Inleiding: de overgang van Middeleeuwen naar Nieuwe Tijd
In de periode 1450-1650 dienden zich in West-Europa aan aantal vernieuwingen in het maatschappelijk leven aan:
Voor de meeste mensen in Europa bleef het leven beheerst door het hiërarchische denken van de standenmaatschappij, het geloof in de betekenis van bovennatuurlijke krachten, de almacht van de kerk en de ontberingen van een hard bestaan.
De meeste mensen (70 á 90%) leefden nog op het platteland waar een dunne laag van grootgrondbezitters de lakens uitdeelde
Nieuwe ideeën over seksualiteit en celibaat, huwelijk en gezin
In 1527 wilde Hendrik VIII scheiden van Catharina omdat zij hem geen zoon kon geven. De paus gaf, onder druk van keizer Karel V, neef van Catharina, geen toestemming.
Hendrik VIII verwierp vervolgens het pauselijk gezag en maakte de koning zelf het hoofd van de Engelse kerk.
In de latere Middeleeuwen kwam de leer van de superioriteit van het celibaat steeds meer aan kritiek bloot te staan. De scepsis ten aanzien van de geestelijkheid zien we terug in het werk van de latere humanisten die ‘menselijke zaken’ meer centraal stelden (res humanae). Het res divinae, de goddelijke zaken, bleven echter de boventoon voeren.
Desiderius Erasmus (1467-1536) heeft zich in verscheidene geschriften uitgelaten over het huwelijk en het celibaat. In Christiani matrimonii institutio (1526) verzet hij zich tegen gearrangeerde huwelijken en pleitte hij voor een liefdevolle, zorgzame opvoeding van kinderen. Dwang en straf deden meer kwaad dan goed.
Hij pleitte ook voor het priesterhuwelijk, om zodoende een einde te maken aan het priesterconcubinaat dat inmiddels min of meer werd gedoogd (de boetes waren uitgegroeid tot een soort kerkelijke belasting).
Thomas More (1478-1535) schreef in zijn Utopia (1515/1516) over een idyllisch huishouden. Belangrijk was in dit boek echter ook dat de meeste priesters getrouwd waren.
Erasmus en More hadden wel een groot ontzag voor een celibataire levenswandel. Maar zij achtten het in strijd met de wetten der natuur.
De opvattingen van de groter hervormers van de 16de eeuw, Luther, Zwingli, Calvijn en Bucer, vertoonden onderling alle mogelijke theologische verschillen maar er zijn toch 4 gemeenschappelijke hoofdkenmerken die hebben doorgewerkt in het denken over huwelijk en gezin:
Luther (1483-1546) bleef echter wel seksualiteit wel met het zondige associëren.
Calvijn (1509-1564) bleef, nog meer dan Luther, de nadruk leggen op de noodzaak van een kuise levenswandel.
Toch kreeg de erotiek langzamerhand binnen het huwelijk een meer eigen, geaccepteerde plaats. Het verwekken van het nageslacht bleef wel het belangrijkste doel van het huwelijk, maar een liefdevolle relatie tussen de echtelieden, werd als essentieel beschouwd.
Het gegeven dat de godsdienstuitoefening meer thuis plaats vond leidde tot de ontwikkeling van de cultus van huiselijkheid die zich aan het begin van de Nieuwe Tijd begon af te tekenen. Ook de patriarchale verhoudingen hebben hierdoor een nieuwe impuls gekregen.
Binnen de katholieke kerk kwamen als reactie ook hervormingen tot stand (Contrareformatie). Er werden nieuwe, strenge kloosterorden gesticht, die zich met grote ijver inzetten voor onderwijs, ziekenverpleging en andere ‘goede werken’ onder het volk. Een sobere levenswijze moest de wereld een voorbeeld geven van vroomheid, ingetogenheid en onwereldsheid. De belangrijkste nieuwe orde waren de Jezuïeten gesticht door de Spanjaard Ignatius van Loyola (gesticht in 1534). De Jezuïeten waren de opvoeders van vrijwel geheel katholiek Europa.
Ook de hervormingsgezinde, vrome katholieken hebben bijgedragen aan de nieuwe gezinsmoraal aan het begin van de Nieuwe Tijd.
