Leereenheid 10 – Twee revoluties in Engeland
1. Historiografische inleiding
Engeland kende tijdens de 17e eeuw twee revoluties. Het hoogtepunt van de eerste was de terechtsteling van Karel I. Het absolutisme van een vorst zegevierde niet altijd. In 1660 vond de restauratie van de Stuarts, en tevens van de Anglicaanse kerk plaats. De kerk kondigde het droit divin af. Toen de koningen, Karel II en later Jacobus II zich onafhankelijker gingen gedragen, was dit goddelijke recht niet meer hanteerbaar. In Engeland speelde de godsdienst een grote rol, daarom werd de revolutie ook wel puriteins genoemd en gezien als uitloper van de Europese godsdienstoorlogen. Allengs is het standpunt veranderd en de naam vervangen door Engelse revolutie.
De verschillende visies op de Engelse revolutie dateren al vanaf het conflict zelf. R.C. Richardson maakte een overzich van de belangrijkste visies: The debate on te English Revolution. Ten tijde van, en vlak na de burgeroorlog werden de standpunten bepaald door het standpunt van de auteur tijdens het conflict. Engeland bracht zijn wettige vorst om, en werd voor 20 jaar (en de enige keer in zijn verleden) een republiek. Gedurende deze periode konden mensen die tegen de kroon waren zich uiten, daarna konden mensen die voor Cromwell waren zich niet meer uiten. Gedurende de 18e eeuw kwam de nadruk te liggen op de politieke tegenstelling Tory (conservatief, koningsgezind)-Whig (liberaal, verdedigers revolutie). Macaulay schreef een grote Whig-interpretatie, waarin hij stelde dat men de strijd om staatkundige vrijheid en vrijheid van godsdienst die op dat moment op het vasteland van Europa plaatsvond, al 200 jaar eerder gehad had.
In de 20e eeuw ging men zoeken naar de sociale oorzaken van de revolutie. Volgens Tawney was de adel uit zijn positie verdreven door een uit de burgerij opgeklommen gentry. Zij hadden al voor 1640 hun bezit vergroot ten koste van de adel. Later werd het cijfermateriaal dat hij had gebruikt weggehoond, men was het ook niet eens met zijn visie. Het cijfermateriaal was discutabel omdat hij maar een paar hertogdommen had bekeken, en niet had onderzocht of er elders extreme omstandigheden waren. Ook had hij geen rekening gehouden met de fluctuerende bovengrens van de gentry. Een gentleman kon in de adelstand worden verheven, en de zoons van een edelman, op de oudste na, was automatisch gentry. Voor WO II waren historici niet gewend met statistische gegevens te werken.
Volgens Trevor-Roper was er sprake van een court-gentry die zich kon handhaven, en van een country-gentry die dat niet kon en in verzet kwam. Hij spreekt over een mere gentry, die inkomsten uit grondbezit haalden, en een court-gentry, die daarnaast een baan aan het hof hadden. Hij verliest hierbij uit het oog dat het niet gemakkelijk was aan het hof een fortuin te verdienen. De mere-gentry zou in verzet zijn gekomen tegen het hof, en radicale godsdiensbeelden hebben omhelsd. Hij gebruikte dezelfde argumenten als Tawney, maar dan om het tegengestelde te verklaren. Doordat het niet logisch was dat men zich zou richten naar radicale godsdienst, werd ook deze theorie na verloop van tijd sterk bekritiseerd.
Lawrence Stone publiceerde in 1965 The crisis of the aristocracy 1558-1641. Hij had opnieuw statistische methoden toegepast. Hij had de adel onderzocht, en kwam tot de conclusie dat zij in de late 16e en 17e eeuw inderdaad in een crisis zaten. Hun bezit en maatschappelijke positie werden bedreigd en hun gewoonten en opvattingen waren veranderd. Ze hadden macht moeten afstaan aan de gentry. De koning was in een geïsoleerde positie terecht gekomen doordat de adel als machtsfactor was weggevallen, de gentry pikte zijn beleid niet meer. Dit lijkt terugkeer naar de oude voorstelling van zaken, waarin de politiek een belangrijke rol speelde. Toch is dat niet zo, Stone heeft gegevens over aristocratie, bureacratie en parlementsleden bijeen gebracht, zodat wij de sociale aspecten en het veloop van de revolutie beter kennen dan ooit. Gedurende de laatste decennia komt de nadruk meer te liggen op lokale studies.
