Calvinistische en niet-calvinistische invloeden te onderscheiden. De kerk bleef onder bisschoppelijk bestuur, en de eredienst herinnerde aan het katholicisme. Sommige bisschoppen hingen een calvinistische theologie aan, en in Cambridge werden calvinistische theologen opgeleid, die konden werken in kerken die vielen onder calvinistische edelen. Zij legden zich toe op prediking en instructie van leken. Ze werkten in de richting van protestantisering van de Engelse kerk. De koningin probeerde de Calvinistische invloed in te dammen.
In Schotland heerste de Stuart-dynastie al geruime tijd. De Schotten hadden een verbond met Frankrijk. In 1560 keerde Maria Stuart, weduwe van een Franse koning, terug. Er ontstond een reactie met een calvinistische karakter tegen de afhankelijkheid van Frankrijk en de verbondenheid van kerk en kroon. In Schotland waren er nog grote contrasten, de Keltische hooglanden met een weinig ontwikkelde bevolking, militair georganiseerd onder clanhoofden en met een eigen taal, en het zuiden dat verengelst was. In enkele steden begon een cultuurleven op te bloeien, in humanistische geest. Het zou moeilijk worden de gehele bevolking mee te krijgen in een protestantisering die met onderwijzing hand in hand moest gaan. De Schotten richtten zich op het Calvinisme. De taalverschillen, de confiscatie van kerkelijk grondbezit en het beleid van de kroon werkte verstorend. Maria Stuart was katholiek gebleven. Zij stortte zich in onbezonnen avonturen en werd terecht gesteld. Haar zoon Jacobus I, opgevoed door protestanten, wilde de episcopale kerkvorm handhaven, omdat de bisschoppen hem steunden in het parlement. Hij werd in 1603 de eerste Stuart-koning van Engeland, en wilde beide kerken niet verder uiteen laten groeien dan noodzakelijk. In zowel Duitsland als Engeland werden kerkhervormingen van bovenaf opgelegd, maar in Duitsland stopte de ontwikkelingen al snel, terwijl in Engeland binnen de kerk verschillende stromingen bleven en de discussie voortging.
10. Katholieke Reformatie
De hervormingen binnen de katholieke kerk waren al lang op gang gekomen. De katholieke Reformatie (hervorming vanuit de kerk zelf) raakte verweven met de contrareformatie (hervorming als reactie op het protestantisme): ze kreeg een impuls omdat ze zich na 1520 moest afzetten tegen het protestantisme. De contrareformatie was een streven naar innerlijke zuivering en reorganisatie van de kerk. Er kwam hervorming van de inquisitie, een nieuwe versie van de catechismus, het brevier en de mis, en een nieuwe uitgave van de Latijnse bijbelvertaling, de Vulgaat. Loyola richtte de Jezuïetenorde op. De Jezuïeten kregen, als biechtvaders van vorsten en missionarissen, grote invloed. Zij zorgden ook voor onderwijs, maar niet teveel want leken mochten niet te zelfstandig worden. Tijdens het Concilie van Trente (1546-1563) fundamentele hervorming van de katholieke leer en reorganisatie van de kerk tot stand. Bijbel en kerktraditie bleven gezaghebbend, het pauselijk gezag werd beklemtoond ten koste van bisschoppen en concilie. In geloofsdecreten werden de verschillen met het protestantisme vastgelegd: Het was nu duidelijk dat katholiek en protestant het oneens waren over kerkgezag, goede werken en sacramenten. De hervormingsdecreten betroffen reorganisatie van de kloosterorden, strengere bepalingen omtrent opleiding van priesters, plichten en celibaat van de geestelijkheid, afschaffing misbruik als aflatenhandel en prebenden (kerkelijke ambten). Religieuze kunst werd aan regels gebonden, en de Index werd ingevoerd. Toch werd het katholieke geloofsleven moderner, persoonlijker en redelijker, al bleef er veel ruimte voor bewogenheid en innigheid, wat ook bleek uit de kunst tijdens de barok. Protestanten waren het onderling niet overal over eens, maar wel waren zij allen tegen het pauselijk gezag en de predestinatie en de leer der transsubstantiatie.
11. Krachtverhoudingen omstreeks 1600
De grenzen tussen rooms en onrooms waren scherp getrokken:
De wisselvalligheid van de politiek bleef van belang voor de afloop van de krachtmeting. Midden 17e eeuw leidde dit tot godsdienstoorlogen.
12. Conclusies en gevolgen
Was de reformatie een burgerlijke revolutie? De steden zijn belangrijk geweest, maar konden niet op tegen vorsten en aristocratische allure. De hervorming richtte zich ook niet in het bijzonder op de burgerij, en alleen tussen 1525-1533 was er sprake van een klassenstrijdaspect. Tegen de stelling van Weber, dat het calvinisme (hard werken, sober leven) de kapitaalopeenhoping bevorderd zou hebben, is het volgende in te brengen:
Sociale en economische aspecten zijn wel degelijk van belang geweest. In protestantse streken voltrok zich herverdeling van land, ten gunste van de adel. Daardoor is de protestantse kerk nooit zo machtig geworden. Theocratische idealen van protestanten zorgden ervoor dat zij geen wereldlijke macht ambieerden. Zij zochten een taakverdeling tussen kerk en staat, wat vaak problemen opleverde. Protestanten verdwenen uit wereldlijke-politieke functies. Ook had de protestantse kerk geen controle over de universiteiten. Vrijheid van geweten werd op sommige plaatsen geproclameerd. Dit betekende niet godsdienstvrijheid of tolerantie. Cuius regio, eius religio was wel moeilijk toe te passen in het pluriforme Europa. Minderheden konden uitwijken naar een minder streng land. In hoofdzaak bestond die pluriformiteit toch uit de tweedeling protestantisme – katholicisme. Protestanten bleven achter op de katholieken voor wat betreft een begrafenisritueel. Ook hekserij verwierpen ze evenmin als de katholieken.
Een van de positieve gevolgen voor de protestantse landen was de vooruitgang in scholing, en verder heeft het samenspel van reformatie en humanisme gezorgd voor armenzorg. Nieuwe opvattingen over goede werken heeft geleid tot het verdwijnen van bedelaars uit het straatbeeld. Voor echte strijd tegen armoede bestonden echter nog geen instanties.