Leereenheid 9 – Het culturele leven in de zeventiende eeuw
1. Historiografische inleiding
Wij laten de 17e eeuw doorlopen tot 1715. In oudere werken verstaat men onder cultuur het goede, het ware en het schone: het terrein van kunst, godsdienst en wetenschap. In de gammawetenschappen rekent men ook zeden en gewoonten en het sociale leven hiertoe. Hoe verandert en verjongt cultuur? Cultuur is duur en censuur is machtig. Hoe werden mensen bereikt, hoeveel werden er bereikt en in welke milieus? Welke effecten hadden bepaalde stromingen?
Hazard schreef La crise de la consciense européenne 1680-1715. Hij meende dat er in die periode een kentering in het cultuurleven optrad. Men begon te twijfelen of men buiten het hof geen grote verdiensten had. Hierin lag de kiem voor het verlichte denken van de 18e eeuw. Kritiek op Hazard: hij beperkt zich tot het denken van de intellectuele elite. Toch zijn veel van de feiten waar hij op wijst van belang. De lancering van allerlei ideeën was symptoom voor een veranderend gedachtenklimaat. Deze veranderingen in het denken bereikten niet iedereen, maar ondergroeven, aanvankelijk alleen bij intellectuelen maar later ook in bredere kring, de kerkelijke orthodoxie en de absolute monarchie. Daardoor vond het culturele leven in de 18e eeuw veel minder plaats aan het hof dan in de 17e. Volgens Hazard waren de vier belangrijkste verschuivingen in de omslag van het denken de volgende:
Norbert Elias heeft zich verdiept in de betekenis van de hoven voor de Europese cultuur. Hij gaat uit van een sociale elite, en de verspreiding van sociaal gedrag onder bredere kringen. Volgens hem heeft het hofleven, niet alleen aan het hof maar ook in de provincie, een sterk ordenende en beschavene invloed gehad op de maatschappij. Het hof had aantrekkingskracht voor hen die status en bezit wilden. In ruil hiervoor onderdrukten zij hun eigenzinnigheid en pasten zich aan aan de groep. Hierdoor zou het menselijk gedrag gepolijst en bijgeslepen zijn. Hij gaat evenwel alleen uit van Frankrijk. In Duitsland beschikte de niet-adellijke bevolking over een eigen, universiteiten-cultuur, en de burgerlijke regentencultuur in de Nederlanden was indrukwekkend. Hier had het stadhouderlijke hof echter ook grote invloed. In Engeland keerden sommigen zich met een eigen levensstijl tegen de modieuze vormen en uitingen aan het hof.
Twee hoven waren nauw betrokken bij de oprichting van de geleerdengenootschappen: de Engelse Royal Society en de Franse Academie Royale des Sciences. De beoefenaars van wetenschappen en de overheden hadden belang bij de samenwerking, alhoewel dit in Frankrijk (technologische ontwikkelingen) meer meespeelde dan in Engeland. De universiteiten ontplooiden op dat gebied nog weinig. Volgens Robert Merton vond er een drastische omslag plaats tussen het, aan het begin van de 17e eeuw, zich richten op de studie der theologie, en aan het eind van de 17e eeuw, zich richten op natuurwetenschappen. Het ontstaan van de Royal Society kan in verband worden gebracht met ontdekkingen die het menselijk wereldbeeld zouden veranderen, maar deze veranderingen hebben zich minder drastisch voltrokken dan Merton schetst.
De Querelle des anciens et des modernes van rond 1700 was niet de oorzaak van het feit dat de belangstelling verlegd was van de antieken naar de moderne tijd, maar eerder het gevolg. De gewoonten die zich volgens Elias vanaf het Franse hof over ander hoven van Europa verbreidden, werden niet overgenomen omdat Frankrijk machtig was, maar omdat de levenswijze beantwoordde aan eigen verlangens in andere landen. Verfijnde zeden en taalgebruik werden geïmiteerd om zich te onderscheiden van degenen die aan de beschaving geen deel hadden.
