Middeleeuwen en rederijkerij

De periode van de adellijke letterkunde, 1100-1300

Oudnederlands Middelnederlands - Latijn

Oudnederlands kenmerkt zich door een "klinkerkleuring" van ongeaccentueerde lettergrepen. In het Middelnederlands is de a en de o in een lettergreep zonder klemtoon afgesleten tot een stomme e. De overgang wordt gelegd rond 1150, in literair opzicht bij het werk van Hendrik van Veldeke. Het schrijven in de volkstaal was rond 1100 nog wel ongebruikelijk in de kloosters, want de standaardtaal van kerk was het Latijn

"Hebban olla vogala" pennenprobeersel

Voor het eerst komt de volkstaal op schrift. Waarschijnlijk neergeschreven als penneprobeersel in de marge van een latijnse tekst door een West-Vlaamse benedictijn in de abdij van Rochester in Kent.

Natuuringang

Behoort tot het standaardrepertoire van middeleeuwse liefdespoëzie: de parallel tussen de natuur en de minnaar die een geliefde oproept zich hieraan te spiegelen.

Egmondse Williram Hooglied

Omstreeks 1060 schreef abt Williram in Eibersberg een commentaar op het Hooglied. Hij ontwierp een tekst op drie niveaus: in het midden de Latijnse bijbeltekst, links de herdichting in gestileerde Latijnse hexameters en rechts commentaar gesteld in Oud-hoogduits en middeleeuws Latijn.
Omstreeks 1100, door een benedictijner monnik in het klooster te Egmond gekopieerd en het commentaar geredigeerd overeenkomstig zijn Nederlandse tongval. Het is het vroegst-bekende Nederlandse boek, voor Noord en Zuid.

De volkstaal komt op schrift 1

Karakteristiek

Deze literatuur verwoordt de nieuwe beschavingsidealen van de adel.

Deze romans zijn geschreven in opdracht van en ter vermaak en lering van de hofadel. De meeste auteurs waren zogenaamde klerken: door de kerk opgeleide geestelijken met een lage wijding. Vaak bewerkten de klerken literatuur uit het Frans of het Latijn.

De teksten worden doorgaans nog niet individueel gelezen, maar vooral in gezelschap beluisterd. De meeste literatuur staat nog op rijm.

Belangrijke auteurs en genres

Hendrik van Veldeke (1140-1200)

Sint Servaeslegende: heiligenlegende naar een Latijns voorbeeld
Eneasroman: uit het Frans bewerkte, klassieke hoofse ridderroman

Liefdeslyriek

1. Ridderromans

Deze romans zijn geschreven in opdracht van en ter vermaak en lering van de hofadel. De meeste auteurs waren zogenaamde klerken: door de kerk opgeleide geestelijken met een lage wijding. Vaak bewerkten de klerken literatuur uit het Frans of het Latijn.

1-Karelromans

Ze hebben in de regel een Franse tekst als bron, een chanson de geste. In oorsprong ging het om gezongen heldenliederen.
K is de koning van de Franken uit de bloeitijd van het feodale tijdperk
K wordt omringd door feodale leenmannen met wie hij dikwijls overhoop ligt
K wordt geconfronteerd met onderlinge conflicten, verraad en ontrouw
Roelantslied Chanson de Roland (1100)
Renout van Montalbaen Renaut de Montauban
Karel ende Elegast

De Karelepiek en de invloed van de mondelinge traditie -3

 

2-Arturromans

Artur is de literaire en ideologische tegenhanger van Karel
A is een moderne vorst van Brits-Keltische origine
A omringt zich met gezagsgetrouwe ridders van lagere komaf
A aan zijn heerst doorgaans harmonie en zijn ridders cultiveren de hoofse beschavingsidealen
Ferguut: Anonieme bewerking van de Franse ontwikkelingsroman Fergus van Guillaume le Clerc
Roman van Walewein: (1260) Oorspronkelijk Middelnederlandse roman, begonnen door Penninc en voltooid door Pieter Vostaert.