2. De eerste Stuart
Historici hebben de oorzaak van de schokkende gebeurtenissen in de jaren 40 gezocht in het bewind van Jacobus (James) I. Er waren wel tegenstellingen, maar niet zo extreem als men lange tijd heeft gedacht. Er waren niet al te veel problemen. De kong zag af van zijn plannen voor een Unie van Engeland en Schotland, een opstand in het Keltische en katholieke Ulster werd gedempt. Hij had soms wat problemen met de presbyterianen. De Anglicaanse kerk is ingedeeld in bisdommen, met de Engelse koning aan het hoofd. De gemeenten van de Schotse kerk waren georganiseerd onder de ouderlingen, de presbyters. Op de synode van Dordrect liet Jacobus zijn afgezanten stemmen ten gunste van de contraremonstranten omdat hij in theologisch opzicht orthodox protestants was.
Wel was er ergernis over de extravagantie aan het hof, en vormden zich soms facties. Bacon werd hiervan het slachtoffer. Het kwam nog niet tot partijvorming. Wrevel was er ook omdat het land buitenspel stond in de internationale politiek. Sommigen ergerden zich aan het feit dat Spanjaarden en Fransen soms werden aangehaald, terwijl de schoonzoon van de koning, de Winterkoning, niet geholpen werd.
3. De moeilijkheden beginnen
De koning streefde, gesteund door zijn minister Strafford, naar toenemende centralisatie van de macht. Voorbeeld van uitbreiding van de macht was het innen van ship-money. Dit was oorspronkelijk belasting die werd geheven in de havensteden om ze te beschermen tegen de vikkingen. Karel I wilde de heffingen uitbreiden naar het binnenland en gebruiken voor de oorlog tgen Spanje. De Anglicaanse bisschop Laud, die met de koning op zeer goede voet stond, streefde naar centralisatie van de macht op kerkelijk terrein. Hij legde nadruk op de koning zijn positie als hoofd van de kerk. Uiterlijk was Lauds optreden een succes. Zijn hoogkerkelijke opvattingen leidden tot ruzies over de oude vormen van eredienst. Hij poogde de secularisatie van kerkegoed op de eilanden ongedaan te maken, en wilde de bisschoppelijke bestuursorganisatie overbrengen op de Schotse presbyteriaanse gemeenten.
Hierop sloten de presbyterianen en de Schotse adel een convenant. Dit was aanleiding tot vijandelijkheden (Bishops wars) die de koning door geldgebrek verloor. De Schotten hadden gevochten tijdens de 30-jarige oorlog, en waren ervaren. Het bijeengeroepen Lange parlement eiste ontslag van Strafford en Laud, die op het schavot belandden, maar de onrusten waren niet meer te stoppen. De controle op drukpers was niet meer, en er verschenen heftige pamfletten en godsdienstige traktaatjes. Omdat bepaalde bevoorrechte groepen het oude wilden behouden, kwamen zij in verzet. Dit was dus conservatief getint.
4. De burgeroorlog
In 1641 werden koning en parlement verrast door een Iers-katholieke opstand, begonnen in Ulster. Er vielen nogal wat slachtoffers onder de protestantse kolonisten. In 1642 brak Karel met het lange parlement en riep zijn aanhang ten strijde. Leden van het parlement, vooral de jongere, voegden zich bij hem. Dit feit stelt ons in staat de strijd als conservatief te etiketteren. Aan het begin van de oorlog stonden noorden en westen achter Karel I, en oosten en zuiden achter het parlement. Campagnes brachten aan de ene kant winst en aan de andere kant verlies voor het parlement. Uiteindelijk leek de koning te gaan winnen, tot het parlement steun kreeg van de Schotse convenanters. Om deze steun te krijgen beloofden ze de Engelse kerk naar presbyteriaans model te hervormen.