In feite bouwden beide hervormingsbewegingen voort op het humanistisch gedachtegoed van de 15de eeuw.
Huwelijkssluiting en gezinsleven: de chaos bestreden
Sommigen menen dat het protestantisme de patriarchale macht van de huisvader en daarmee de liefdeloze en hiërarchische verhoudingen binnen het gezin heeft versterkt, anderen daarentegen stellen dat de protestantse waardering voor de huwelijkse staat een aanzet is geweest tot het moderne, liefdevolle huwelijk zoals dat zich in de loop van de Nieuwe Tijd zou hebben ontwikkeld. Zowel de protestantse Reformatie als de katholieke Contrareformatie hebben er op den duur ook voor gezorgd, dat er orde in de chaos werd geschapen.
Een illustratie van de verwarring van die tijd is het verhaal van de Wederdopers tijdens het beleg in 1534 Münster. Hun leider, Jan Beukelszoon van Leiden, decreteerde de polygamie voor de mannelijke bevolking. De praktische aanleiding was het grote overschot aan vrouwen. Omdat veel mensen in de 16de eeuw dachten dat het huwelijk niet meer geldig was kwam op meerdere plaatsen bigamie voor. De Reformatie zorgde er derhalve voor dat er geen duidelijk beeld meer bestond over de verhouding tussen kerkelijk en wereldlijk gezag inzake de huwelijkssluiting.
Het concilie van Trente (1545 - 1563) zorgde voor meer duidelijkheid in de katholieke landen, terwijl de protestantse landen hun eigen regels van huwelijkssluiting ontwikkelden.
Ook al was het huwelijk volgens de lutherse leer géén kerkelijke, maar een wereldlijke zaak is het in grote delen van Duitsland en Scandinavië toch gekomen tot een volledig kerkelijke huwelijkssluiting. Dit kwam mede omdat het kerkelijke en het wereldlijk gezag in handen was van de landsheer als hoogste autoriteit.
In Engeland werd in 1550 de organisatie en leer van de Church of England nader omschreven. Huwelijkssluiting bleef een kerkelijke aangelegenheid. Al bleven er vele clandestiene huwelijken bestaan.
In Holland moesten vanaf 1580 huwelijken aangemeld worden bij de magistraat of predikant. Vervolgens vond er driemaal een publieke aankondiging plaats aan de pui van het stadhuis of van de kansel. In de praktijk trouwden gereformeerden in de kerk en katholieken op het stadhuis. Geleidelijk aan namen de andere gewesten deze bepalingen over.
In Frankrijk bleef het katholicisme de boventoon voeren. Protestanten trouwden vaak via een notariële akte.
Na het concilie van Trente was bij de katholieken de pastoor nodig om de consensus van het bruidspaar te bevestigen. Een huwelijk zonder pastor kon voortaan nietig worden verklaard.
Toestemming van de ouders was wel wenselijk maar niet noodzakelijk.
Luther en Calvijn dachten daar anders over. Zij vonden ouderlijke toestemming onontbeerlijk om te komen tot een huwelijkssluiting.
Echtscheiding bleef na het concilie van Trente onmogelijk. Een tijdelijke scheiding van tafel en bed bij overspel en mishandeling kon wel worden toegestaan.
De protestanten erkenden overspel en kwaadwillige verlating wel als reden voor echtscheiding.
In Engeland was echtscheiding alleen mogelijk door een uitspraak van het parlement.
Echtscheidingen bleven echter overal een zeldzame uitzondering.
Er kwam ook veel moralistische literatuur op de markt.
Kern was dat de man diende te zorgen voor het welzijn van vrouw en kinderen en het gezin met ferme hand moest besturen. De vrouw was ondergeschikt aan het gezag van haar man. De taken van huismoeder werden hoog aangeslagen.
Het aangaan van een huwelijk werd beschouwd als een rationele beslissing. Er moest sprake zijn van harmonie in leeftijd, godsdienst en een gelijkwaardige sociale achtergrond.