3-Klassieke ridderroman

Speelt in de klassieke oudheid maar de verhaalgegevens zijn op een middeleeuws decor geprojecteerd om de identificatiemogelijkheden voor het publiek te vergroten.
Eneasroman van Hendrik van Veldeke

Trojeroman van Segher Diengotgaf met Tprieel van Troje als bekendste episode

4-Oosterse roman

Floris ende Blancefloer (1260). Van Diederic van Assenede. Vertaling van Floire er Blanchefleur bestemd voor Vlaamse edelen die geen Frans kenden. Geen zuivere ridderroman want de strijd ontbreekt. De held verkiest vernuft en rede boven geweld. Het verhaal concentreert zich vooral op de schildering van de hoofse liefdesrelatie. Uitgewerkte bloemensymboliek.

2. Dierdicht

Van den vos Reynaerde: parodie op de ridderroman en satire op de gehele feodale standenorde. Mogelijk gemaakt (1260) voor de Gentse hofkringen van Margaretha van Vlaanderen en bedoeld ter lering en vermaak van het hof zelf. De dichter was een Willem die ook de Madoc maakte.

Virtuoze woordkunst -7

3. Hoofse lyriek

Het dichten en zingen van hoofse liefdeslyriek werd veelvuldig beoefend voor intern vermaak. Befaamd zijn de negen minneliederen van Hertog Jan I van Brabant, vooral "Eens meienmorgens vroeg" met de refreinregel "harba lori fa".

4. Allegorie

Een literair genre waarin abstracte begrippen als handelende personen worden opgevoerd.

Die Rose: bewerkt uit het Frans en toegeschreven aan Hein van Aken. Opgenomen in het Gruuthuse-handsschrift

5. Kroniek

Beschrijft een bepaald geschiedverhaal. De opdrachtgever liet meestal een kroniek schrijven om oude adellijke aanspraken te legitimeren en de daden van een adellijk geslacht in een gunstig daglicht te stellen. Jan van Heelu schreef zijn Slag bij Woerdingen voor de hofkringen van Hertog Jan I van Brabant.

6. Geestelijke letterkunde

Literatuur met een overwegend religieus-belerende thematiek geschreven ten behoeve van geestelijken zelf, vooral nonnen en begijnen. Het is dus geen echte "adellijke letterkunde" al waren de meeste geestelijken van adellijke komaf.

De reis van Sinte Brandaan is een grensgeval omdat hierin belering en avontuur mekaar afwisselen.

Beatrijs van Nazareth (1200-1268) een cisterciënzer non schreef Van seven manieren van heiliger leven een religieuze verhandeling (traktaat) in proza over de mystieke liefde, waarschijnlijk voor nonnen in hun proeftijd.

Hadewijch (1240) schreef Brieven aan de begijnen over zij de leiding had en tekende voor hen haar Visioenen op. De Strofische gedichten waren bedoeld om gezongen te worden en vervulden een onderwijzende en vertroostende functie.

Mystiek: een mysticus probeert tijdens dit leven door intense meditatie op te stijgen naar en zich te verenigen met God.

Middelnederlandse vrouwenmystiek -4

 

Jacob van Maerlant heeft als dichter het grootste volkstalige oeuvre uit het middeleeuwse Europa nagelaten.

Sterk beïnvloed door de Latijnse school. Bij elke tekst die hier aan de orde kwam werd de vraag gesteld wat de bedoeling van de auteur was en wat het nut van het werk. Een ridderroman kon dus bij hem zelden of nooit door de beugel. Zijn reusachtig oeuvre kan hij alleen geschreven hebben dankzij zijn machtige opdrachtgevers. Door zijn toedoen werd een publiek van leken ingewijd in de schoolkennis die tot dan was voorbehouden aan geestelijken

Alexanders Geesten (1260) leven en daden van Alexander de Grote
Historie van den Grale-Boec van Merline (1261) voor de twaalfjarige Albrecht van Voorne
Torec (1261) Arturroman
Historie van Troje (1264)
Heimelijkheid der heimelijkheden (1266): vorstenspiegel en gezondheidsleer. Wellicht geschreven voor de jonge graaf Floris V.
Der naturen Bloemen (1266): bewerking uit het Latijn. JM ging steeds meer te rade bij Latijnse bronnen die hij betrouwbaarder achtte dan de Franse. Dit dichtwerk is een natuurencyclopedie
Rijmbijbel (1271): bestaande uit de "Scolastica" en de "Wrake van Jeruzalem"
De Spieghel historiael in opdracht van de Hollandse graaf Floris V. Slaagde er niet in deze wereldgeschiedenis te voltooien.
Strofische gedichten: maatschappij kritiek

