VERZAMELEN, van rariteitenkabinet tot kunstmuseum

De encyclopedische verzameling

Blok 2

Verzamelingen in Italië en de Nederlanden

 

4 Italiaanse verzamelingen van de late middeleeuwen tot de

zeventiende eeuw

Het schetsen van een ontwikkelingsprocesa a postiori is volgens Olmi altijd arbitrair evenals de keuzes die gemaakt zijn.

Er wordt allereerste gesproken over de verzameling van Oudheden omdat

Toen deze collecties werden uitgebreid met eigentijdse kunst ontstond de behoefte aan opstelling van beide: de studiolo en de galerij.

Voorwerpen uit de natuur werden verzameld door vorstenhoven. Daar waren zij meestal onderdeel van encyclopedische verzameling.Deze vorm ontwikkelde zich pas in de 17e eeuw in Italie op grotere schaal ook onder particulieren die daarmee roem en prestige wilden verzamelen.

Particuliere verzamelaars neigden naar een meer specialistische verzameling waarbij deze mede als onderzoeksinstrument werden benut.

Tijden de ME waren collecties oudheden nog vnl een goede investering/ belegging. Men verzamelde dan ook vooral kleinere kostbaarheden.

Cola di Rienzo was een van de eerste verzamelaars die ook een historische belangstelling had.

De Middeleeuwse mens zag de eigen tijd als een simpele voortzetting van antieke wereld. De Humanisten zagen wel een breuk tussen heden en verleden. Bijv Petrarca, die zoals de meesten een vooral literaire belangstelling had voor de oudheid. Als het ging om concrete dingen dan was er vooral belangstelling voor portretbustes, inscripties en munten., vooral om hun illustratieve waarde.

Vanaf het midden van de 14e eeuw kwamen de vondsten ook terecht in de studeerkamers, maar nog steeds als artistieke modellen, waard om nagevolgd te worden. Kunstverzamelaars zagen dus meer een visuele waarde.

Poggio zag als rechtvaardiging voor het verzamelen van oudheden het feit dat de sapientia en de virtus bevorderde. Die schatte hij hoger in dan adel door geboorte.

 

Dit standpunt was natuurlijk koren op de molen van de Medici.

Piero verzamelde naast boeken nog veel kleine kostbaarheden. Zijn collectie was nog ten dele schatkamer. Onder invoeld va het Humanisme werd rijkdom minder verwerpelijk en meer een middel om de deugd te beoefenen.

Ook de libertas (vrijgevigheid) werd als noodzakelijke eigenschap van de edelman beschouwd en daardoor werd een verzameling ook steeds meer een centrum voor studie en onderzoek.

Vanaf het begin van de 16e eeuw verschoof de aandacht van materiaal van de voorwerpen naar leeftijd en zeldzaam heid. Men ging zich ook richten op grote sculpturen en als gevolg daarvan verhuisde een deel van de collecties naar binnenhoven en tuinen.

Zo gaf Paus Julius II opdracht Bramante tot het maken van binnenhoven om zijn collectie belangrijke antieke sculpturen te huisvesten.

De Cortile del Belvedere presenteerde de Paus als erfgenaam van het Romeinse keizerrijk.

De rijke collecties van de kardinalen fungeerden ook als 'openbare school'. Door legaten van twee Grimani onstond in Venetie het eerste gemeentelijke museum.. Kardinalen die in Rome zaten (de rijkste voorraad) voorzagen ook hun dynastiën van objecten.

De galerij, (overgewaaid uit Frankrijk) werd een goede manier om de objecten te presenteren en daarmee indruk te maken. Dit was alleen passend voor hoog geplaatste personen.

De studiolo was vermoedelijk in de context van het kloosterleven ontstaan en werd mede door Petrarca populair, hoewel hij nog te zeer hechtte aan de contemplatieve elementen. De estudes van Karel V waren een meer vorstelijk voorbeeld.

De eerste studiolo in Italie was bekend van Lionello d'Este. Uit de jaren 70 van de 15e eeuw is de studiolo bekend van Frederico de Montefeltro. De decoratie daarvan geeft goed de verwevenheid aan van de begrippen vita activa en vita contemplativa,

De studiola van Isabella d'Este (eind 15e eeuw) brengt nieuwe elementen.

Naturalia kwamen ook al voor in de studioli van de Medici. Motief was vaak de vermeende magische en heilzame kwaliteiten of het ging simpel om de curiositeit.

Door het seculiere wereldbeeld van het Humanisme en de verspreiding van ideeën door de drukpers kwam de belangstelling voor natuurwetenschappen op.

De geleerde Adrovandi had een museum met een hoge graag van specialisatie. De marmeren standbeelden waren vnl. gekozen met het oog op het materiaal, niet de voorstelling Deze teatri della natura waren openbaar toegankelijk. Hoge bezoekers zorgden voor roem; er werd een gastenboek bijgehouden.

