Leereenheid 8 - Karaktertrekken van het tijdvak 1650-1740
1. Historiografische inleiding
Tijdens de jaren 50 van de 20e eeuw voeren historici het debat over de 'crisis van de 17e eeuw'. Enkelen vroegen zich af of het veelvuldig voorkomen van politieke onrust midden 17e eeuw wellicht onder dezelfde noemer gebracht konden worden. Velen dachten dat er één gemeenschappelijke achtergrond voor de Fronde in Frankrijk, de Engelse of Puriteinse revolutie, de Napelsche beroerte, en zelfs achter de aanslag van Willem II op Amsterdam. De Engelse historici voerden al enkele jaren het Gentry-debat, over de oorzaken van de Engelse revolutie, en konden het niet eens worden.
Trevor-Roper wilde nu zijn zienswijze op heel Europa toepassen. De onrust zou zijn ontstaan omdat men de lasten niet meer kon dragen, veroorzaakt door wildgroei in het ambtenarenapparaat, bij het hof en in de bureaucratie. Hij nam echter niet de moeite de economische aspecten van zijn these verder uit te werken. De Engelse Marxistische historicus Hobshawm begon met een poging de 17e eeuwse situatie in Europa te overzien. Hij constateerde dat er in economisch opzicht op sommige plekken groei en vooruitgang was geweest, maar op andere plaatsen en in grotere gebieden vond stagnatie of achteruitgang plaats. Zijn conclusie was dat de maatschappij nog te ouderwets was ingericht, zodat er van een voortgaande opmars van het kapitalisme geen sprake kon zijn.
De geleerden hanteerden een verschillend crisis-begrip. Trevor-Roper had het over een crisis gedurende het midden van de eeuw, Hobshawm over langdurige stagnatie, wat nogal aanvechtbaar is. Een crisis is immers één hachelijke situatie, een toespitsing van problemen gedurende een kortstondig moment. Mousier schreef in zijn werk over Frankrijk zelfs over een permanente crisis. Volgens hem kwam de oplossing wpas toen de kroon in samenwerking met de hogere standen over de wanorde triomfeerde. Aan de Anarchie Baroque zou pas een einde gekomen zijn toen de overwinnaars het classicisme verhieven tot de stijl van het toonaangevende hof. Dit is discutabel.
Verschillende auteurs waren getroffen door de crisis op economisch gebied. Rond 1620 kwam er een einde aan de prijsstijgingen. Deze gedachte werd, ook omdat het gedurende de jaren 50 nog onmogelijk was, niet uitgewerkt. Als we dit nu doen ontstaat het volgende beeld: Tussen 1650 en 1740 was er een periode van stagnatie. Door de vlagen van epidemieën steeg het sterftecijfer. Ook de hongersnoden (crises de subsistance), door misoogsten, droegen hieraan bij. Men huwde later, dus het geboortecijfer daalde. De oorzaken op economisch gebied waren de misoogsten, door de koude winters en lentes, en de veepest (epizoötieën) in veeteeltgebieden. Hoewel hieraan nog geen einde kwam, begon de landbouw zich rond 1740 te herstellen. De epidemieën onder mensen werden minder. De schade bleef in de kustgebieden beperkt, evenals in handelsstreken. Hier speelden alleen de epidemieën.
Al bij al was het in Europa niet gunstig. De bevolking ging achteruit, en hiermee de consumptie en productie. Er was inderdaad sprake van stagnatie en achteruitgang. Het woord crisis lijkt misplaatst, al was er rond 1650 een vlaag van onrust, doordat sociaal-economische omstandigheden de bestaande politieke spanningen verhevigden. Ook met het nieuw-verworven inzicht is het moeilijk tegenstrijdigheden te verhelderen. Stagnatie vond plaats in sommige sectoren, terwijl anderen bloeiden. Dit kan worden verklaard door te zeggen dat de sectoren die betrekking hadden op oorlog bloeiden, maar dit verklaart niet waarom dit na de vrede in 1715 zo bleef.
In 1956 barstte de discussie over de crisis van de 17e eeuw los in het tijdschrift Past and Present. Hobshawm lanceerde zijn idee van de algemene crisis, en Trevor Roper reageerde, waarna de discussie losbarstte. In 1965 werden de inzichten verzameld. Voor dit verzameld werk schreef Cristopher Hill de inleiding. Volgens hem was er in heel Europa een economische en politieke crisis, maar hing het van de lokale omstandigheden (religie, economie) af hoe men hier mee om ging. De discussie ging voort, en in 1970 schreef Steensgaard zijn verzameld werk hierover.
Steensgaard ziet geen algemene crisis in industrie of handel. Het vroegmoderne Europa was een subsistence-economy, de meeste landen waren afhankelijk van landbouw en veeteelt voor alle inkomsten, en deze werden volledig gebruikt voor eerste levensbehoeften. Misoogsten, oorlog of belastingverhoging had acute hongersnood tot gevolg. In de 17e eeuw was de staat een van de grootste ondernemers. De staatsinkomsten werden gebruikt voor vloot, leger en vestingen. Als de schatkist leeg was, moest aan andere sectoren geld worden onttrokken, dit kon ook tot een crisis leiden. Als er oorlog was geweest had dit nog jarenlang gevolgen.