De dichter als leraar en omgekeerd -6

 

De periode van de burgerlijke letterkunde 1300 1550

 

Karakteristiek

De rol van de adel als kunstbegunstiger was nog niet uitgespeeld maar de politieke en economische macht van de steden groeit aanzienlijk en de invloed van de bovenlaag van de stadsbevolking op cultuur en literatuur neemt toe. De profane en religieuze normen en waarde, ook de literaire smaak van het burgerlijk publiek drukken hun stempel op de letterkunde.
de burgerij huldigt een krachtig arbeidsethos en moraal van zelfredzaamheid
de burger kijkt anders aan tegen huwelijk en seksualiteit
de burger verlangt meer ruimte voor een individuele geloofsbeleving
de burgerij lijkt een voorkeur te hebben voor meer realistische en leerzame (moraliserende) literatuur
De ridderroman heeft zo zijn beste tijd gehad want ook in de adellijke kringen komen meer bondige en zakelijke literatuursoorten in de mode: sproken, novellen, verhandelingen met korte en op zichzelf staande hoofdstukken.
.Een verklaring voor de neiging tot kortheid wordt zowel gezocht bij het publiek als bij de auteurs.
men kan veronderstellen dat het leven van edelman of de koopman steeds drukker werd en dat er minder vrije tijd overbleef voor literatuur.
Lange epische werken konden nooit in één avond beluisterd worden dus moest de voordracht over vele sessies verspreid worden.
Naarmate de romans steeds ingewikkelder intriges kregen, werd het moeilijker om de verhalen van begin tot einde te volgen.
De lange epische teksten waren vaak het werk van goedgeschoolde klerken met een ambtelijke of pastorale functie maar de korte teksten waren meestal afkomstig van de sprooksprekers. Zij reisden voortdurend rond van het ene publiek naar het andere (hof, stad, klooster). Tijdens hun reizen improviseerden en componeerden zij hun gedichten en liederen, dikwijls bestemd voor een speciale gelegenheid. Zij konden dus geen grote werken schijven.

Toneelgezelschappen, literaire vrienden kringen, rederijkerskamers ontstonden aan het eind van de veertiende en het begin van de vijftiende eeuw in de steden. Zij gingen zelf in de literaire behoeften van de stad voorzien.

De oudste overgeleverde toneelstukken in de volkstaal stammen uit de veertiende eeuw.

Na 1440 gedrukt voor een overwegend stedelijke elite; een publiek dat gaat leren om voor zichzelf te lezen

Belangrijke auteurs en genres

1. Romans

Lancelotcompilatie:(1320) Voorlopig hoogtepunt van de Arturliteratuur. Bijna alle bekende dertiende eeuwse Arturromans in de volkstaal zijn er in opgenomen.

Reinaerts historie of Reinaert II: (1375). Eerst wordt het bekende verhaal van Willem verteld en vervolgens wordt verhaald hoe Reinaert ten tweede male terecht moest staan voor begane misdaden. De afloop van het verhaal, dat ook voor de (hof)adel geschreven lijkt, is behoorlijk cynisch en maatschappij kritisch, want de criminele vos wordt door de koning begiftigd met een hoge rechtsfunctie.

2. Didactische letterkunde

Kent grote opbloei na het verschijnen van het onderwijzend literair werk van Jacob van Maerlant.
Er komen steeds meer stadsscholen waar de kinderen van de adel, de kooplieden en de gegoede middenstand leren lezen, schrijven en (handels)rekenen in de volkstaal.
Lekenspiegel: (1330) door Jan van Boendale in opdracht van de Brabantse raadsheer Rogier van Leefdale en diens vrouw Agnes van Cleef. Door de schrijver bestemd voor een breed publiek: Adellijk en burgerlijk, kinderen en volwassenen. Een van de eerste teksten waarin zich de burgermoraal begint te manifesteren. Het boek bevat elementaire kennis waarvan een leek op de hoogte moet zijn: bijbelkennis, geschiedenis, politiek, goede omgangsvormen, liefde en dichtkunst (-> onze oudste poëtica).