Het verzamelen van natuurlijke historie was ook bereikbaar voor minder bemiddelde lieden. Hun verzamelingen waren soms wel onsamenhangend en wanordelijk.

De verzameling naturalia werd vaak een middel om in de onzekere tijden een greep op de wereld te krijgen en deze opnieuw te ordenen. Vorsten zagen zichzelf natuurlijk in het centrum. Voorbeeld daarvan is Cosimo de Medici. Het dierenrijk was vooral bij hem aantrekkelijk.

Zijn zoon Fernando had vooral belangstelling voor etnografica, zijn andere zoon Francesco lette vooral op zeldzaamheid. Het decoratieprogramma van diens studiolo richtte zich op de versmelting van kunst en natuur en vormde een mnemotechnisch systeem.

Bij Francesco ging het vooral om een ruimte waar de resultaten van de technische en alchimistische experimenten van F. samen kwamen en zich met elkaar verbonden,

De encyclopedische verzamelijver van Francesco, maar ook zijn handvaardigheid hadden een voorbeeldfunctie.

Francesco verhuisde een deel van zijn collectie en zijn activiteiten naar de Uffizi. Zijn studiolo was vrij besloten i.t.t. de Uffizi. Het was ook één van de eerste van overheidswege geëntameerde museumprojecten. Naast propagandistische, politieke motieven was er ook een educatief element.

De inhoud van de Uffizi was encyclopedisch. De daar aanwezige naturalia hadden meest een decoratieve of representatieve (kostbaar!) functie. Andere objecten gingen naar de hortus botanicus in Pisa. Muurschilderingen verbeeldden de wereld van de natuur.

Het meest spectaculaire vertrek was de Tribuna. Decoratie en inhoud waren een allegorie op de macht van de Medici, die een onmisbaar element was van God's kosmische ordening.

Ook in de 17e eeuw werden er specialistische objecten verzameld, vooral door profesioneel geinteresseerden als instrument ten behoeve van hun werk en onderzoek.

Bijv Cassiano's museum met een educatieve en wetenschappelijke functie. Aan de kopieën en afgietsels kun je zien dat het hier gaat om het geven van een volledig beeld en niet om de artistieke of geldelijke waarde. Hij had een enorm 'Museo Cartaceo' (prentenkabinet)

Leopoldo di Midici had ook al een meer wetenschappelijke belangstelling en ging zich meer specialiseren. Hij had een grote collectie zelfportretten van kunstenaars, chronologisch geordend.

De Galleria della cose natural van de hertog van Mantua was vooral een verzamelplaats van curiosa. Meer nog dan de vorsten waren het in de 18e eeuw de particulieren die de functie van de Wunderkammer overnamen.

De belangstelling voor de curiosa nam af. Het natuurhistorisch museum van Antonio Vallesneri was niet meer een ontmoetingsplaats voor een elite en de verzamelplaats van vreemde zaken, maar een 'instituut' voor onderzoek en onderwijs.

 

Verzamelaar Johan Maurits van Nassau-Siegen.

Hij is in Nederland de enige adellijke verzamelaar waarbij zijn intensieve inhoudelijke betrokkenheid in bronnen aantoonbaar is. Bij zijn verblijf als gouverneur in Brazilië nam hij diverse kunstenaars en geleerden mee om daar alles in beeld te brengen. De teksten en afbeeldingen van deze mensen liet hij na afloop publiceren. Ondertussen was het Mauritshuis (Jacob van Campen) klaar. Daar hing hij ook zijn collectie portretten van zijn dynastie, andere dynastieën en beroemde mensen.

Hij zag zijn collectie niet als onverbrekelijke eenheid. Hij verkocht aan de vorst van Brandenburg bijv. 800 tekeningen en deed ook schenkingen aan wetenschappelijke instellingen en personen om op die manier roem, land en orden te krijgen.

5. Noordnederlandse verzamelingen in de zeventiende eeuw

In Nederland was de verzamelactiviteit onder burgers opvallend. Als een van de eerste grote universele verzamelingen valt die van Paludanus aan te merken (eind 16e eeuw) terwijl Albertus Seba als overgangsfiguur gezien kan worden naar een andere periode (begin 18e eeuw).

Er waren ook enkele openbare collecties zoals de teatra anatomica en stedelijke rariteiten kabinetten die vaak verband hielden met de plaatselijke geschiedenis.

In Nederland waren aan aantal basisomstandigheden aanwezig

Paludanus was dus een van de eersten met een grote verzameling, waarvan het zwaartepunt op naturalia lag, maar door zijn goede contacten had hij ook veel exotica. Zijn tuin moet ook gezien worden als onlosmakelijk deel van zijn verzameling.

