Inleiding: na het hoogtij van het moderne gezin
De jaren 50 en 60 gelden als het hoogtij van ‘het moderne gezin’. Volwassen Nederlanders blijken ‘een goede gezondheid’, ‘een goed huwelijksleven’ en ‘een leuk gezin’ het allervoornaamste te vinden. Hierbij is in de loop van de periode 1960 - 1980 gezondheid steeds belangrijker geworden. Ver daarna komen zaken als het hebben van veel vrije tijd, of van vrienden en kennissen, een goed inkomen, prettig werk of een sterk geloof.
Vanaf het midden van de jaren zestig vinden er grote ontwikkelingen in de maatschappij plaats. De industrialisatie heeft gezorgd voor een ongekende welvaart. Sociaal-cultureel is sprake van secularisering (cultuur losgemaakt van godsdienst), toegenomen pluriformiteit en individualisering. Een tweede demografische transitie wordt daarmee in gang gezet
Van de eerste naar de tweede demografische transitie
Demografie is het wetenschappelijk onderzoek van bevolkingskenmerken en de dynamiek van bevolkingsontwikkelingen. Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw beschikken vrijwel alle Europese landen over betrouwbare gegevens. De Nederlandse ontwikkelingen worden hier als leidraad genomen.
Het aantal Europeanen steeg tussen 1750 en 1914 van 140 naar 450 miljoen. Deze periode wordt aangeduid als de eerste demografische transitie en is onderverdeeld in 3 fasen:
1ste fase pre-industrieel Europa gekenmerkt door relatief hoge sterftecijfers en hoge geboortecijfers; er is min of meer evenwicht in sterfte en geboorten.
2de fase het evenwicht wordt doorbroken; door betere leefomstandigheden daalt het sterftecijfer (met name de zuigelingensterfte) gestaag in Nederland van 25,5 in 1849 naar 10,7 in 1929 (het laagste ter wereld). Het geboortecijfer bleef hoog waardoor sprake was van een aanzienlijke bevolkingsaanwas.
3de fase nu daalde ook het geboortecijfer waardoor het evenwicht weer werd hersteld. Deze fase werd omstreeks 1930 bereikt.
Nederland had een uitzonderlijke positie; hier bleef het geboortecijfers lange tijd relatief hoog. Daardoor groeide de bevolking van 4 miljoen in 1880 naar 14 miljoen in 1980, waarmee Nederland een van de dichtstbevolkte landen ter wereld werd. De slotfase van de 1ste demografische transitie werd in Nederland dan ook pas omstreeks 1960 zichtbaar. Men verwachte toen een stabilisatie en geenszins een nieuwe 2de demografische transitie die zich echter al in de jaren 60 inzette.
De tweede transitie: vruchtbaarheid, huwelijk en samenwonen
Omdat de 2de transitie nog steeds bezig is en er ingrijpende ontwikkelingen plaatsvinden op het gebied van seksualiteit, huwelijk en voortplanting is het moeilijk om duidelijk beeld te geven van deze transitie.
Er zijn wel een aantal kenmerken van de tweede transitie te geven:
De bevolkingsgroei (immigratie en emigratie buiten beschouwing latend) is evenwel zeer gering geworden.
Het gemiddelde kindertal per vrouw is in Nederland gedaald van 4,4 in 1900 via 3,1 in 1960 naar 1,5 in 1990. De overige West-Europese landen vertonen na 1960 soortgelijke dalingen.
Ondanks de overwegend negatieve benadering van de politiek en de kerk heeft vanaf het midden van de jaren 60 zeer snel een bewuste beheersing van de vruchtbaarheid plaatsgevonden. Het beschikbaar zijn van voor de gehele bevolking betaalbare anticonceptiemiddelen heeft daarbij een grote rol gespeeld. De interesse in voortplanting is, zowel bij vrouwen als bij mannen, duidelijk afgenomen.
