VERZAMELEN, van rariteitenkabinet tot kunstmuseum

De encyclopedische verzameling

Blok 2

Een nieuw soort encyclopedie

 

7 Institutionele verzamelingen in de tijd van de wetenschappelijke revolutie (1600- 1750)

Jan Swammerdam had in de 17e eeuw een belangrijke verzameling anatomische en entomologische preparaten. Het bijzondere aan deze verzameling waren niet alleen zijn gevorderde preparatietechnieken, maar ook zijn uitgangspunt dat het niet in eerste instantie ging om het bijzondere, maar juist om het gewone. Na zijn dood viel deze verzameling bij gebrek aan een koper uit elkaar.

Een meer duurzaam karakter kon een verzameling krijgen door

In de 17e en 18e eeuw waren de particuliere verzamelingen belangrijker dan de institutionele. Wel zijn de laatste vaak de kern geweest van de latere museale verzamelingen. De institutionele verzamelingen zijn ook bestudering waard omdat daarover meer gegevens bekend zijn, met name over de verzamelmotieven.

Ook hebben de institutionele verzamelingen duidelijker een rol gespeeld bij de veranderingen binnen de wetenschapsbeoefening (wetenschappelijke revolutie tussen 1600-1750)

Het (niet steeds duidelijke)verschil tussen een institutionele en een particuliere verzameling is

Uitzonderingen zijn bijv de verzameling van Hubert, die openingstijden kende en functionarissen van institutionele collecties die er een zo sterke stempel op drukten dat het haast een privé-aangelegenheid werd (Heurnius)

Een belangrijke vernieuwing in het 16e eeuwse universitaire onderwijs was de hortus medicus. Eerste was de pauselijke universiteit in Rome die ook het eerste universitaire museum voor natuurhistorie had. Belangrijker waren de tuinen in Pisa en Padua.

In Nederland ontstond eind 16e eeuw een hortus in Leiden. Paludanus werd aangezocht mede met het oog op zijn collectie, maar dat mislukte. Het lag steeds in de bedoeling om niet alleen een hortus medicus, maar ook een kabinet van natuurlijke historie te scheppen.

Door de vele uitheemse aanwinsten werd de hortus medicus al gauw een hortus botanicus. Aan de zuidzijde kwam een abulacrum (galerij) als beschutting tegen regen en zon en voor de overwintering van sommige planten, die ook de collectie naturalia (waaronder etnografische objecten) en curiosa herbergde.

Het abulacrum belichaamde het humanistisch geleerdenideaal, ontmoetingsplaats van natuur, kunst en wetenschap. Een scherpe scheiding tussen natuur en cultuur werd niet gemaakt

Het humanistische ideaal heeft in de loop van de 17e eeuw terrein verloren. In de wetenschap verschoof de belangstelling steeds meer van het uitzonderlijke naar het algemene en wetmatige.De Leidse hortus ging niet met de tijd mee, maar werd meer rariteitenkabinet .

Ook het anatomisch theater was een onderwijsvernieuwing. In Leiden was het vanaf het begin meer dan een snijplaats in de winter. Er waren ook allerlei skeletten te zien (met moralistische vaantjes in de hand). De hoogleraar Heurnius zette in dat opzicht nog sterker als zijn voorganger Pauw de vanitasgedachte voort. Daartoe kocht hij ook een serie prenten van Basson die hem met de curatoren in conflict bracht. Naar aanleiding daarvan moest hij een inventaris maken.

Ook etnografica en naturalia wilde hij graag hebben. Zijn eigen betekenis bleef ook niet onopgemerkt binnen de collectie.

Aan het eind van de16e eeuw verscheen de eerste gedrukte catalogus die later in andere talen verscheen. Daaruit blijkt dat het moraliserende steeds meer was vervangen door het miraculeuze. De Leidse anatomische verzameling was een toeristische attractie geworden.

Ondertussen groeide de verzameling door aankoop en schenking, vooral van complete collecties van de hoogleraren.

Door de collectie van Rau die meer belangstelling had voor een anatomisch kabinet, ontstond er een scheiding tussen de serieuze collectie en het rariteitenkabinet dat daarna in verval raakte.

Naast de universiteiten hadden ook veel chirurgijngilden een verzameling.

Een nieuw verschijnsel waren de wetenschappelijke genootschappen. De collectie van de Hollandsche Maatschappij voor de Wetenschap schonk haar collectie in de loop der tijd aan Artis. De Teylers Stichting heeft een nog steeds bestaande, geografisch georiënteerde, collectie.

De Royal Society of Londen had vanaf 1660 een willekeurige collectie, die na de pestepidemie in 1665 systematischer werd ingericht als een kabinet van natuurlijke historie. Dit paste goed bij het Baconiaanse wetenschapsideaal (zorgen voor een brede empirische basis).

