Leereenheid 14 - De Verlichting

1. Historiografische inleiding

Door gebrek aan homogeniteit in de denkbeelden van de diverse philosophes, de complexiteit van de doorwerking van het verlichte ideeëngoed op het menselijk leven en de tijdsafbakening is het moeilijk een algemene, sluitende karakteristiek van de Verlichting te geven. Sommige kenmerken uitten zich al tijden Renaissance of zelfs late middeleeuwen. Figuurlijk betekent Verlichting: Het licht dat over de duisternis zegeviert. Kant definieerde de Verlichting als 'het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft'. De oorzaak van de onmondigheid lag niet aan een gebrek aan verstand, maar aan een gebrek aan vastberadenheid en moed. Sapere aude: durf na te denken.

Tijdens de sceptische fase van de Verlichting, rond 1700 begon men vertrouwen te stellen in de menselijke rede, en in de vooruitgang die door het gebruik van de rede. Verlichtingsdenken was wereldlijk georiënteerd. Sommige philosophes (Voltaire) zagen de kerk als barbaars, anderen zagen de kerk als maatschappelijk nuttig instituut. Toch namen vele christenen verlichte denkbeelden over, en waren maar weinig philosophes atheïst. De eeuw van de Verlichting kunnen wij beschouwen als de eeuw van de kritische rede, alhoewel er een onderstroom van gevoel aanwezig was, die geleidelijk aan kracht won. De al eerde ingezette processen van individualisering en secularisering verdiepten, en de voorbereiding op de intellectuele discussie en ideologieën van de –ismen van de 19e eeuw kregen hun basis. Er was geen sprake van een nieuwe filosofie, maar wel van een algemene doorbraak van een gedachtegoed en levenshouding die in de renaissance alleen bij de humanistische elite voorkwam. Het proces van verwereldlijking werd weer eens voortgestuwd.

Hazard noemde het de tijd van de universele kritiek, hij bedoelde hiermee dat het kritische onderzoek zich ging uitstrekken tot alle levensterreinen, inclusief godsdienst. De Verlichting heeft niet als vervanging voor godsdienst gediend omdat het hiervoor te zeel onmetafysisch was en te veel uitging van de rede en de empirie. Er waren twee stromingen tijdens de Verlichting: de belangrijke avant-garde van de radicale philosophes en de grote, gematigde stroming die een compromis probeerden te vinden tussen het christelijke geloof en de verlichtingsideeën (christelijke Verlichting).

Belangrijke kernprincipes van het verlichte denken:

  1. Het natuurrecht. Erfenis van 17e eeuwers als Locke en Hobbes. Dit was een universeel, voor ieder individu geldend recht. Recht op leven, vrijheid en eigendom behoorde hiertoe. Het kon worden gekend met behulp van de menselijke rede, dus iedereen kon het kennen.
  2. Vrijheid. Vele philosophes koesterden het vrije, autonome individu als ideaal:
    1. Keuzevrijheid voor het individu, losmaking van traditionele groepsbindingen als kerk, beroep, streek.
    2. Bevrijding van vooroordelen en traditionele stereotypering van groepen en volkeren. De mens was in aanleg altijd en overal gelijk, verlichtingsdenken was universeel en kosmopolitisch.
    3. Bevrijding van bijgelovigheid, godsdienstige mythen en magische gebruiken. Emancipatie van menselijke gevoelens en driften. Dit betekende ontkerstening van de moraal.
    4. Bevrijding van de beperking op verwerving van kennis. De rede moest het winnen van de traditie.

Het was wel zo dat er tussen deze idealen en de dagelijkse werkelijkheid een wereld van verschil lag. Ook bij de philosophes won de elitaire instelling het vaak van de idealen. Bij het zoeken naar de oorzaken van ontstaan en de doorwerking van de Verlichting moeten de sociaal-economische, intellectuele, wetenschappelijke en politieke omstandigheden en verbanden in de gaten worden gehouden. Er zijn veel terreinen waarop onderzoek kan worden verricht: wie las welke boeken? Wie kochten de Encyclopédie?