1970 was nog een piekjaar voor het aantal huwelijken (124.000), daarna is sprake van een daling tot 79.000 in 1983 waarna er weer een lichte stijging heeft plaatsgevonden (89.000 in 1990). Tussen 1965 en 1970 was de gemiddelde huwelijksleeftijd voor mannen 24,9 jaar en voor vrouwen 22,7 jaar. In 1990 bedroegen deze cijfers respectievelijk 30,3 en 28 jaar. In 1970 trouwde bijna 100% van alle vrouwen nog. In 1987 trouwde nog maar 61% van de vrouwen.
Het voornaamste alternatief is het ongehuwd samenwonen dat inmiddels in ruime kring is geaccepteerd. Van de vrouwen tussen 24 en 28 jaar had in 1988 zo’n 45% ervaring met samenwonen. Naarmate de leeftijd stijgt neemt het aantal samenwonenden af. Samenwonen is dan ook vaak een tijdelijk alternatief voor het huwelijk. Vooral als er kinderen op komst zijn wordt veelal voor het huwelijk gekozen. Voor slechts een beperkte groep, meestal niet-religieuze hoger opgeleiden in stedelijke gebieden, is het ongehuwd samenwonen een volledig alternatief voor het huwelijk. De verwachting is echter dat deze groep sterk zal toenemen.
Mensen trouwen nog wel maar het aantal echtscheidingen neemt fors toe. Van ongeveer 12% in de jaren 50 en beging jaren 60 naar 34% in 1985.
De tweede transitie: huishouden, gezin en levenscyclus
De gemiddelde omvang van huishoudens in Nederland is tussen 1900 en 1990 gehalveerd, van 4,8 tot 2,4. De algemene ontwikkeling gaat naar meer en kleinere huishoudens. Het aantal alleenstaanden is tussen 1960 in 1990 gestegen van 3,4% naar 12% van de bevolking, waarbij het aantal alleenstaande vrouwen veel groter is dan het aantal alleenstaande mannen. Verwacht wordt (1989) dat halverwege de jaren ’90 eenderde van de huishoudens zal bestaan uit paren met kinderen, eenderde uit paren zonder kinderen en eenderde uit alleenstaanden. De verwachting is dat het aantal paren met kinderen nog verder zal dalen en het aandeel van beide andere categorieën zal toenemen.
Grotere huishoudens en grotere gezinnen zijn in de tweede transitie vrijwel verdwenen.
De gemiddelde levensduur aan het begin van deze eeuw bedroeg voor mannen 51 en voor vrouwen 53,4 jaar. In 1990 is dat opgelopen naar respectievelijk 74 en 80 jaar. Het gevolg is een vergrijzing van de bevolking.
De scheidslijnen tussen ‘jeugd ’en ‘volwassenheid’ zijn vervaagd en de jaren van overgang tussen beide fasen lijken langer te zijn geworden.
Samenvatting en conclusies
Het huwelijk bereikte in de jaren zestig een vrijwel maximale populariteit: trouwen, en liefst jong, was het devies voor vrijwel iedereen. Daarna kwam een kentering. Een huwelijk was minder een voorwaarde om ‘het huis uit te gaan’, of om voor ‘vol’ aangezien te worden. Het gold minder als collectief teken van volwassenheid en werd maatschappelijk ook minder vereist.
De leefvormen van ‘alleenstaand’ en ‘samenwonend’ kwamen beiden sterk in opmars. De tot voor kort geldende exclusieve verbinding tussen liefde, een seksueel leven, en het huwelijk is voor de meeste jongeren verbroken. Het uitstel van huwen betekend tot nu toe voor de meesten nog geen afstel. Het definitieve afstel geld slechts voor een zeer kleine groep.
De aard van de huwelijksbinding is aan het wijzigen. De band is niet meer vanzelfsprekend en word van tijd tot tijd heroverwogen en kan dan, zij het waarschijnlijk zelden gemakkelijk, verbroken worden.