Het fysieke bestaan van het gezin en het West-Europese huwelijkspatroon
Het alledaagse fysieke bestaan van gezinnen bleef vooral bepaald door ‘harde’ demografische en economische omstandigheden en factoren. In de meeste streken leefde 70 tot 90% van de bevolking op het platte land. De Nederlanden waren een uitzondering. In 1469 was het percentage daar ongeveer 66%. Holland was al vroeg verstedelijkt. In 1514 leefde 46% van de bevolking in een stad. In 1622 was dat al 54%. Alleen sommige gebieden in Italië benaderden dit peil.
De gemeenschappen waren klein. Een stad van 20.000 inwoners was een grote stad.
Mannen en vrouwen trouwden pas op het moment dat zij over bestaansmiddelen – grond, vee, een ambacht, een vast inkomen, woon- en werkplaats – konden beschikken. Dit leidde tot een hoge huwelijksleeftijd. De gemiddelde grootte van huishoudens schommelde tussen de vier en zes personen. Het dominante gezinstype was derhalve het kleine kerngezin (niet alle geleerden zijn het daarmee eens). Het West-Europese huwelijkspatroon en gezinshuishouden had volgens de Engelse historicus Laslett (1977,1980) een aantal kenmerken:
Historici maken veelal van een drietal bronnen gebruik om onderzoek te doen:
Er is vooral veel 18de- en 19de-eeuws materiaal. Het is nagenoeg onmogelijk om precies vast te stellen hoe gezinnen er nou precies aan het begin van de Nieuwe Tijd uitzagen. Ook de ontwikkelingen in de periode 1450 – 1650 kunnen niet met grote precisie worden geschetst.
Het lijkt aannemelijk dat huishoudens kleiner werden naarmate er meer verstedelijking kwam. Ook is bekent dat protestanten zich hebben afgezet tegen de gewoonte van primogenituur (oudste zoon erft familiebezit en titels).
De Lage Landen
Het is moeilijk vast te stellen of mensen indertijd overwegend uit liefde dan wel vooral uit praktische overwegingen trouwden, maar zeker is dat de adel van de Lage Landen in de 16de eeuw gewoon was om binnen de groep te trouwen. Het huwelijk was primair een alliantie tussen twee families. Wel was voor de Lage Landen typerend dat er een harmonie in het geloof moest zijn. Het spreekwoord ‘twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen’ spreekt boekdelen.
Het huwelijksadviesboek Houwelyck, dat is de gansche gelegentheyt des echten-staets (1625) van de dichtende raadpensionaris Jacob Cats (1577-1660) was een kassucces. Het verscheen in veertig herdrukken. Het boek was naast de bijbel een gebruikelijk huwelijksgeschenk. Alle mogelijke problemen van de huwelijkse staat, variërend van teleurstellingen in de liefde, echtelijke ruzies, jaloezie, overspel, de keuze van dienstpersoneel en de opvoeding der kinderen werden door Cats ter sprake gebracht. In al deze zaken schreef Cats geduld, omzichtigheid, gematigdheid en, natuurlijk, absolute kuisheid voor. Ook al was Cats zelf een calvinist, toch werd zijn huwelijksbijbel in alle kringen van de Nederlandse gewesten gelezen.
Ondanks dat vanaf 1580 in Holland (en later ook de andere gewesten) alleen via predikant of magistraat huwelijken mochten worden gesloten, bleven katholieke priesters ook huwelijken inzegenen. Pas vanaf 1656 werd definitief bij wet geregeld dat katholieken op het gemeentehuis moesten trouwen.
Dit zou pas in de Franse tijd, met de invoering van het Burgerlijk Wetboek, veranderen.
Echtscheiding was toegestaan op grond van overspel en kwaadwillige verlating. Predikant en ouderlingen stelden echter alles in het werk om een huwelijk te redden. Was de situatie hopeloos dan werden de echtelieden naar de wereldlijke overheid gestuurd om de echtscheiding te regelen.
Ondanks de hoge graad van urbanisatie in Holland waren grote delen van het land nog agrarisch. Hierdoor kan verondersteld worden dat er grote regionale en plaatselijke differentiatie moet zijn geweest, ook wat betreft de omvang en structuur van huishoudens.