Paludanus heeft ideeën geleverd voor de Leidse hortus, geïnspireerd door de hortus in Padua

Jan Govertsen was een verzamelaar van voornamelijk schelpen

De gebroeders Reynst hadden een destijds beroemde, goed gedocumenteerde verzameling met een omvangrijke collectie schilderijen en exotica. De collectie is deels vastgelegd op prenten wat resulteerde in het eerste aan een Nederlandse verzameling gewijde geïllustreerde boek.

In de tweede helft van de 17e eeuw nam het aantal verzamelingen toe. Er was dan ook een grotere aanvoer , zo nam door het perfectioneren van preparaten het aanbod aan naturalia toe. Er was een toenemende deskundigheid en de mogelijkheden tot onderzoek namen ook toe (microscoop). Ook verschenen er meer catalogi met als doel:

 

Er zijn 4 hoofdtypen verzamelingen

  1. antiquiteiten en munten
  2. Dit was het oudste verzamelobject, vooral gericht op het voorwerp als historische bron Twee verzamelingen zijn belangrijk, die van Smetius (internationale bekendheid door het congres van Nijmegen) en van de Wilde (belangrijke bezoeker Peter de Grote)

  3. kunst, schilderijen, prenten en tekeningen (papierkunst)
  4. een Italiaanse meester was een wens, daarnaast verzamelde men veel eigentijdse Nederlandse meesters. Een grote verzameling papierkunst werd een 'atlas' . De beroemdste was die van Laurentius van der Hem met tekeningen samen met kaarten van Blaeu. Tekeningen waren ook studie- en voorbeeldmateriaal (Rembrandt)

  5. naturaliën
  6. Dit was de grootste groep. In Nederland waren veel 'zeegewaschen'. Artsen hadden vaak veel preparaten. Ook de afdeling planten had vaak een medisch-farmaceutisch karakter.

    Fossielen werden tot de gesteenten gerekend.

    Men wist niet goed hoe dit verschijnsel te plaatsen. Men zag het als een afdruk van een soort die bij de zondvloed verzwolgen was (en nog moest bestaan) of een speling der natuur, een als plant of vis gevormde steen.

    Buiteneuropese voorwerpen en etnografica werden vaak opgesteld tussen de naturalia

  7. universele

De verdeling in de drie bovenstaande categorieën is kunstmatig. De meeste verzamelaars bezaten dingen uit alle categoriën. Het accent had één van de drie. Universele verzamelingen waren misschien die van Brink, Reynst, Swammerdam, de Flines en de dynastie Witsen.

Tot het midden van de 17e eeuw kwam het zelden voor dat een verzameling ondergebracht werd in één speciale ruimte. Wel bestond het verzamelmeubel ( soms met een iconografisch programma gericht op de inhoud).

Over de ordening is ook weinig bekend. De verdeling van naturalia volgens Plinius (dieren, planten, stenen) kwam voor, maar ook de verdeling naar elementen of naar materiaal. Ook esthetische ordening kwam voor, dus naar vorm, formaat, kleur.

Voor bibliotheken en muntkabinetten verschenen handleidingen voor de ordening, andere verzamelaars namen soms de catalogi van buitenlandse collega's als voorbeeld.

De verzamelaar Valckenier had tot doel met zijn opstelling -fossielen met bij elk een vergelijkbaar dier - zijn theorie te illustreren (fossielen ontstaan tijdens de zondvloed).

Als verzamelmotieven golden

  1. aanzien
  2. winst
  3. zintuiglijk plezier
  4. religie, het aantonen van Gods grootheid

Van veel verzamelaars hielden hun verzamelmotieven verband met hun beroep

Nederlandse collecties speelden een rol op internationaal gebied door de vele internationale wetenschappelijke netwerken waar de verzamelaars deel van uitmaakten en doordat sommige collecties uiteindelijk opgenomen zijn in buitenlandse collecties. Enkele grote Nederlandse verzamelaars waren lid van één of meerdere buitenlandse Academies.

Na hun dood werden de collecties van de meeste verkocht. Het Nederlandse erfrecht was daarbij ook een factor Ook de latere specialisatie van verzamelaars en musea zorgde voor verspreiding. In de 18e eeuw werd nog steeds veel verzameld, maar er werd in toenemende mate gespecialiseerd en de ordening werd rationeler

Verzamelaar Albertus Seba

Hij had twee keer een rijke collectie. Zijn eerste collectie werd verkocht aan Peter de Grote. Zijn catalogus bevatte alleen beschrijvingen van eigen objecten. Zijn collectie heeft een rol gespeeld bij de wording van het classificatiesysteem van Lineus. Zijn optimistische en geïnteresseerde kijk op de ontwikkelingen in zijn tijd en de toekomst maken hem een overgangsfiguur naar een periode met modernere en systematischere methoden.