2. De vroege Verlichting en het Deïsme

In brede kring was men geschokt en geïmponeerd door wat de natuurwetenschappen met hun empirie bereikten. De Deïsten schiepen een afstandelijk godsbeeld: zij geloofden in god als schepper, en niet als bestuurder van de wereld. Zij trokken deze conclusie uit Newtons fysica (hij was het er niet mee eens). Zij hingen de idee van de natuurlijke religie aan. God was door de mens te kennen via zijn schepping, waarvan de menselijke rede onderdeel was. De natuurlijke religie was door middel van de rede door de mens te kennen. Zij verwierpen de goddelijke openbaring als kenbron van god, en de zondeval en verlossing door Christus. De bienfaisance (welwillendheid) van de goddelijke voorzienigheid werd zichtbaar in de volmaakte harmonie van de natuur en in de mens zelf, die in principe goed was. De wereld was geschapen om de mens ter wille te zijn. Rond 1750 deelden deïsten, philosophes, en verlichte christenen deze mening, alhoewel de verlichte christenen naast de natuur de goddelijke openbaring beschouwden als een weg tot de kennis van god. Leibniz en Wolff droegen veel bij tot de verbreiding van het deïsme.

3. Voltaire

De belangrijkste philosophe, de in Parijs geboren Voltaire, wilde dichter worden, en was succesvol met toneelstukken. In de Parijse salons kreeg hij al snel de reputatie van kritische bel-esprit met bijtende ironie. Hij werd 2x gearresteerd, en vertrok naar het tolerante Engeland, waar schrijvers in aanzien stonden. In zijn 'lettres phylosophiques' legde hij zijn indrukken van Engeland vast, dat volgens hem door de vele religies toleranter was dan veel landen met twee religies. In 'Elements de la philosophie de Newton' populariseert hij Newtons fysica, de inductieve methode van Bacon en de kennisleer van Locke. Hij keert terug naar Frankrijk, later verblijft hij aan het hof van Frederik de Grote van Pruisen. Toen ze ruzie kregen zwierf hij door Europa, tot hij zich op zijn landgoed Ferney in Geneve vestigde. In 'Le sciecle de Louis XIV' prees hij de zonnekoning, met kanttekeningen bij diens intolerantie.

'Essai sur les moeurs' was de eerste seculiere wereldgeschiedenis. Hij zet zich af tegen de normale Eurocentrische en christelijke benadering. Hij zag de christelijke beschaving als één van de velen. Hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de secularisering van de geschiedschrijving, en de verruiming hiervan tot cultuurgeschiedenis. Hij inspireerde Hume, Robertson en Gibbon. Zij schreven in de landstaal, en niet in Latijn, zodat een groter publiek het kon lezen. Er kleven nadelen aan de verlichte geschiedschrijving: er is weinig belangstelling voor historische details, en de beschreven voorvallen worden te vaak afgezet tegen de eigen tijd.

Hij voegde aan zijn strijd tegen de geopenbaarde godsdienst een humanitaire en politieke campagne toe. Hij overwon zijn vooroordeel ten opzichte van de gewone man: hij nam het op voor de politiek rechtelozen in Geneve toen die probeerden invloed op het oligarchische stadsbestuur te krijgen. Deze actie was het begin van een tijdperk vol onrust en omwentelingen. Intellectuele vrijheid en de strijd tegen onwetendheid, corruptie en bekrompenheid stonden bij hem centraal. Hij achtte politieke vrijheid hieraan ondergeschikt. Als het staatsgezag kunsten en wetenschappen beschermde en geloof, traditie en priesterlijke macht bestreed, mocht het wat hem betreft absoluut zijn. Een sterke koning kon zijn land stabiliteit en tolerantie bieden. Hij was bevriend met autocratische, verlichte heersers als het verlichte drietal. Hij vond wel dat het tot het natuurrecht van burgers behoorde om in vergadering de magistraat te kiezen en wetten goed te keuren. Vanaf 1770 verdween het oppositionele karakter van de Verlichting, philosophes kregen groot maatschappelijk aanzien.

