Leereenheid 7 – De dertigjarig oorlog
1. Historiografische inleiding
Volgens de Duitse geschiedschrijvers is de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) die met de Praagse Fenstersturz begon, een ramp geweest voor de ontwikkeling van het Duitse rijk. De keizer moest belangrijke concessies doen aan de particulariserende wensen van de grote vorstenfamilies, het werd onmogelijk het bestuur van het rijk te centraliseren en een eenheidsstaat te vormen. Ook groepen als de vrije rijkssteden, kleine vorsten en ridders verwierven privileges. Duitsland werd een verbrokkeld geheel dat aansluiting aan de westerse ontwikkelingen verloor. Ondanks dat bij deze conclusies door recent onderzoek vraagtekens geplaatst kunnen worden, blijft dit in Duitse handboeken de heersende opvatting. Waren die vorsten echt zo particularistisch? En volgens publicaties uit het buitenland was de oorlog een Europees conflict. In Duitsland lukte het niet goed het ruimere kader in de gaten te houden.
Ook over de economische gevolgen van de oorlog is men het niet eens. Op grond van historische gegevens uit de literaire overlevering, de Simplicissimus van Von Grimmelshausen en diverse kronieken en gegevens over belastingen, had de Duitse welvaart een knauw gekregen. Hierdoor nam de bevolking af, en liep het culturele leven terug. Frankrijk nam de leidende rol in Europa op zich, dramatisch voor de Duitsers natuurlijk. Modern statistisch onderzoek leidde er toe dat er vraagtekens bij de eerdere uitkomsten geplaatst worden. De achteruitgang begon eerder, en hing samen met verschuivingen, zoals de verlegging van handelsactiviteiten naar de kusten van de Atlantische Oceaan. De Duitse doorvoerhandel ging achteruit. De daling op de Duitse markt werd gecompenseerd door intensiever gebruik van landbouwgronden, productie van artikelen voor vorstenhoven en toelevering oorlogsmateriaal voor de oorlogen tegen de Turken. Oude centra gingen neer, terwijl nieuwe opkwamen.
Omdat de meeste conflicten tijdens deze oorlog in Duitsland plaatsvonden is daar het historische onderzoek het eerst op gang gekomen. Maar vooral in de 20e eeuw hebben ook historici van elders zich erover gebogen. De Engelse historica Miss Wedgwood ziet deze oorlog als zinloze en heilloze onderneming. Volgens haar was het enige resultaat dat de Spaanse overmacht werd vervangen door de Franse. Dit boek verscheen in 1938, toen de vrede weer op het spel stond en Tsjechië weer inzet was. (Hitler wond zich op over de eerdere nederlagen van Duitsland.) Ook later is men de dertigjarige oorlog in een ruimer kader gaan bezien. Het was, anders dan de eerdere godsdienstoorlogen, wel degelijk een Europese oorlog. Enkele belangrijke gebeurtenissen die tot beeïndiging van de strijd hebben geleid vonden buiten Duitsland plaats: tegenslagen en nederlagen die de Spaanse monarchie troffen. De vredes van Münster en Osnabrück hebben echter niet geleid tot onmiddellijke vestiging van de Franse hegemonie in Europa. Wel kan de dertigjarige oorlog worden gezien als afsluiting van de periode van de godsdienstoorlogen. Deze oorlog had nog religieuze achtergronden, en had deels het karakter van een godsdienststrijd, maar de vrede van Westfalen in 1648 maakte aan de meeste conflicten een eind: de religieuze verdeeldheid zou worden geaccepteerd en zouden een ondergeschikte rol gaan spelen in het internationale diplomatieke verkeer. Het betekende dus wel degelijk een belangrijke ommekeer in de geschiedenis, en de afsluiting van een periode.
2. De Duitse verhoudingen
De keizers uit het huis Habsburg waren afhankelijk van de 7 keurvorsten voor hun verkiezing. Hiervan waren er 4 katholiek en 3 protestants, een krappe meerderheid dus. Veel van deze vorsten namen in het rijk belangrijke taken 'belangenloos' waar. Zij bemiddelden bijvoorbeeld achter de schermen van de Rijksdag, de conferentie van alle reichsunmittelbare grootheden: steden, vorsten en ridders. In ruil hiervoor verwachtten zij van de keizer dat hij hun dynastieke en territiorale belangen zou behartigen.