Noch de Schotse militaire steun, noch de werkbare presbyteriaanse kerk in Engeland waren blijvend van aard. Pas na legerhervormingen door Cromwell lukte het de koning in 1645 te verslaan. Cromwell steunde op de ruiterij, de Roundheads of Ironsides. Deze elititroepen bestond uit religieuze mannen. Zij wilden niets weten van de presbyteriaanse kerk, maar wilden strengere hervormingen. Binnen de independenten vormde de levellers een aparte groep: zij streefden naar gelijheid voor iedereen. Dit ging te ver, Cromwell drukte het de kop in.
5. De revolutie
Karel bleef nog lang een probleem. Presbyteriaanse politici dachten de monarchie te kunnen handhaven. Karel bleef echter zijn religieus-politieke overtuiging trouw, en zijn terechtstelling was onontkoombaar. Dit leek de weg vrij te maken voor een nieuw begin, voor een revolutionaire wederopbouw. Om de terechtstelling door te kunnen laten gaan waren gematigden en gezetenen verwijderd uit het lagerhuis. Maar de overgeblevenen wilden niet aan de verlangens van het leger toegeven. De leveller-idealen waren verbleekt en in de praktijk niet echt bruikbaar: de groepjes waren klein en verdeeld. De militairen hielden zich bezig met de buitenlandse conflicten, te weten Spanje en de Republiek. De politici bedachten oplossing na oplossing voor de binnenlandse politiek. Het rompparlement werd ontbonden en vervangen door een benoemd parlement. Uiteindelijk nam Cromwell zelf de leiding op zich, in een bijna monarchaal stelsel. Men leek terug bij af.
Toch was deze periode meer een eenheid dan dat zo lijkt, bovendien was er interessante vernieuwing. Men proclameerde een unie van de drie koninkrijken, met één regering en één parlement. Zelfs Schotland stond hier niet afwijzend tegenover. Uit onderzoek is gebleken dat de State's servants betere en modernere ambtenaren waren dan de king's servants ooit zijn geweest. Ambten kregen minder status, dit kwam de uitvoering ervan ten goede. Het grote onoplosbare probleem was de spanning tussen leger en burgerlijk gezag. Cromwell was niet in staat achterstallige soldij te betalen, daardoor konden deze niet terugkeren naar een burgerbestaan. Evenmin kon men het burgerlijk bestuur ongevoelig maken voor pressie van militaire zijde.
6. De restauratie
Na de dood van Cromwell bleek dat de repbliek als staatsvorm niet voldeed, er volgde een vrij geruisloze terugkeer van de monarchie. Het probleem van de godsdienst werd niet opgelost. De Anglicaanse kerk, die meteen haar oude positie innam, voelde niets voor tolerantie jegens andersdenkenden. Ongehoorzaamheid jegens koninklijk gezag werd weer een zonde. Met het parlement kon Karel het tot in de jaren 70 goed vinden. Men had lering getrokken uit de voortdurende geldnood van Karel II zijn voorgangers, en men voorzag hem van een vast inkomen. Dit was natuurlijk niet zo hoog dat hij onafhankelijk van parlementaire subsidies kon handelen.