4. De Encyclopédie: verbreding van de belangstelling

Sommigen vonden de philosophes meer populariserende journalisten dan creatieve denkers. Dit is ten dele juist: popularisering was er. Volgens Diderot en d'Almenbert, de uitgevers, heeft 'encyclopedie' nog steeds de Griekse betekenis: cirkel. Bij hen betekent dit aaneenschakeling van de wetenschappen, de behaalde resultaten van alle takken van wetenschap werden er in vastgelegd. De uitgave van de encyclopedie vanaf 1751 was een van de tekenen dat de Verlichting belangrijker en invloedrijker werd. De encyclopedie bewees dat de belangstelling zich had verbreed. De encyclopedie wekte woede bij de gevestigde orde, omdat er op onverwachte plekken kritiek op kerk en staat (minder) geleverd werd. In 1759 werd uitgave verboden, en de vervolgdelen werden clandestien uitgegeven. In 1765 was de encyclopedie voltooid. De encyclopedie was een groots monument van de Verlichting, en weerspiegelde het karakter hiervan: de taal van de uiteenzetting, niet die van debat werd gebruikt. De toon van zekerheid die werd gebruikt bij technologische en wetenschappelijke onderwerpen, werd ook gebruikt bij filosofische, godsdienstige en politieke onderwerpen. Een van de doelen was kennis over te dragen op de leek. Zo werden twee betekenissen van Verlichting uitgedragen: het geloof dat zekere kennis mogelijk was en het verspreiden van kennis. In de encyclopedie werd de grondslag gelegd voor de gammawetenschappen: sociologie, economie en pedagogie.

 

5. De Verlichting in de maatschappijwetenschappen

De Franse philosophe en encyclopedist Montesquieu kan worden beschouwd als een van de grondleggers van de sociologie en de politicologie. In 'l'esprit des lois' zet hij zijn ideeën uiteen. Hij meende dat de maatschappij, net als de natuur, onderhevig was aan wetten. De staatsvorm was afhankelijk was van geografische en klimatologische omstandigheden, maar ook van zeden en godsdienst. Hij was voor de monarchie, maar dan getemperd door parlement en statenvergaderingen door de ambtsadel. Hij was geen radicaal, en pleitte voor de trias politica. (Voltaire achtte een totalitaire staat, mits verlicht, toelaatbaar. Montesquieu stond aan de kant van de parlementen, Voltaire stond achter de koning.) Montesquieu meende, net als in de 17e eeuwse natuurrechtelijke traditie, dat het in de wetten vastgelegde recht mocht worden getoetst aan het natuurrecht. In de filosofie van Hobbes en Locke was er sprake van een contract gesloten tussen koning en volk, waarbij de onderdanen hun soevereiniteit uit handen gaven zodat de heerser hun belangen zou beschermen. Bij Montesquieu is er van een contract geen spraken.

Op dit punt wijkt hij af van Rousseau, bij wie er sprake is van een contact tussen de onderdanen onderling, het volk blijft soeverein en de aangewezen heerser is een vertegenwoordiger van de volkswil (volonté générale). Rousseau publiceerde 'Du contrat social'. Hij brak volledig met het hiërarchisch denken. Hij wilde een samenleving waarbij de burgers het gevoel zouden hebben weer bij gemeenschapszaken betrokken te zijn. Dit was ook het geval geweest toen men het 'contract' aanging: men had het privé-belang opzij gezet voor algemeen beland, dat tot uitdrukking komt in de volkswil. De staat is nodig om de menselijke gemeenschap in stand te houden en haar leden rechtszekerheid te geven. Zonder staat is er geen beschaving mogelijk. Ook Rousseau heeft zich, net als Voltaire met de problemen in Geneve bemoeid. Hij liet echter onduidelijkheid bestaan over hoe men de volkswil en daarmee het echte belang van de samenleving kan kennen: In hoeverre mag de staat in het leven van de individuele burger ingrijpen om de gemeenschap in haar geheel te beschermen? Hij meende dat het algemene zich beperkte tot zaken van algemeen belang. Het gevaar van onvrijheid en dictatuur ligt op de loer als iemand meent de volksaard te kennen. Enerzijds wordt Rousseau als erflater van de democratie beschouwd, terwijl anderzijds totalitaire denkers zich op hem hebben beroepen