Door uitstel en afstel van huwelijken wordt een bijdrage geleverd aan de daling van de vruchtbaarheid, die een centraal aspect is van de tweede demografische transitie. Maar de voornaamste bijdrage ligt in het feit dat in West-Europa de ‘perfecte anti-conceptionele samenleving’ is ontstaan. Nagenoeg iedereen is mentaal bereid en praktisch in staat het seksuele gedrag zo te reguleren, dat zwangerschap alleen volgt wanneer dat ook de bedoeling is. Daarmee is ook de voorheen zo nauwe verbinding tussen seksualiteit en voortplanting verbroken.
Net zoals het verdwijnen van het huwelijk als cultureel verschijnsel ondenkbaar is, is het gezin ongetwijfeld een blijvend fenomeen.
Inleiding: demografie, samenleving en cultuur
Heel in het algemeen kunnen we stellen dat veel van de veranderingen zijn ingezet door de generatie die kort na de Tweede Wereldoorlog is geboren en zich meer verder hebben ontwikkeld onder stedelijke, jongere, hoger opgeleide, beter betaalde en meer seculier georiënteerde groepen dan onder plattelandse, oudere, lager opgeleide, minder betaalde en meer religieus georiënteerde lagen van de bevolking.
De verbroken viereenheid
Liefde en seksualiteit, huwelijk en voortplanting zijn voor de meeste mannen en vrouwen in West-Europa gedurende de laatste paar eeuwen innig met elkaar vervlochten geweest. Vóór de latere Middeleeuwen, de 12de en de 13de eeuw, vernemen we bij voorbeeld vrijwel niets over het ideaal van de romantische liefde tussen mannen en vrouwen, laat staan dat liefde beschouwd werd als een onontbeerlijke voorwaarde voor huwelijkssluiting.
De kern van de moraal werd gevormd door een overwegend antiseksueel ethos. Daarmee was een nauwe normatieve koppeling aangebracht tussen seksualiteit, huwelijk en voortplanting.
Nog steeds is in deze sprake van een culturele erfenis die ook nu nog, niettegenstaande vele veranderingen, in het denken en doen, het voelen en waarderen van velen impliciet of expliciet doorklinkt.
In de laatste halve eeuw en vooral sedert de ‘seksuele revolutie’ van de jaren zestig is de innige vervlechting en de dwang der samenhangen echter sterk aan het afnemen. In plaats van de normatieve viereenheid van voorheen is er differentiatie gekomen, een uiteengroeien en ontkoppeling. De overwegend negatieve waardering van voorheen t.a.v. de seksualiteit is omgeslagen in een overwegend positieve en ook is seksualiteit niet meer exclusief bestemd voor gehuwden.
De band tussen seksualiteit en voortplanting is verbroken en vrouwen kunnen een eigen seksueel leven hebben zonder het risico van zwangerschap.
Voor de overgrote meerderheid is seksualiteit ingebed in meeromvattende tussenmenselijke relaties en vormt het geen doel op zichzelf.
De gemiddelde leeftijd waarop jongeren in biologische zin als ‘geslachtsrijp’ gelden is aanzienlijk gedaald. De leeftijd bij eerste menstruatie is van circa 15 jaar in 1900 gedaald tot circa 13 jaar in de jaren tachtig. Deze ontwikkeling hangt waarschijnlijk samen met de sterk verbeterde levensomstandigheden van kinderen in West-Europa (hygiëne, voeding en medische zorg, en minder belasting met fysieke arbeid).
Derhalve worden ook op jongere leeftijd al seksuele gevoelens ontwikkeld. De tijd tussen de eerste menstruatie en geslachtsgemeenschap lag in 1900 op circa 10 jaar, nu is dat 5 jaar.
Veel jongeren leiden thans en actief seksueel leven, waarbij de relatief korte duur van de relaties, ook van ‘vaste verkering’, opvalt en wisseling van partners relatief veel voorkomt, in die zin dat er sprake is van een opeenvolging van min of meer exclusieve relaties. Onder jongeren is seriële monogamie gewoon aan het worden.
De norm en het ideaal van het exclusieve monogame huwelijk is desondanks nog steeds dominant.