2. Scholing en uiterlijke vorm
In de 16e eeuw had zich vernieuwing in het onderwijs voltrokken. Geestelijken waren door scholing op seminarie en universiteit beter onderlegd, en gaven deze kennis door op scholen in steden en dorpen. Onder de hogere klassen was belangstelling voor wetenschap, eruditie en renaissancistische smaak. In Engeland was een contrast tussen de levensstijl van de puriteinse Gentry-families en de hoogkerkelijke sfeer aan het hof van Karel I. Het hof hulde zich in de vormenrijkdom van de barokcultuur. De barok is vooral in ultramontaans-katholieke landen (over de Alpen heen, Beieren, Spanje, Oostenrijk) verbreid geraakt. In protestantse landen en het Gallicaans-katholicistische Frankrijk vond de opmars van het classicisme plaats. Wel zijn er in Frankrijk overgangsvormen te vinden, die van beide stijlen iets hebben. Toch is de tegenstelling tussen Barok en Classicisme scherp: Classicisme streeft naar helderheid, evenwicht en harmonie, is beheerst. Barok is gewaagder, zwieriger, gewrongen suggestief en emotioneel.
In de Nederlanden bestond geen wetenschappelijke academie, deze werd pas in 1813 door Koning Willem I opgericht. Wel waren er in bijna alle provincies universiteiten, en werd er hoger onderwijs gegeven aan de Athenaeum Illustre in Amsterdam, Deventer, Middelburg en Den Bosch. De docenten waren professoren, alleen kon men er geen Doctorstitel behalen. Arme studenten konden in Leiden theologie studeren, iedere Hollandse stad mocht één student leveren. Natuurwetenschappers zochten hun heil in het buitenland.
3. Voortgang in wetenschap
Praktijkgerichte wiskunde was in de 17e eeuw een vak in opmars: architectuur, technologie. Ook in de werken van filosofen als Descartes en Spinoza speelde wiskunde een rol. Zij betrokken de godheid in hun filosofie, maar niet op de manier die de toenmalige orthodoxie welgevallig was. Descartes schoof de geschiedenis als bron van kennis opzij en zocht zijn kennis in de wis- en natuurkunde. Hij ging uit van eenvoudige vooronderstellingen en probeerde door een logische redeneertrant zijn filosofische kennis af te leiden (deductie). Cogito ergo sum is de enige zekerheid, hier kunnen andere zekerheden van afgeleid worden. Het bestaan van god is voor Descartes de basis. Hij bracht wel een scheiding tussen leven en geloof aan, dit was voor de kerk moeilijk te aanvaarden. Zijn belangrijkste tegenstander was Voetius. De tegenstelling hun ideeën leidde tot een jarenlange predikantenstrijd tussen vrijzinnige cartesianen en rechtzinnige voetianen. Descartes' opvattingen wonnen later wel terrein in de kerken.
Spinoza daarentegen verwierp de bijbelse openbaring en hanteerde het pantheïsch-religieuze gedachtegoed. Hij zag god als oneindige uitgebreidheid en als oneindig denken, en dus niet als 'heer'. Hiermee kon de kerk niets. Hobbes plaatste de almachtige geheel buitenspel. In Leviathan zet hij zijn politieke filosofie uiteen. Dit komt ondanks de vele bijbelcitaten neer op verheerlijking van het absolutisme, zonder verwijzing naar goddelijke oorsprong of christelijke ethiek. Deze propaganda voor het absolutisme viel bij de aanhangers van het droit divin niet in goede aarde, de principiële rechtvaardiging van het koningschap verdween hiermee.