Er is in verschillende landen sprake geweest van een politieke crisis. Deze waren volgens Steensgaard niet gebaseerd op de tegenstelling court-country, zoals Trevor-Rope zijn stelling op heel Europa losliet, maar de moderne staat had veel geld nodig, en wilde zich ontdoen van privileges van bevoorrechte groepen. Dit leidde tot een confrontatie tussen vorst en standenvertegenwoordigingen. In verschillende landen lukte het de kroon zich onafhankelijk te maken, in andere landen (Frankrijk en Engeland) kwam het echter tot confrontaties. Het revolutionaire element zat in de absolutistische staat, die het conflict schiep door steeds hogere belastingen te eisen. De opstanden waren geen revoluties, maar conservatieve reacties.
2. Absolutisme en maatschappij
Er was sprake van een geleidelijke opmars van het absolutisme. Na 1670 was Spanje geen voorbeeld meer. In Engeland speelde hetzelfde conflict als in Frankrijk, alleen was de uitkomst er bijna tegengesteld, het parlement kreeg blijvend grote invloed op politieke besluitvorming. Na 1620 werd in de Bohemen absolutisme ingevoerd, maar Frankrijk onder Lodewijk IVX is het meest lichtende voorbeeld. Na 1650 waren overal absolutistische trekjes waarneembaar. Men accentueerde soeverein gezag van de hoogste landsoverheid en damde inspraak van lagere gezagsorganen in. De vorst kwam aan het hoofd van de staat te staan.
Het Droit Divin, het erfelijke goddelijke recht op de troon, zorgde ervoor dat de positie van de koning onaantastbaar was. Verzet tegen hem was verzet tegen god, niet alleen een misdrijf, maar ook een zonde. De koning moest gehoorzamen aan de wet, de wereldlijke wetten kon hij aanpassen, maar hij moest ook gehoorzamen aan Gods wet. Uitvoering van beslissingen moest hij aan ondergeschikten overlaten. Hij was aangewezen op vertrouwelingen, die hij koos uit de noblesse d'epee (geboorteadel), en de noblesse de robe. De noblesse de robe kreeg, tot ongenoegen van de noblesse d'epee, meer invloed. Zo bond hij bekwame juristen en bankiers aan het hof. Er was lange tijd weinig verzet of tegenspraak tegen het absolutisme.
Aan het hof was wrijving genoeg tussen coterieën van hovelingen, die gegroepeerd waren rond belangrijke minister-families met een eigen machtsgebied. De koning had wel het laatste woord, en vaak lukte het hem om facties tegen elkaar uit te spelen. Evenwel luke het zijn adviseurs om macht te krijgen. Wij weten nu dat de Franse bureaucratie behalve talrijk ook log was, maar tijdgenoten waren er erg onder de indruk van de slagvaardigheid ervan. Ze dachten dat het efficiënt gehanteerd werd door de koning. In het land had hij commissionaires aangesteld, die hij indien nodig kon afzetten. In de praktijk waren veel lage functies verkocht aan zelfstandig optredende moeilijk af te zetten officiers. Deze functies waren erfbaar, en de kroon kon door geldgebrek (indien nodig konden zij worden uitgekocht) weinig tegen hen doen.
De verreikende moderniseringsplannen werden door de financiële machteloosheid nogal halfslachtig uitgevoerd. In Engeland had de kroon de Anglicaanse kerkvergaderinggen stopgezet toen de kerk belasting ging betalen. In Frankrijk kwam de Gallicaanse geestelijkheid nog wel bijeen in haar assemblée de clergé. De kroon liet dit toe omdat de vergadering haar een don gratuit toekende. Ook kon de geestelijkheid tegen een lager percentage lenen dan de kroon. Naar buiten toe leek het hof een prachtige facade, de maatschappij leek zich onderworpen te hebben. Versailles beschermde kunsten en wetenschappen, dit maakte indruk.
Het buitenland keek met ontzag naar de absolutische vorst. Zij waren alleen tegen het feit dat hij de hegemonie in Europa wilde. Het binnenlandse verzet richtte zich niet tegen het systeem, maar tegen de gevolgen ervan, zoals hongersnoden en belastingen. Behalve wat pamfletten die vanuit de Nederlanden binnen kwamen was er nauwelijks verzet. Met minderheden sprong men hardhandig om. De hugenoten hadden in delen van Frankrijk nog een grote aanhang, en het jansenisme (katholieke stroming) kon rekenen op steun van hogerhand. Ontevredenheid in de provincies stak soms, als gevolg van hongersnood of te hoge belastingdruk, de kop op. Op den duur veranderde het denkklimaat in Europa, daar kon zelfs de Franse kroon niet tegenop. Al voor de koning overleed was het principe van het droit divi, en het verbond van altaar en kroon achterhaald.