Vrouwen en kinderen
Tot in de jaren 60 was het normaal dat vrouwen huwden, kinderen baarden en voor het gezin zorgden. Zij beschouwden dat zelf ook meestal als hun bestemming in het bestaan. Na het huwelijk was de verdere gang der gebeurtenissen derhalve in hoge mate voorspelbaar. Het werken van gehuwde vrouwen buitenshuis was niet gebruikelijk (in 1960 slechts 7%) en werd ook niet gestimuleerd. Zo werden tot 1957 vrouwelijke ambtenaren als zij trouwden ontslagen. Ook hadden vrouwen nog een grote onderwijsachterstand op jongens en mannen.
In 1956 kwam pas een einde aan de juridische handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen. In de jaren 70 en 80 werden verdere stappen gezet naar gelijke behandeling en gelijke beloning van vrouwen. Er kwamen ook steeds meer banen voor vrouwen beschikbaar zodat nu dan ook meer dan de helft van de vrouwen tussen de 15 en 64 jaar buitenshuis werkzaam is. Het is wel zo dat veel vrouwen in deeltijd werkzaam zijn. Ook de onderwijsachterstand van ‘jongere’ vrouwen is vrijwel volledig opgeheven.
Gehuwde vrouwen investeren echter nog drie tot vier maal zoveel tijd als mannen in het draaiende houden van het huishouden, maar dat huishouden is sinds de jaren 50 wel veel minder arbeidsintensief geworden.
De opzienbare daling van het gemiddelde kindertal en het langere uitstel van het krijgen van het eerste kind door vrouwen wijst op een afnemende interesse in voortplanting. Ook lijkt een veranderende betekenis van moederschap en een veranderende houding tegenover kinderen in het geding te zijn.
Economische motieven (kinderen leveren arbeid en zorgen later voor hun bejaarde ouders) zijn verdwenen en anticonceptiemogelijkheden voorkomen ongewenste zwangerschappen.
Ook is voortzetten van geslacht en familienaam, als motief voor het krijgen van kinderen nauwelijks meer relevant. Vernoeming van familieleden komt weinig meer voor.
Als voornaamste ‘satisfacties’ van het hebben van kinderen wordt nu genoemd: gezellig, leuk; geeft doel en inhoud aan het leven; zorgen voor iets van jezelf; geluk; gezin pas volledig met kinderen; positieve invloed op huwelijksrelatie. Daarnaast worden de onprettige kanten of ‘dissatisfacties’ van het hebben van kinderen duidelijk beseft: gebondenheid aan huis; verlies van vrijheid; meer zorgen; beperking van andere activiteiten.
De traditionele vanzelfsprekendheid van het krijgen van kinderen heeft plaatsgemaakt voor een bewust kiezen voor het al dan niet krijgen van kinderen.
Echtscheiding
In Engeland en Wales vonden in 1914 slechts iets meer dan 800 echtscheidingen plaats op een bevolking van ruim 40 miljoen. In Nederland was dat 1100 op een bevolking van ruim 6 miljoen. Tussen 1960 en 1990 vervijfvoudigde het aantal echtscheidingen per jaar in Nederland van 5.700 in 1960 tot 28.400 in 1990. In katholieke landen bleef echtscheiding nog lange tijd verboden. In Italië is pas in 1970 een echtscheidingswet tot stand gekomen en in Ierland is echtscheiding nog steeds verboden.
In protestantse landen kwamen in de loop van de 19de eeuw wettelijke echtscheidingsmogelijkheden tot stand op basis van vier redenen:
In Nederland werd dit in 1838 in het Burgerlijk Wetboek vastgelegd welk, met een versoepeling in 1883, stand hield tot 1971.
Na 1883 kon een scheiding plaatsvinden als een van beide echtgenoten overspel bekende, los van de vraag of dat werkelijk waar was. Deze mogelijkheid, ook wel ‘De Grote Leugen’ genoemd, werd door veel echtparen aangegrepen om een echtscheiding te realiseren.