Rousseau's pedagogische denkbeelden waren met zijn overige ideeën sterk verbonden. Hij meende dat de mens goed uit de handen van de schepper was gekomen, maar door de maatschappij was verpest. Hij vond de rococomaatschappij gekunsteld en bedorven, en pleitte voor terugkeer naar een natuurlijker toestand waarin deugden als oprechtheid, eenvoud en gevoeligheid voorop stonden. Hij beschreef dit in zijn roman Emile. Het kind moest de ruimte krijgen zich te ontplooien, en niet aan kwalijke invloeden blootstaan. Eerst de ontwikkeling van gevoelens en zintuigen, later de rest, ook godsdienst. Dit was een soort gevoelig Deïsme: de schepper werd aanbeden om zijn overweldigende schepping. Rousseau was een voorloper van de Romantiek. Zijn pedagogische ideeën werden in Duitsland verder uitgewerkt.

Oerlemans noemt de toegenomen sociale mobiliteit en het daaraan verbonden veranderde dynamische statusbewustzijn (mobiliteitsbewustzijn) als oorzaken van verandering in de maatschappelijke moraal. De fysiocraten (landbouw is basis van de economie) en Adam Smith (wealth of nations) geven er blijk van dat ze zich bewust zijn van die verandering. Zij wilden minder overheidsbemoeienis met de economie. Tollen, monopolies, gildedwang diende te verdwijnen, de economie kon zichzelf regelen, volgens natuurlijke wetten die met behulp van de rede te kennen waren. Volgens Smith werd de volkshuishouding door een rationele, voorzieninge harmonie bestierd. De overheid mocht dit niet verstoren. Zijn volgelingen werkten de vrijhandelsleer tot in de details uit.

In de geschiedschrijving maakte men al gebruik van hulpwetenschappen als de oorkondeleer (diplomatie) en de chronologie. Ook maakte men een duidelijke scheiding tussen feit en fabel. Er verschenen belangrijke werken, het al genoemde van Voltaire en 'Decline and fall of the Roman empire' van Gibbon.

6. Het verlicht absolutisme

2e helft 18e eeuw gingen in het verlichtingsdenken concepties over de verlichte staat een rol spelen. De staat moest een hervormingsinstrument en een wegbereider van menselijk geluk zijn. Het koningschap werd kritischer en rationeler benaderd, en verloor zijn sacrale karakter. Onder invloed van de contracttheorie werd meer nadruk gelegd op de plichten van de vorst, hij diende zich in te zetten voor het welzijn van het volk. Dit denken had invloed op de Europese vorsten, alhoewel het verlichte absolutisme in veel gevallen een voortzetting was van het eerdere goddelijke absolutisme. De vorsten vonden nu dat hen de hoogste positie in de staat toekwam, omdat zij de grootste bijdrage leverden aan het geluk van het volk. De vorsten onderscheidden zich door seculiere accenten in hun beleid: zij beriepen zich niet op god, waren toleranter op het gebied van religie, streefden naar humanisering van het strafrecht (afschaffen pijnbank) en waren tegen kerkelijke privileges of gewoonterecht, belasting of rechtsprivileges.

Zij streefden naar inperking van de macht van plaatselijke politieke lichamen. Dit versnelde de centaliseringstendensen. De Staat werd op meer efficiënte en rationele wijze georganiseerd en geëxploiteerd. Wetten werden opgetekend, dit gecodificeerd recht was inpasbaar in het moderne bestuur. De betere organisatie zorgde voor hogere belastingopbrengsten, erg gunstig voor oorlogen. Deze staatsvorm komt het dichtst in de buurt van de ideeën van Voltaire. In Frankrijk was geen sprake van een verlichte regeerstijl. (belasting) privileges bleven in stand, de schatkist was leeg. In Engeland was sinds 1688 het parlement oppermachtig, daar was geen sprake van (verlicht) absolutisme.