Een goede verzameling zorgde ook voor veel aanzien voor het genootschap.

De verzameling van Hubert was die van een welgestelde liefhebber in de natuurwetenschappen volgens de late humanistische ideeën. Ik was veel aandacht voor het bijzondere. Hij gaf zijn verzameling een zeker cachet door de vermelding van objecten afkomstig van vorsten en vermelding van vorsten die de collectie bewonderd hadden.. De collectie week af van de virtuoso-collectie door de voor die tijd ongebruikelijke specialisatie en de openstelling.

De verzameling Hubert werd aangekocht door De Royal Society. De leidende figuren daar hadden niet het voornemen de collectie verder met rariteiten uit te breiden maar wilde haar gebruiken als basis vanuit de uitgangpunten van o.a. Descartes dat juist het gewone het uitgangspunt moet zijn voor de nieuwe wetenschap. Dit paste bij het oprichtingsmotief van de Royal Society; een rol spelen bij de vernieuwing van de wetenschap.

De leemtes in de collectie Hubert werden door gerichte zoekacties en giften opgevuld.

Er was ook behoefte aan een nieuwe taxonomie (classificatie), nieuwe redelijke taal en uniforme terminologie

Uiteindelijk werd deze grootschalige hervormingspoging geen succes. De middelen bleken te beperkt en de verschillen van inzicht te groot. Dat valt duidelijk te zien aan de inventaris die de botanicus Grew maakt met als bijdrage aan de hervormingsplannen, de intentie een compleet overzicht van de drie rijken van de natuur te geven. Dit kon hij niet waarmaken.

Ook na een sterke groei van de collectie Hubert bleef het geheel toch nog steeds op het bijzondere gericht en bevatte nu ook etnografische objecten en kunstnijverheidsproducten (Hubert had alleen naturalia).

Het inzicht groeide dat compleetheid niet haalbaar en misschien ook wel niet wenselijk was. Voor bestudering van het gewone greep men steeds meer naar 'verse' voorbeelden.

Veel bezoekers van de verzameling van de Royal Society waren teleurgesteld (Uffenbach). De collecties van menig paticulier waren groter. Dit kwam door grotere inzet en ruimere middelen van die particulieren. Voorbeeld was de collectie van de voorzitter van de Royal Society Hans Sloane.

Belangrijk omslagpunt was het toen in 1753 de collectie van Sloane de basis werd van het Brittish Museum. Vijfentwintig jaar later besloot de Royal Society ook haar collectie daaraan over te doen.

De institutionele collectie kwam daarna in het voordeel.

Vroegere institutionele verzamelingen konden zich dus vaak niet meten met de particuliere, maar van belang is wel het ruime bronnenmateriaal van de institutionele verzameling.

Het Baconiaanse programma paste enkel bij de institutionele verzameling, want wetenschap is volgens Bacon per definitie een collectieve en openbare bezigheid. Het museum van de Royal Society was vooral van belang als uiting van de in de 17e eeuw opkomende nieuwe opvatting van wetenschap

 

8 Het 'encyclopedische' museum van de achttiende eeuw

 

In dit hoofdstuk wordt de stelling gerelativeerd dat het streven naar encyclopedische overzichten van alles wat door God en de mens geschapen is, in de loop van de 17e werd losgelaten. Wat wel verandert is de inhoud en de vorm.

Ook de inhoud van het begrip museum verandert van een verwijzing naar een verzameling zeldzaamheden van een particulier naar een publieke instelling, systematisch ingericht en opengesteld en met een educatief karakter.

Voorbode was het Ashmolean Museum in Oxford gewijd aan natuurlijke historie wat zich toen ook uitstrekte tot de geschiedenis van de mens en zijn uitingen.

 

Dit museum bevatte de collectie boeken manuscripten en archeologische vondsten van Ashmole en de naturalia (waaronder ook etnografica) van Tradescant.

De objecten waren niet het belangrijkste op zich, zij hadden vooral een functie in een kritische wetenschapsbeoefening (Bacon)

Het museum 'Palais des Sceinces" in Dresden wordt door de encyclopedisten niet genoemd, waarschijnlijk omdat het was ingebed in de absolutistische hofcultuur.

Er was hier in de opstelling sprake van een tweedeling in objecten uit de natuur en die te maken hadden met activiteiten van de mens. De centrale opstelling van een model van 'Salomon House" stond wellicht symbool voor de kennisverwerving via onbevooroordeelde observatie.

De neiging tot concentreren, systematiseren en openbaarmaken was er ook bij de kunstkamer van Peter de Grote en de verzameling van de Spaanse koning in het Prado.