3. Geestelijke letterkunde

Jan van Ruusbroec: grootste schrijver van religieuze letterkunde in de volkstaal in dit tijdvak.
Elf traktaten vooral in proza
Vanden vier becoringhen en Vanden kerstenen ghelove: overwegend instructief-religieuze inhoud
Die geestelike brulocht: uiteenzetting van zijn mystieke leer
Van seven trappen in den graed der gheesteleker minnen: over zijn mystieke leer tot stichting van de nonnen van de orde van St. Clara. Met deze leer heeft hij volgens sommige van zijn tijdgenoten op het randje van de ketterij gebalanceerd.
Boecsken der verclaringhe: hierin tracht hij zijn critici ervan te overtuigen dat hij weldegelijk rechtzinnig in de katholieke leer was.

4. Lyriek

In deze periode werd zowel in adellijke als in burgerlijke kring lyriek beoefend en ten gehore gebracht.
Haagse liederen- handschrift: lyriekbundel waarin waarschijnlijk in de loop der tijden, liederen, gedichten en sproken zijn verzameld. De teksten lijken geselecteerd op het onderwerp liefde en eer
Gruuthuuse-handschrift: poëtische inspanningen van een literaire vriendenkring waartoe in elk geval Jan van Hulst en Jan Moritoen behoord hebben. Bevat drie typen gedichten: liederen, allegorische gedichten, berijmde gebeden. Alle liederen zijn voorzien van eenvoudige muzieknotaties

Brugge: meest kosmopolitische stad van het Noordzeegebied in de veertiende eeuw. De sociale elite kreeg het op het einde van de eeuw voor het zeggen. Ambachten werden monddood gemaakt, het bestuur van de stad was in handen van de adel en patriciërs.
Broederschap van de Droge Boom: Ontstaan bij de franciscanen om meerstemmig gezongen missen ter ere van Maria te doen uitvoeren. Aanvankelijk zijn de leden vrome leken en broeders van het klooster, later werden zangers van buiten ingehuurd. In 1410 krijgt Jan van Hulst een vergoeding voor het zingen van de mis in de Droge Boom. Patriciërs en andere rijken gingen ook deel uitmaken van de kring.
Genootschap van de Witte beer: organiseerde steekspelen te Brugge. In 1385 zal het aristocratisch karakter van het genootschap zich ten volle manifesteren. Een van de gedichten uit het Gruuthuuse-handschrift moet voor een feestavond van het genootschap geschreven zijn.
Kamer van de Heilige Geest: vergaderde in de prestigieuze poortersloge te Brugge. Begin van de rederijkers.
Jan van Hulst: organiseerde opvoeringen, stond misschien aan het hoofd van een groepje ghesellen.., was een soort acteur-regisseur en had verstand van decor en werktuigbouw. Voor zijn optredens moet hij ook teksten geschreven hebben. K. Heerema heeft de serieuze teksten in het Gruuthuuse-handschrift toegeschreven aan Jan van Hulst. Deze teksten zijn religieus en moraliserend en zouden in thematisch, taalkundig en stilistisch opzicht van één auteur kunnen zijn.
Jan Moritoen: lid van de Brugse stadsaristocratie en bij het gemeentelijk leven betrokken. K. Heerema heeft alle overige gedichten uit het handschrift aan hem toegeschreven.

De literatuur van een stedelijke aristocratie in het Gruuthuse-handschrift-15

 

5. Korte voordracht teksten

Handschrift-Van Hulthem: (1410) een manuscript dat vol staat met korte teksten (vertellingen, sproken en verhandelingen)
Beatrijs: mariamirakel typisch voorbeeld van een korte vertelling

Exempel: beknopt verhaaltje dat in de preek gebruikt kon worden bij wijze van voorbeeld.
Caesarius van Heisterbach: cisterciënzerprior die in het begin van de dertiende eeuw het exempel van Beatrix in twee Latijnse versies had opgetekend.