7. Het verlichte drietal

In hoeverre werd het ideaalbeeld van de verlicht-absolutistische vorst werkelijkheid? In het gebied ten oosten van de Elbe week de maatschappij erg af van het westen: in Pruisen, Rusland en Oostenrijk vormde de grondbezittende adel de belangrijkste groep. De burgerij was zwakker dan in West-Europa en de boeren waren horig. De macht van de vorst was gebaseerd op een ongeschreven pact met de adel: zij mochten de boeren onderdrukken als ze de vorst accepteerden, hij buitenlandse politiek mocht voeren, zij belasting betaalden en dienden in zijn leger. Als de vorst deze privileges aantastte, kwam hij in moeilijkheden. Het drietal stuitte op deze moeilijkheid:

8. De sociale verbreiding van de Verlichting

Philosophes als Voltaire en Diderot zagen de Verlichting niet als democratische beweging. De Verlichting moest bij de elite beginnen, en kon daarna eventueel de passieve massa opheffen. De groepen die de werken van de philosophes lazen waren in Frankrijk te vinden in de Parijse salons en vrijmetselaarsloges, hier kwamen philosophes, aristocratie, hogere geestelijkheid en de top van de derde stand bij elkaar. In de provincie was het dezelfde groep, hier was de geestelijkheid bereid het volk te scholen om af te komen van bijgeloof en geloof in hekserij. Ambachtslieden werkzaam in de literaire wereld kwamen in contact met de nieuwe ideeën. In de 18e eeuw werd de kloof tussen de standen echter eerder groter dan kleiner. In hoeverre dit de overgang van ideeën hinderde is nog niet duidelijk. Uit lokale onderzoeken is gebleken dat het percentage lezenden verrassend hoog was. (Volgens het handboek kwam er wel veel analfabetisme voor!) In Parijs bestond een bloeiende handel in volksliteratuur, waarin echter geen spoor van Verlichting te vinden was. Wel circuleerden er schotschriften, waarin hooggeplaatsten bespot werden.

Buiten Frankrijk nam de Frans georiënteerde adel de ideeën als eerste over. In Duitsland waren universiteiten verlichte centra. In Engeland en de Republiek circuleerden spectatoriale geschriften, waarin de nadruk werd gelegd op de opvoedende kant. Als men al over ging tot het verheffen van de bevolking via onderwijs en opvoeding, deed men dat niet uit het gelijkheidsideaal, maar omdat de verlichte elite de wenselijke normen en waarden wilden doorgeven. De Verlichting heeft in alle drie de standen aanhang gevonden, maar de derde stand vormde de belangrijkste pijler. Schoolmeester en arts hadden op het platteland een voortrekkersfunctie, maar in de steden was hun invloed groter. Het leeuwendeel van de leden van genootschappen was afkomstig uit de burgerij, maar de Verlichting had op kooplieden en fabrikeurs weinig invloed. Wat nam de geschoolde burger, aristocraat of geschoolde ambachtsman nu werkelijk over van de ideeën? Slechts weinigen kenden de verschillen tussen de philosophes onderling. De radicale ideeën vonden weinig aanhang. Wel werd men minder religieus. Een zekere secularisering van cultuur en maatschappij was er zeker. De 18e eeuw liet een belangrijke erfenis na aan de 19e.

Wat behoorde tot de geestelijke bagage van een verlicht persoon:

In werkelijkheid werden de ideeën van natuurlijke gelijkheid niet in praktijk gebracht. Het werd gerationaliseerd met de opvatting dat gelijkheid alleen mogelijk was voor diegenen die voldoende opvoeding hadden gehad om hun rechten en plichten te kunnen begrijpen.