Verlichters dachten heel anders over echtscheiding. Zij zagen het huwelijk als een contract. Als niet langer aan de voorwaarden werd voldaan dan moest een echtscheiding mogelijk zijn. Onverenigbaarheid van karakters was daarbij een gebruikelijke grond. In 1792 werd dit in Frankrijk al in de wet opgenomen maar in 1816 werd deze wet al weer ingetrokken.
Vaak waren juist vrouwen tegen verruiming van de echtscheidingsmogelijkheden.
Op dit moment is de christelijke moraal inzake huwelijk en echtscheiding goeddeels niet meer maatgevend, ook niet wanneer zij zichzelf wel als christelijk beschouwen.
Het rooms-katholieke verbod op de moderne vruchtbaarheidsbeheersing wordt door de meeste katholieken genegeerd en ook het verbod op echtscheiding heeft veel van zijn kracht verloren.
Door de gewijzigde moraal en het wegvallen van institutionele belemmeringen is de externe druk om ook bij huwelijksmoeilijkheden getrouwd te blijven aanzienlijk afgenomen.
Persoonlijke affectieve motieven en een strikt individuele partnerkeuze zijn in de plaats van de traditionele motieven voor een huwelijk gekomen. Hierdoor is men ook meer hooggespannen verwachtingen gaan koesteren t.a.v. het huwelijk. Dat kan dan in de onvermijdelijke dagelijkse routine van het huwelijksleven op den duur tegenvallen. Omdat het huwelijk meer gebaseerd is op gevoelens van wederzijdse aantrekking is de basis voor een huwelijk ook minder stabiel geworden, gezien de veranderlijkheid van gevoelens.
Daarbij speelt ook dat vrouwen een andere, sterkere, positie hebben gekregen. Zij zijn meer eisen gaan stellen en staan minder onder druk om zich te schikken in het geval van huwelijksproblemen. Ook hebben zij een veel minder financieel afhankelijke positie gekregen.
Vrouwen vormen dan ook de grote meerderheid van degenen die echtscheiding aanvragen.
Het proces van echtscheiding is vrijwel altijd een ingrijpende ervaring. Een besluit daartoe wordt dan ook niet lichtvaardig genomen.
Relationele en affectieve problemen zijn de belangrijkste reden tot echtscheiding. Tekortschietende communicatie, verschillen in karakter, uit elkaar groeien en een onbevredigende seksuele relatie worden het meest genoemd. Een vanouds klassiek motief als lichamelijk geweld wordt verhoudingsgewijs veel minder naar voren gebracht, al ontbreekt het zeker niet. Wel blijkt een ander klassiek motief namelijk overspel, nog steeds een belangrijke rol te spelen: de buitenechtelijke relatie is de voornaamste aanleiding voor de scheiding, zelden echter het enige motief.
Over de gevolgen van echtscheiding voor kinderen, doorgaans de zwakste partij bij echtscheiding, zijn de meningen van onderzoekers diepgaand verdeeld. Zeker voor jonge kinderen is het uiteenvallen van het gezin vaak een schokkende ervaring die in elk geval niet zonder betekenis is voor hun ontwikkeling. Bovendien is gebleken dat in een meerderheid van de gevallen de relatie met de vader in betrekkelijk korte tijd goeddeels of helemaal beëindigd wordt, wat in het algemeen evenmin minder gunstig lijkt voor een evenwichtige ontwikkeling.
Gezien de grote toename van het aantal scheidingen lijkt de aanwezigheid van kinderen minder dan voorheen een rem te vormen voor echtscheiding; het illustreert de eerder gesignaleerde ontwikkeling dat kinderen een minder prominente plaats in het leven van volwassenen aan het innemen zijn. Ironisch genoeg zal overigens diezelfde kwantitatieve ontwikkeling wellicht de nadelen van echtscheiding voor kinderen verminderen: ze worden minder gestigmatiseerd dan voorheen en ze delen hun lot met een groeiend aantal anderen.
Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland
correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom
P.C.J. Ruigrok (2000)