Het British museum moest een weerspiegeling zijn van de band die alle kunsten en wetenschappen met elkaar verbindt. Het zou ontdekkingen experimenten en uitvindingen moeten bevorderen.

Het ontstond met als basis de collecties van Cotton, Sloane en de broers Harley., 3 afdelingen:

Het Fredericianum wortelde (als Dresden) in de absolutistische hofcultuur. De collectie had als basis de Kunst- und Wunderkammer van Frederik II . Wilhelm VIII, zijn vader, had zich gericht op het verzamelen van schilderijen, hij verzamelde beeldhouwkunst en natuurwetenschappelijke objecten (er was natuurlijk ook al het een en ander van de voorouders).

Na het Ashmolean is het Fredericianum het tweede daarvoor gebouwde museum. De architect was du Ry. Het neoclassicistische gebouw was onderdeel van een groter project. Du Ry liet zich inspireren door het Instituto delle Scienze in Bologna.

Bij de opstelling was er een splitsing tussen het materiaal en de middelen ter bestudering van dit materiaal. Dit sloot aan bij de functie als onderzoeksinstituut.

Het Fredericianum maakte deel uit van een keten (Alexandrijns model) waartoe het Ottoneum (onderwijs), de academie voor schilder en beeldhouwkunst en de Fürstliche Hessische Gesellschaft der Alterthümmer hoorden. Dit laatste gezelscha[ baseerde zich o.a. op het werk van Winckelman over stadia en voortgang in ontwikkeling.

Het Museum National in het Louvre ontstond door onvrede over het beheer en de geslotenheid van de collecties van de Franse koning. Door gebrek aan voorbeelden zou bijvoorbeeld de Franse schilderkunst achteruit gaan. In de eerste plannen was er sprake van een encyclopedisch museum, maar uiteindelijk werd het een museum voor de 'Beaux-Arts'. Dit werd wel erg ruim opgevat.

Men koos voor een gevarieerde opstelling want te veel verwante objecten bij elkaar vragen te lang achtereen dezelfde aandacht.

De nieuwe encyclopedische collecties hadden voor een groot deel dezelfde objecten als de voorgangers, maar er was wel sprake van een verschuiving van de aandacht voor het wonderbaarlijke (wat zeker niet ontbrak) naar het 'normale'.

Belangrijke kenmerken van de nieuwe encyclopedische musea zijn:

Alleen het Fredericianum had openingtijden, bij de anderen was er sprake van drempels.

Toelichtingen ontbraken nog (uitz. Louvre, maar er kwamen wel handzame catalogi.

De collectie was vaak deels gericht op materiaal dat verband hield met de lokale industrie en mijnbouw.

Door ordening en openstelling wordt eigentijdse beoefening van wetenschap gestimuleerd, daarbij kan men ook leren aan de hand van oude uitvindingen en technieken

Er is belangstelling voor stadia, ook ten aanzien van de oudheid. In de Kunst woedde in dit tijdperk de "Quierelles de anciens et des modernes", men zag een achteruitgang. In Duitsland kwam daar nog de achterstand tov Frankrijk bij.De twisten kan men zien als een aansporing tot competitie met de oudheid.

Krünitz encyclopedie was alfabetisch georderd. Hij geeft in zijn artikel over de Kunstkammer aan een oud begrip nieuwe inhoud. Hierin hoorde volgens hem thuis de Kunst-Geräthe (werktuigen) en de Kunst-Werke (uitvindingen die plezierig zijn voor het oog, of van groot nut voor de industrie). Naturalia horen hier dus niet thuis. Bij zo'n gemengd geheel spreekt hij van een Rariteitenkabinet. Hij gebruikt dit begrip met een negatieve bijklank.

Bij Zedler die ook wel spreekt over een Rariteitenkabinet bij een gemengde verzameling is van een negatieve bijklank nog geen sprake.Zedler neemt de schilderkunst nog wel op, bij Krünitz is die al afgescheiden (ondergebracht in aparte galerijen)

Naast een onderscheid tussen natuur en kunst komt er ook een sytematischere opstelling volgens de beginselen van Linnaeus (plant en dier) of Wallerius en Cronstedt (minaralen).

De encyclopedie van Diderot en D'Alembert is, volgens het gedachtengoed van Francis Bacon, op zoek naar een systematisch verband tussen de verschillende gebieden van van menselijke kennis en creativiteit.

Men schept de "Encyclopedische boom" Vanuit het centrale punt, het Verstand, worden die gebieden onderscheiden; de Rede, het Geheugen en de Verbeelding. De 'eigenlijke'wetenschap is de Filosofie.

De rariteiten zijn niet van het toneel verdwenen maar als soort bij elkaar gegroepeerd.

De verwijzingen leiden ons langs de onzichtbare verbanden tussen de dingen, want de mens, met zijn beperkingen, is aangewezen op een stapsgewijze benadering. God overziet alles.