Wereldlijke en kerkelijke overheid waren niet blij met de nieuwe filosofie, ook op universiteiten was de oude filosofie veel meer in zwang. Op de universiteiten bleef men theologen, juristen en artsen opleiden, maar beoefening van de wetenschap gebeurde nauwelijks. De universiteit schoot te kort. Buiten de universiteit ging de ontwikkeling door: verbeterde mathematische inzichten, formules en toepassingen, en verfijndere waarnemingsmethoden door lenzen. Hierdoor vergrootte de kosmos en microkosmos (microscopische wereld). Ook sterrenkundige inzichten werden helderder en waarschijnlijker. Sommige geleerden werden van ketterij beschuldigd. De natuurwetenschap heeft toch een andere aard dan de wiskunde. Men gebruikt naast zijn verstand ook zijn zintuigen. Het experiment is belangrijk. In 1687 gaf Newton zijn Mathematical principles of natural philosophy uit. Beweging door tijd en afstand heen liet zich verhelderen met formules. Ook de zwaartekrachtwet verklaarde hij.
4. De Royal Society
Verschillende leden van de jonge Royal Society waren betrokken geweest bij nieuwe ontwikkelingen. Er ontspon een debat over het belang van het genootschap. Francis Bacon was belangrijk voor het genootschap. Hij hoopte de wetenschap af te helpen van dwaalsporen. In zijn boeken vallen twee dingen op: hij heeft de theologie voorzichtig terzijde geschoven, en hij legt nadruk op de inductieve methode. Het was beter om met behulp van veel kleine, bewijsbare gegevens tot een zekerheid te komen dan uit te gaan van grootse, onbewijsbare vooronderstellingen. Op het terrein van de metafysica kwam hij toch weer in de buurt van de theologie. Bacon was een vertegenwoordiger van het door humanisme en calvinisme beïnvloedde milieu ten tijde van Jacobus I, wier minister hij was geweest. Hij had, door het uiteenschuiven van de terreinen van weten en geloven, een pleidooi geleverd voor de voortgang van een seculiere wetenschap die in empirie en experiment zijn grote kracht zou zoeken. De fellows van de Society hadden zich verenigd op grond van een Baconiaans program.
Toch zijn historici die achteraf bij de Society zijn gaan zoeken naar een omslagpunt in het klimaat van geloven en denken bedrogen uitgekomen. Fellows waren religieus, bijgelovig en verre van eensgezind op het gebied van wetenschap. Curiositeiten en rariteiten waren inzet van hun experimenten. Verder had Huygens aangegeven veel meer waarde te hechten aan het heldere denksysteem van Descartes dan aan de ideeën van Bacon. Het klopte dat Desartes' werk onvoldoende door experiment werd geschraagd, maar in het werk van Bacon bleef de wiskunde geheel buitenspel, en dit was veel ernstiger.
Descartes en Bacon pleitten er beiden voor zich te ontdoen van verouderde en overgeleverde kennis. Bacon wilde deze kennis opdoen in de natuur, terwijl Descartes de deductieve methode wilde toepassen: afleiding uit filosofische grondbegrippen.
5. Een 'crise' aan het eind van de eeuw?
Hazards boek La crise de la consciense europeenne 1680-1715 is bepalend geweest voor onze kijk op deze periode. Crise betekent hier niet crisis in de 'normale' betekenis van het woord, maar eerder zoiets als heilzame ontnuchtering. De intellectuelen begonnen de betrekkelijkheid van een Europees waardensysteem in te zien, door contacten met uitheemse beschavingen en door fictieve reisverhalen zoals Gulliver en Robinson Crusoë. Men kreeg ook een andere kijk op tolerantie, onder andere door de Engelse filosoof Locke. De in Rotterdam wonende hugenoot Bayle trok te velde tegen het bijgeloof dat kometen (die in die tijd veel voorkwamen) voorbodes van rampen zouden zijn. Hij scheidde de terreinen van geloof en wetenschap zorgvuldig, en kon zo zijn christelijke levenshouding behouden. Toch bleef bijgelovigheid, zinloze angst en barbaarse ruwheid een funeste rol spelen in het leven van velen. De ontnuchtering leidde tot een hernieuwde overweging van het traditionele waardenpatroon en tot het verwerven van nieuwe kennis. Deze 'crisis' is dan ook te beschouwen als belangrijke fase in het moderniseringsproces van de samenleving.