 

6. Galerij en kabinet, vorst en burger, schilderijencollecties in

de Nederlanden

In de jaren dertig van de 17e eeuw begon de bloeiperiode van de Nederlandse beeldende kunst. In het boek van Guicciardini lag de nadruk op de schilders uit de Zuidelijke Nederlanden. De door hem beschreven werken waren meestal in het bezit van vorsten buiten de Nederlanden.

De eerste landvoogdes Margaretha van Oostenrijk had een verzameling van betekenis. In het Noorden werd een impuls gegeven door Philips van Bourgondië, bisschop van Utrecht.

Antwerpen was in de verenigde Nederlanden de belangrijkste stad. Na het beleg van Antwerpen (1584) emigreerden niet katholieke burgers naar het Noorden. In de periode 1590- 1650 volgde opnieuw een artistieke bloei, voor een groot deel veroorzaakt door de opdrachten ter herdecoratie van de kerken na de beeldenstorm.

Het hof van de aartshertogen in Brussel was naar Spaans model ingericht.

Albrecht en Isabella hadden een verzameling met veel Vlaamse primitieven en Duitse schilders. Rubens werd hofschilder. Zijn religieuze stukken sloten goed aan bij de opvattingen van Albrecht en Isabella

Zijn historiestukken vervulden een representatieve functie.

Albrecht en Isabella hielden ook van landschappen en bloem- en dierstukken van Brueghel.

Leopold Wilhelm van Oostenrijke had een grote collectie Italiaanse kunst, die Teniers in zijn Theatrum pictorium in beeld bracht. L.W nam na zijn aftreden de collectie mee naar Wenen.

Van de inrichting van de vorstelijke verzameling weten we weinig maar er was sprake van galerijen.

Rond het midden van de 16e eeuw begonnen ook burgers te verzamelen. Deze meest Antwerpse verzamelaars hadden vaak aristocratische ambities. Voorbeelden zijn Jongelinck (Durer, Breughel) en Rockox (inventaris bekend, klassieke oudheid)

In het begin van de 17e eeuw begonnen de 'liefhebbers ' meer naar voren te treden. Sommigen werden lid van het schildersgilde, waarschijnlijk i.v.m. de mogelijkheid tot verkoop. Een voorbeeld hiervan was Van der Geest.

De Cachopin hechte er aan originelen te bezitten. Hij had een zaal met enkel Van Dijks.

Stevens had vnl oude en eigentijdse Vlaamse kunst, geen naturalia. Van Meus had die wel.

Het begrip Kunstkamer hield voor schilders hun werkplaats of winkel in. Voor de verzamelaars was het de ruimte waar (een deel van) hun collectie hing/ stond.

Bij de voorbeelden Van Weerden en Anthoine valt op dat in die ruimte huisraad zo goed als ontbreekt en dat de collectie voornamelijk bestaat uit Vlaamse meesters.

De rol als economisch middelpunt werd na 1585 door Amsterdam van Antwerpen overgenomen.

De Oranjes waren niet zo bezig met de inrichting van hun onderkomens.

Frederik Hendrik was de eerste die zich bekommerde om enige allure. Hij liet oude paleizen vervangen en de nieuwe rijk decoreren. Bij die allure hoorde een schilderijencollectie. Factoren van belang daarbij:

De voorkeur ging uit naar Vlaamse barok en de Utrechtse en Haarlemmer navolgers daarvan.

De eerste schilderijenverzamelingen van Noord-Nederlandse burgers zijn in de tweede helft van de 16e eeuw ontstaan mede onder invloed van de vele Zuid-Nederlandse immigranten..

Het verzamelen van Italiaanse meesters hing hier, anders dan het Zuiden en in Engeland, haast niet samen met directe contacten met Italie. De reizen daarheen van Rubens en Van Dijk zijn wel van grote invloed geweest.

Het grootste deel van de schilderijenverzamelingen hing verspreid door het huis. Aan het einde van de 17e eeuw gaan sommige verzamelaars er toe over om het grootste en belangrijkste deel in één kamer op te hangen. De schilderijen hingen vaak lijst aan lijst. Over een doelbewuste ordening is niets bekend.

Na de bloeitijd van de Nederlandse schilderkunst bleven de verzamelaars toch vaak werk uit juist die periode verzamelen. Hun verzameling was van een van eigentijdse kunst in een van 'oude' kunst veranderd.

De Zuid- Nederlandse verzamelingen bevatten meestal niet de naturalia en exotica die juist voor de kabinetten uit het Noorden zo typerend waren.


| Index | Kunst | Verzamelen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Marga Mulder (2002)