In de 19e eeuw , als er afzonderlijke academische vakgebieden ontstaan, valt het encyclopedische verband uit elkaar. Het Louvre kun je beschouwen als een voorbode

 

 

9 Naar een systematische presentatie

De tendens tot de ordening van de deelverzamelingen van de ouder Kunst- en Wunderkammer van algemeen naar specifiek ziet men ook in de schilderijenverzamelingen die in loop van de 18e eeuw meestal losgekoppeld werden van de verzameling waar zij soms deel van uit maakten.

Ook deze verzamelingen werden meer openbaar.

Nadat August II het Palais des Sciences had laten inrichten kwam August III in Dresden met een zelfstandige schilderijengalerij in de Stallhof in Dresden.

De opstelling was

Uit de inleiding van de catalogus van 1765 (Riedel, Wenzel) blijkt dat de opstelling een serieuze studie mogelijk wil maken; kijken vergelijken en evalueren.

Ook de theoreticus De Piles pleit voor vergelijking van bijv. onderwerpkeuze , compositie enz. niet gehinderd door het vooraf in hokjes plaatsen.

Ludwig van Hagendorn raadde de schilders een vergelijking volgens de stappen

De indeling in scholen werkte volgens hem de partijdigheid in de hand. (is het Italiaans dan is het goed, is het Duits dan is het bij voorbaat minder)

Desalniettemin werd deze indeling, geografisch van aard, al wel enigszins gebruikt..

De Uffizi in Florence werden door Leopold (broer van Jozef II in Wenen) drastisch gereorganiseerd. De wapens werden verwijderd en voor de naturalia en wetenschappelijke instrumenten werd een apart museum geopend.

De grote concentratie werken in één museum had zowel in Florence als in Wenen een representatief doel. Beide werden vergeleken met een bibliotheek. In de Uffizi waren ook sculpturen en andere oudheden te vinden, in Wenen waren alleen schilderijen. Bij beide kwam belangstelling voor 'eigen', Toscaanse/ Duitse en Nederlandse, kunst.

Lanzi beschrijft de volgorde waarin men de Uffizi moet bekijken. Allereerst moet men kijken en vergelijken (ook met sculpturen, oud en modern, imitatio en aemolatio). Daarnaast waren de ontwikkelingsstadia in de eigen Toscaanse kunst te ontdekken..

Een dergelijke historische reeks, maar dan met Duitse en Nederlandse schilderkunst vindt men in Wenen. In de Uffizi werd alleen de Toscaanse school afgezonderd, in Wenen kreeg alles de vorm van een ver doorgevoerde scholenindeling naar plaats van herkomst. Binnen de scholen was alles chronologisch georderd.

Mechels systematiek kreeg als kritiek dat er een 'staalkaart"was geschapen.

Het idee van een chronologische reeks werd voor het eerst geopperd door Querci in 1773. Ook de indeling van prenten door Durazzo in scholen, kunstenaars en daarna chronologisch heeft Mechel wellicht geïnspireerd.

In Wenen werd het idee om de Duitse kunst in een ontwikkeling te laten zien gevoed door de ontdekking van Duitse olieverfschilderijen die ouder waren dan die van Van Eycks (de 'uitvinders' van deze techniek).

Zowel de gemengde presentatie in Dresden als de meer gesystematiseerde presentatie in Wenen en de tussenvorm in Florence hadden een vergelijkbare functie en doel: bredere oriëntatie teneinde de schilderkunst in eigen staat op een hoger plan te brengen.

Het Museum National in Frankrijk opende als gevolg van de revolutie maar de eerste aanzetten daartoe waren al van ver daarvoor.

Het moest een van krachtigste middelen zijn om de Republiek roem te verschaffen.

Meerdere inrichtingswijzen bestonden in één verzameling naast elkaar omdat zij twee verschillende uitwerkingen waren van één kunsttheorie., maar in Parijs werden zij als strijdig beschouwd.

Roland die allereerst uitging van de belangen van de kunstenaars pleitte voor een gemengde inrichting.

Le Brun ging uit van de kunstkenners die de kunstenaars op moesten voeden. Hij pleitte voor een indeling naar scholen en daarbinnen een chronologische.

Ook Lenoir pleitte voor 'histoire' (als weergave van de zichtbare feiten, een andere kunstgeschiedenis dan die wij nu kennen).

Bij de opening was er nog een gemengde opstelling en zorgden ook andere voorwerpen voor een nog grotere afwisseling. Het accent verschoof van genieten naar leren.

In 1799 was de collectie geordend naar scholen. Tot een chronologische ordening naar tijdperken is het niet gekomen.


| Index | Kunst | Verzamelen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Marga Mulder (2002)