3. Het voorspel van de oorlog
Bohemen nae binnen het Duitste rijk een aparte positie in. Al in 1512 wisten de Hussieten verschillende rechten af te dwingen. De meesten van hen werden in de 16e euw Calvinist of Lutheraan, maar de rechten wilden zij houden. De relatie met de adel en keizer was gespannen. In 1609 gaf keizer Rudolf II de Bohemen dmv de majesteitsbrief vrijheid van geloof. De Bohemen hielden zich echter niet aan de overige bepalingen in de brief, en in 1618 begon de Boheemse opstand, het begin van de Dertigjarige oorlog. Er waren nog meer factoren verantwoordelijk hiervoor:
Tijdens Rudolf II (1573-1612)kwam er een einde aan de samenwerking tussen keizer en vorstenfamilies. Hij creëerde een hof, en trok zich terug met kunstnaars, juristen en geleerden, die hem in een keizercultus tot symbool van de rijkseenheid verhieven. De Duitse vorsten lieten hem krankzinnig verklaren, en herwonnen hun machtspositie. Broer Matthias volgde hem op. Men begon met de teruggave van geseculeerd grondgebied. Het terugwinnen van het vertrouwen van de vorsten was belangrijker. Matthias stierf in 1619 zonder nakomelingen, en Ferdinand van Stiermarken werd keizer in 1618. Hij was omringd door Jezuïten, en wilde de eerder aan de Bohemen aangeboden compromissen niet naleven. Hij wilde, dmv steun uit Spanje, de contrareformatie laten zegevieren. Ten onrechte geseculeerd gebied moest rap terug. Het evenwicht dreigde weer verstoord te raken.
De Bohemen, Calvinist, zij stonden in het Rijk nog buitenspel, kwamen in verzet. Tijdens de Fenstersturz smeten zij keizerlijke gezanten uit het raam. Ferdinand deed hen in de ban, en zij kozen de keurvorst van de Pals, Calvinist, tot koning van Bohemen. Ferdinand maakte de hertog van Beieren leider van de oorlog tegen de Bohemers. Hij versloeg hen in 1620 in de slag bij de Witte Berg. Ze onderwierpen zich, maar de keizer stelde een aantal terecht, en verbande anderen. Hun grondbezit werd overgedragen aan de leiders van de oorlog, de enige manier voor Ferdinand om hen te betalen. Na de katholisering van Bohemen volgde de politieke onderwerping van het land. In 1627 kwam er een nieuwe constitutie, en voor de Bohemen begon de tijd van het absolutisme.
4. De periode van Wallenstein
De keurvorst van de Palts probeerde na de nederlaag steun van familie te krijgen. Zijn neef, de Deense koning, wilde hem helpen, en een Deens leger viel Duitsland binnen. De hertog van Beieren weigerde de keizer bij te staan. In deze omstandigheden werd Ferdinand benaderd door Wallenstein, een van de onderaanvoerders van het leger in Bohemen. Wallenstein was geparenteerd aan het hof, en had relaties met bankier Hans de Witte, agent van een Antwerpts bankiershuis. Dankzij deze connectie kreeg hij bevel over het leger dat hij zelf bijeen moest brengen. In ruil hiervoor verwierf een consortium aan bankiers 10 jaar keizerlijk muntmonopolie. Door devaluatie wisten zij rondom het leger enorme speculatieve winsten te behalen. Wallenstein mocht de belastingen die de rijksvorsten aan de keizer moesten betalen na de oorlog tegen de Turken en Bohemers incasseren en gebruiken voor soldij en uitrusting. Wallenstein had geld genoeg. Door soldijbetalingen en leveringen van munitie en wapens stimuleerde hij de economie op de korte termijn. Hij was belangrijk door financieel-economisch overwicht.
Het leger vocht nauwlijks. De vrede met de Deense koning was al gesloten voor men echt in actie was gekomen. De Deense koning beloofde de protestanten niet meer te helpen. Wallenstein werd, door het legen intact te houden, het middelpunt van een netwerk van financiers die de keizer steunden bij zij pogingen de eenheid van het rijk te vergroten. Daarnaast zette hij zijn eigen toeleveringsbedrijf voor het leger op, waar alles werd geproduceerd. De lonen en arbeidsvoorwaarden waren goed, hij trok handwerkers uit heel Europa aan. De keurvorsten wantrouwden hem, want de keizer werd veel te afhankelijk en zij vreesden dat Wallenstein achter alleenheerschappij in het rijk aan zat. Wallenstein had echter nog connecties in Denemarken, en door dit aan te voeren bereikten zijn vijanden dat hij werd afgezet (Golo Mann, Duits historicus, bestudeerde rapporten waarin dit stond). Het muntconsortium werd ontbonden en Wallenstein trok zich, in afwachting van wat er komen zou, terug op zijn landgoed in Moravië.
5. De Zweedse fase
Keizer Ferdinand kondigde in 1629 het restitutie-edict af. Dit behelsde teruggave van alle kerkelijke bezittingen: landgoederen, bisdommen, kloosters en steden, die na 1522 in protestantse handen waren gekomen. Ook werden de Calvinisten opnieuw uitgesloten van de Augsburgse vrede. De uitvoer van de maatregelen wekte verzet, omdat de keizer het edict eigenmachtig had uitgevoerd, en omdat hij Wallenstein met zijn legers de uitvoering ervan opdroeg.