Karel speelde zijn potentiële geldschieters, parlement en Lodewijk, tegen elkaar uit. Hij sloot met Lodewijk IVX het verdrag van Dover. Karel viel volgens afspraak in 1672 de Republiek aan, wat hem impopulair maakte. Men vond de koning onbetrouwbaar. Verder had hij in het geheim beloofd de Engelse kerk te rekatholiseren. Alle kerkelijke stromingen in Engeland hadden een hekel aan het katholicisme. Toen de broer en opvolger van de koning, Jacobus II, openlijk katholiek werd, wekte dit, gekoppeld aan het jarenlange verblijf van het koningshuis in Frankrijk, argwaan. In 1673 nam het parlement de test act aan. Dit hield een verplichting tot deelname aan het Avondmaal, zoals gebruikelijk in de Engelse staatskerk, in. Dit sloot katholieken uit, maar het antikatholicisme was niet zo sterk dat Jabobus II van opvolging kon worden uitgesloten. De Whigs wilden zijn opvolgingsrecht ingetrokken zien, maar daar waren de droit-divin Tories sterk op tegen. Het feit dat Karel Franse subsidies had ontvangen lekte uit. Karel speelde het spel goed, en kwam de crisis teboven. De Whigs verloren terrein.
7. De tweede revolutie
Jacobus II begon zijn bewind met steun van Tory-anglicanen. Hij hielp geloofsgenoten aan ambten, door beslissingen buiten de wet om, en wilde hen met een Indulgence aan godsdienstvrijheid helpen. Hij ontbond het parlement, en probeerde een nieuw te vormen uit kringen die wilden meewerken. De aristoctratie en gentry wilden niet, maar sommige burgers in steden wel. In 1688 wonnen 7 anglicaanse bisschoppen de rechtszaak die Jacobus tegen hen had aangespannen toen zij weigerden de indulgence in hun kerken af te kondigen. Toen Jacobus uit zijn 2e, katholieke huwelijk een zoon kreeg, namen de spanningen toe.
Prins Willem III was toen al op weg naar Engeland. Hij kon, als zoon van Jacobus zuster, ook aanspraak maken op de troon. Door zijn relaties kon hij snel een groot leger bijeen brengen, om Jacobus te dwingen zijn plannen op te geven. De Engelse politieke elite steunde hem. Het werd de Glorious revolution, omdat het snel en geweldloos werd afgehandeld. Jacobus vluchtte zodra Willem voet aan land zette. Een nieuw parlement proclameerde het gezamenlijke koningschap van William en Mary. In Schotland en Ierland duurde het even voor men dit acepteerde. Dissenders verwierven een mate van godsdienstvrijheid. Het conservatieve karakter van de revolutie wordt onderstreept door de Bill of Rights van 1689, die oude parlementsrechten bevestigde en weinig vernieuwing bracht.
8. Slotbeschouwing: John Locke
De verandering tussen 1688 en 1689 was een hachelijke omstreden zaak. De Tories wilden het droit divin niet prijsgeven, en de Whigs hadden het moment eigenlijk willen gebruiken voor fundamentele hervormingen. Het compromis lijmde de barst, maar deze bleef zichtbaar.
John Locke had in de Republiek in ballingschap geleefd. In zijn Two treatises of government stelde hij de inzet van beide revoluties aan de kaak. Locke ging er vanuit dat er tussen vorst en onderdanen een verdrag bestond. De vorst biedt rechtsbescherming, de onderdanen gehoorzamen. Wat als de vorst een tiran werd? Locke vond dat wie bezit of een ambt heeft, een aandeel heeft in het land. Als men dit laat afnemen, vervalt men in slavernij. Als de koning in zulke zaken een dwingeland is, verbreekt hij het verdrag. Vóór de eerste revolutie was het parlement vergroeid met de koningsmacht, het kon niet goed op zichzelf staan. Het gevolg was dat het zichzelf had stuk geëxperimenteerd. Locke vond dat in zo'n geval het verdrag was verbroken, ook de andere partij moest terugtreden, en de macht aan het volk teruggeven. In zo'n bijzondere situatie had het volk het recht oplossingen aan te dragen. Hiemee deed de conservatieve Whig het volk een radicale oplossing aan de hand: volkssoevereiniteit voor noodgevallen. Het gevolg van dit systeem, als men zich vrijwillig laat opnemen in een gemeenschap, is dat men zich de mening van de meerderheid moet laten welgevallen. Locke's partijgenoten hebben dit radicale concept in 1689 nog niet gebruikt.