Historici zijn het er over eens dat in een groot deel van de Lage Landen het kleine gezin moet hebben gedomineerd. Vanwege de gewoonte van gedeelde erfenissen gaat men er van uit dat samengestelde familiehuishoudens hier, zeker in het westen van het land, relatief weinig zijn voorgekomen.
Inleiding: de periode van het Ancien Régime
De term Ancien Régime werd bedacht aan het einde van de 18de eeuw, toen door de Franse Revolutie ‘het oude regime’ omver werd geworpen.
In de loop van de 18de eeuw verschoof het accent van God naar de natuur: het werd nu de natuur die de maatschappelijke orde zou moeten bepalen. Daarmee heeft de Verlichting van de 18de eeuw ook bijgedragen aan de latere romantiek van het veilige huisgezin.
In economisch opzicht laat het onderhavige tijdvak zich ook kenmerken als een tijd waarin velen betrokken raakten in processen van proto-industrialisering, verpaupering en proletarisering.
De ‘emotionalisering’ van het gezinsleven: een gezinshistorische controverse
Volgens de Franse historicus Philippe Ariès waren in de traditionele samenleving Frankrijk van de latere Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd de voornaamste functies van het gezin het in stand houden en doorgeven van het bezit; de gemeenschappelijke, praktische uitoefening van een beroep of bedrijf; de onderlinge dagelijkse hulp bij het overleven; en, in tijden van crisis, de bescherming van eer en leven. Het gezin had evenwel geen affectieve functie, aldus Ariès. Zij was er wel maar werd niet noodzakelijk geacht voor het voortbestaan van huwelijk en gezin noch voor evenwichtige gezinsverhoudingen.
In de laatmiddeleeuwse samenleving was de affectie naar kinderen toe beperkt. Bij overlijden waren de ouders soms ontroostbaar maar een nieuwe boreling zou het overleden kind spoedig vervangen. Had het kind de eerste 7 jaar overleefd, dan werd het opgenomen in de wereld der volwassenen en ging het aan het werk.
In de 18de eeuw ontstond het ‘sentiment de l’enfance’. Een belangrijke stap in deze ontwikkeling was het nieuwe fenomeen om kinderen naar school te sturen. Het gezin werd nu, als tegenhanger van de school, de privé-sfeer bij uitstek voor kinderen waarbinnen ze geknuffeld maar vooral opgevoed konden worden. In plaats van de middeleeuwse en vroegmoderne ‘sociabilité’ kwam langzaam maar zeker het ‘sentiment de la famille’. Ariès bedoeld daarmee dat leden van een gezin de emotionele band met elkaar het belangrijkst vonden en het gezin steeds meer werd afgeschermd van de rest van de samenleving. In het begin konden alleen de welgestelden zich dat permitteren.
De Canadese historicus Edward Shorter (1975) ziet vanaf de 18de eeuw drie nieuwe sentimenten tot ontwikkeling komen die een einde maakten aan het traditionele gezinsleven:
De Franse historicus Jean-Louis Flandrin (1976) wilde aantonen dat een intiem gezinsleven zich vanaf de 18de eeuw had kunnen ontwikkelen. Volgens hem werd voor die tijd het begrip ‘famille’ helemaal niet geassocieerd met intimiteit of huiselijkheid. Pas in de 17de eeuw werd het voor het eerst genoemd als wezenlijk kenmerk voor dit begrip. Pas in 18de-eeuwse woordenboeken werden nauwe verwantschap én het in één huis wonen opgevat als kenmerkende eigenschappen van een ‘famille’.
Protestanten liepen voorop in ontwikkeling van de huiselijke intimiteit, zij hadden oog voor de seksuele dimensie van het huwelijk, terwijl Katholieken het als een sacrament bleven beschouwen. Pas door de Verlichting veranderde ook in het katholieke cultuurgebied de houding tegenover echtelijke liefde. Men ging immers meer kijken naar het natuurlijke in het menselijke gedrag.
De Engelse historicus Lawrence Stone onderscheid een ontwikkelingsproces in drie stadia:
1450-1630: Hier domineerde ’the open lineage family’. Er was nauwelijks respect voor privacy of individuele zelfstandigheid, kinderen werden verwaarloosd en de mensen waren achterdochtig.