De Zweedse koning Gustaaf II Adolf stelde zich aan het hoofd van de protestantse partij, naast geloofsijver speelde dynastieke ambities een rol. Hij wilde de oostelijke Oostzeehavens en de Sont onder controle krijgen, om de winsten die West-Europa maakte in de graanhanden te pakken te krijgen. Dit was echter van later zorg. Finland, Estland en Letland waren al in Zweedse handen, dus men richtte zich op Polen, waar een Wasa heerste. De Noordduitse handelsstad Stralslund werd bezet, waarna de koning het achterland introk om de aanvoerwegen onder controle te krijgen. Ferdinand II riep de hulp van Wallenstein weer in. Hij mocht weer contributies gaan innen. Om dit voor elkaar te krijgen moest hij onderhandelen of vechten. Hij paste het liefst zijn defensieve tactiek toe, om het leger als pressiemiddel in stand te houden. Ook de Zweden vochten liever niet. De slag bij Lützen, waarbij Gustaaf Adolf omkwam, was dan ook een foutje. Wallenstein opende de onderhandelingen voor een wapenstilstand. Inmiddels voelde de keizer zich zo door Wallenstein bedreigd, dat hij hem liet vermoorden en zijn bezittingen onder de moordenaars verdeelde.
6. De machtsstrijd tussen Frankrijk en Spanje
Na de moord op Wallenstein raakten zowel de protestanten als de keizerlijken hun leider kwijt. De oorlog ontaardde in een rondtrekkend en plunderend zootje ongeregeld. Dit waren de jaren van economisch verval, waarin de strijd in Duitsland volkomen zinloos leek. Waarom maakte men er geen eind aan? Hierop zijn twee, onbevredigende, antwoorden te vinden:
Men kon voorzien dat Zweden bruggehoofden op Duitse kust links en rechts van Denemarken zou behouden. Ook de belangen van de Spaanse kroon stonden nog op het spel. Zij waren van het begin af voor de belangen van de Habsburgers, de contrareformatie en eigen belangen opgekomen. De Spaanse minister Olivarez had al snel ingezien dat de Noordnederlandse rebellen hun economische kracht haalden uit de handel op de kusten van de Oostzee. Ook was Spanje voor de strijd tegen deze rebellen aangewezen op aanvoer via de Spanish Road. De Rijnpalts vormde na 1620 geen belemmering meer, maar in Zwitserland bepaalde de krachtverhoudingen tussen katholieke en protestantse boeren of men de weg kon gebruiken. De toestand veranderde toen Frankrijk zich in de zaak mengde en de stad Breisach aan de Rijn bezette.
In Frankrijk was na de dood van Hendrik IV kardinaal Richelieu 's konings belangrijkste minister geworden. Hij kortwiekte de macht van de hugenoten, en wilde de macht van de Habsburgers indammen. Hij verleende voornamelijk financiele steun. Hij begon de Spanish Road te bedreigen in Noord-Italië en Zwitserland, om te zorgen dat Spanje geen aaneengesloten route kreeg. Frankrijk nam openlijk deel aan de strijd tegen de Habsburgers. Het verbond met de Verenigde Provinciën (1653) en de strijd tegen Duitsland kan men zien als een defensief tegen de Habsburgse omsingeling, of een offensief om de Spaanse hegemonie te vervangen door een Franse. Het lijkt de beste optie het als verdediging te zien. De macht van Spanje was nog steeds geducht, mede door inkomsten uit de nieuwe wereld. Dit verstevigde de Spaanse kredietwaardigheid. Vaak wordt gezegd dat de Spaanse cultuur allengs verdorde. Spanje leed diverse nederlagen: De tweede Spaanse armada werd door Nederland vernietigd, op land verloor men een slag bij Rocroi. In 1640 kwamen de Catalanen in opstand, en Portugal wilde weer zelfstandig worden. Verder viel Olivarez. Dit bracht Spanje ertoe steun te geven aan de voortgang van de vredesonderhandelingen voor het Duitse rijk en de Nederlanden. In 1648 was het vrede in Europa, alleen Frankrijk en Spanje vochten nog elf jaar door.
In Münster onderhandelde de vertegenwoordigers van de belangrijkste katholieke mogendheden en van de Verenigde Provinciën, terwijl in Osnabruck de Zweden, Denen en de Duitste protestantse vorsten bijeen waren. Men sprak af dat afspraken niet meer op gemeenschappelijk religieus fundament konden worden gebaseerd. Diplomatie werd pragmatisch. De Duitse keizer had veel macht verloren. De rijksdag kreeg invloed inzake oorlog en vrede en belastingen. De Weense Habsburgers bleven echter een factor van gewicht door de omvang van hun erflanden. Een aantal bepalingen namen onduidelijkheden uit de godsdienstvrede van Augsburg weg. Calvinisme vond erkenning en de restitutie van gronden werd gestopt. De bevolking mocht zijn religie behouden, ook al wisselde de vorst. De opmars van de contrareformatie was tot staan gebracht.