1550-1700: De ‘the restricted patriarchal nuclear family’ ontwikkelde zich. De macht van de staat nam toe. Het gezinsleven kwam onder invloed van het puritanisme te staan. De macht van de vader echtgenoot nam toe.
1640-1800: Het element van ‘affective individualism’ diende zich aan. De hoge waardering van zowel het individuele geweten - een persoonlijke verhouding tot God - als van het heilige huwelijk - wederzijdse liefde tussen de echtelieden - lag hieraan ten grondslag.
Stone waarschuwt wel dat een simpel evolutionair schema niet opgaat. Het victorianisme betekende immers een terugkeer naar een patriarchale, autoritaire gezinsstructuur die gepaard ging met een duidelijke onderdrukking van de seksualiteit.
Ondanks hun verschillen zijn de geleerden het er wel over eens dat een geleidelijke emotionalisering van het gezinsleven heeft gezorgd voor het ontstaan van de norm van het liefdevolle, afgeschermde, moderne kerngezin. In de 17de en 18de eeuw deden zich ideologische en economische veranderingen voor die de basis legden voor het in West-Europa zo dominante patroon van het burgerlijke gezin van de 19de en 20ste eeuw.
Ook zijn er historici die er op wijzen dat er al te gemakkelijk werd geoordeeld over de liefdeloosheid van het vroegere gezinsleven.
Van absolutisme tot Verlichting
Tot ver in de 18de eeuw werd over familieverhoudingen gedacht dat de macht van de vader, evenals die van de vorst, was gestoeld op een door God geschapen orde. De verhoudingen waren hiërarchisch bepaald en daarover was geen discussie mogelijk (absolutisme).
De Engelsman Thomas Hobbes (1588-1679) was de eerste die het goddelijk recht als ordenend principe van de samenleving heeft verworpen. Hij ontdeed het natuurrechtdenken voorgoed van religieuze argumenten. Hiermee werd de weg naar de Verlichting geopend.
De Engelse arts John Locke (1632-1704) geldt als een grondlegger van de Verlichting. Volgens Locke kon de macht van de vorst alleen maar gelegitimeerd worden door het feit dat mensen zich er op basis van vrijwilligheid aan onderwierpen.
In Frankrijk werden de Verlichtingsdenkbeelden vooral door Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) ontwikkeld. Hij was ervan overtuigd dat een betere en eenvoudiger maatschappij de mensen beter zou opvoeden, en omgekeerd, een betere opvoeding zou leiden tot een betere samenleving.
Men diende oog te hebben voor de talenten van een kind, het kind af te schermen van de kwalijke invloeden van de buitenwereld, en kinderen als kind te behandelen. Rousseau wenste een scherpe tegenstelling tussen het veilige privé-leven en de harde openbare sfeer.
Bevolkingsgroei, de industriële revolutie en het proces van proto-industrialisering
Volgens de econoom Thomas Malthus (1766-1834) groeide de bevolking in tijden van economische expansie sneller dan de voedselproductie die het platteland kon opbrengen.
Zonder extra maatregelen ter inperking van de bevolkingsgroei zou er uiteindelijk een massale sterfte plaatsvinden.
Malthus zag om zich heen een samenleving die in hoog tempo aan het veranderen was: werkplaatsen werden vervangen door fabrieken, nieuwe technieken kwamen in de plaats van de ambachtelijke productiewijze, de landbouw werd gemechaniseerd en geïntensiveerd, de infrastructuur van Engeland werd sterk verbeterd, steeds meer mensen trokken naar de steden en de bevolking bleef maar groeien.
In de pre-industriële samenleving van Europa heerste een wankel evenwicht tussen de omvang van de bevolking, de productie van voedsel en goederen en de consumptie.
In 1700 was nog de helft van het agrarisch areaal vrij te gebruiken, in 1822 was 94% ervan omheind en door welvarende boeren of grootgrondbezitters in cultuur gebracht. Veel keuterboeren en landarbeiders werden zo gedwongen om hun kostwinning aan deze nieuwe situatie aan te passen.
Engeland ontpopte zich vanaf de 2de helft van de 18de eeuw in snel tempo tot ‘the first industrial nation’. De eerste fase vanaf ongeveer 1760 tot 1800, werd gekenmerkt door de invoering van alle mogelijk arbeidsbesparende productieverhogende technieken, vaak nog in een zo goed als ambachtelijke sfeer. De tweede fase, van circa 1800 tot 1850, werd gekenmerkt door een ongekende schaalvergroting van de productie.
De snelle veranderingen betekenden een abrupt einde aan de traditionele ‘family economy’.
Volgens sommige historici is dat abrupte einde ook de oorzaak van de opvallende stijging in de 18de eeuw van het aantal buitenechtelijke geboorten. Er is echter veel discussie over de sociale gevolgen van de industrialisatie. Optimisten zagen de sociale misère die de industrialisatie met zich mee bracht als een kinderziekte: na enkele decennia waren de ergste misstanden verholpen en uiteindelijk had ook de werkende bevolking daarom geprofiteerd van de algemene verhoging van de levensstandaard.
De pessimisten beklemtoonden hoe desastreus de sociale gevolgen waren geweest: gezinnen waren ontwricht geraakt door het onverbiddelijke proces van proletarisering, door de lage lonen en lange werktijden, door slechte woonomstandigheden en door de ten hemel schreiende misstanden zoals fabrieksarbeid van kinderen en moeders.
Één van de effecten van de proletarisering van de plattelandsbevolking was een verlaging van de traditioneel hoge drempel voor vroege huwelijken. De bron van inkomsten was immers niet langer afhankelijk van bezitsoverdracht maar van de eigen productiecapaciteit.
Hiermee kunnen drie grote verschuivingen op het gebied van huwelijkssluiting, gezinsstructuur en gezinsleven worden verklaard:
Voor de eerste fase van industrialisering bleek de traditionele huisindustrie een uitermate geschikte productievorm. De industrialisering in de 2de helft van de 18de eeuw vond nog slechts in een beperkt aantal gebieden plaats (Midden-Engeland, Oost-België, de Elzas en Silezië). In de rest van Europa zou de industrialisering zich pas in de loop van de 19de eeuw aandienen.
Het Nederlandse gezin, circa 1650-1800
Zoals uit de belastingkohieren kan worden opgemaakt bestond het gemiddelde huishouden in steden als Leiden en Delft in het midden van de 18de eeuw uit circa 3,5 personen. Op het platteland in het oosten van het land liep dit op tot 4,5 á 5,5.
De motieven van de keuze van een huwelijkspartner werden vaak zakelijk bepaalt. Er werd in de eigen sociale kring gehuwd, maar de liefde bij het kiezen van een partner was toch vaak het doorslaggevende motief.
Het was in Nederland gebruikelijk dat het initiatief tot een vrijage door de jongere generatie zelf werd genomen. Ouders hadden dus hooguit een soort vetorecht.
Buitenlanders verbaasden zich nogal eens over de zachte hand waarmee de kinderen hier werden grootgebracht
Ariès’ suggestie dat kinderen in de vroegmoderne tijd vanaf ongeveer hun zevende jaar als kleine volwassenen werden beschouwd, lijkt voor het 17de-eeuwse Nederland al niet meer op te gaan. Het accent werd over het algemeen gelegd op de noodzaak dat liefde in de opvoeding belangrijker was dan vrees. Dat deze opvoeding christelijk diende te zijn sprak in Nederland zo goed als vanzelf.
Betje Wolff (1738-1804), een van de markantste vertegenwoordigers van de Nederlandse Verlichting, geeft in haar Proeve over de opvoeding (1779) adviezen aan Nederlandse moeders. Zij spoorde moeders aan om zoveel mogelijk tijd met de kinderen door te brengen, veel met hen te spelen en niet onnodig streng te zijn.
Toch bleef het slaan van kinderen nog lange tijd een geaccepteerd opvoedingsmiddel.
Men besefte dat de mens het meest ‘vormbaar’ was in zijn eerste levensjaren. Daarom kwam de nadruk veel sterker te liggen op de opvoedingspraktijk in de kinderkamer. Liefdevolle huiselijkheid gold als een onmisbaar element voor het goede, christelijke huisgezin van 18de-eeuws Nederland.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)