Een Mariamirakel over hoofsheid en devotie-13

Willem van Hildegaersberch: beroemdste sprookspreker in het Middelnederlands taalgebied. Hij trok door Holland, Zeeland en Gelre (1380) Hij kon schrijven in de volkstaal en heeft een repertoirebundel bijgehouden (120 sproken). Zijn sproken waren eerder moraliserend dan amuserend, meer betogend dan verhalend, vaak een soort berijmde columns waarin hij zijn maatschappijkritiek en religieuze opvattingen uitte.

Meestertitel: deze titel werd in de regel van hogerhand verleend als teken van erkenning en waardering voor goed vakmanschap
Augustijnken (van Dordt): onze op een na beroemdste spreker van wie we maar vijf sproken kennen.

Sprooksprekers: venters in vermaak en vermaan-18

De Blauwe Schuit: stedelijk schertsgilde waarvoor een anonieme spreker een vastenavondtekst schreef.

Het repertoire van de volksfeesten-25

6. Rederijkerskunst

Ook schutterijen en broederschappen ontwikkelden culturele afdelingen. Enkele bekende rederijkerskamers zijn De Fonteine (Gent), De Violieren (Antwerpen) en De Eglantier (Amsterdam.) De rederijkers ontleenden hun naam aan de redenrijk- of retorijc-kunst, de retorica. Zij achtten de kunst van de welsprekendheid van groot belang bij het componeren van hun vooral lyrisch en dramatisch werk. Zij gaan meer zorg besteden aan de dichterlijke formulering en gaan zich bekwamen in meer kunstzinnige dichtvormen. Voor de lyriek oefenden zij zich in vormvaste verzen zoals het rondeel en het refrein. Veel beoefende dramavormen waren de serieuze zinnenspelen en mysteriespelen en de komische kluchten en esbattementen.

Anna Bijns: (1493-1575) Antwerpse onderwijzeres. Tijdens haar leven oogstte zij reeds bijval . Niet alleen zijn haar drie refreinbundels (222 gedichten) meermaals herdrukt, ook zijn haar gedichten door Antwerpse franciskanen verzameld en opgetekend.

Thomas van der Noot: Brussels drukker en uitgever.
Jacob van Liesveldt: drukker van het werk van Anna Bijns

De grootste rederijker is een vrouw, Anna Bijns-23

7. Toneelkunst

Ghesellen van den spele: min of meer vaste toneelgroepen. Vaak zijn de spelers ook scholieren onder leiding van hun meester of, in carnavalstijd, van een scholierenbisschop.
De plaats van de opvoering was wisselend en meestal in open lucht, op een plein in de stad, een enkele keer in een zaal aan het hof, een stadhuis of een kerk.

1-Abele spelen

oudste werelds toneel. Vier toneelstukken die opgetekend zijn in het handschrift-Van Hulthem, telkens afgewisseld met een sotternie. Dit zou de echte opvoeringspraktijk kunnen weerspiegelen
Esmoreit (Damiët), Gloriant (Florentijn), Lanseloet van Denemarken (Sanderijn) met de liefde tussen een prins en een prinses als centraal thema maar wel geschreven voor een burgerlijk publiek dat zich kon vergapen aan de wederwaardigheden van de hoogste kringen. De ridders lijken niet meer op de oude epische helden. Een tweede thema is dat van de bedreigde dynastie. De liefdesconceptie is weliswaar hoofs maar in een burgerlijke variant: Lanseloet is de hofmoraal, Sanderijn de burgerlijke moraal.
Van den winter ende vanden somer: stamt oorspronkelijk uit de plattelandscultuur en beeldt de strijd uit tussen de seizoenen. Het is een voorbeeld van de aanpassing van de mythische plattelandsideeën aan de stedelijke opvattingen. Aan het eind velt Vrouwe Venus de beslissing.

2-Sotternieën

De zes sotternieën in het handschrift-Van Hulthem gaan meestal over de rolverdeling van man en vrouw
De tien stukken vormen een hechte groep. Ze hebben dezelfde eenvoudige versificatie, van paarsgewijze rijmende verzen.

3-Religieus toneel

Bliscappen van Maria: in oorsprong een cyclus van zeven toneelstukken, gewijd aan de vreugdevolle ervaringen die Maria beleefd heeft.
Elckerlijc: (na 1450) Op allegorische wijze wordt uitgebeeld hoe Iedereen zich op een zalige dood moet voorbereiden. Het hoofdpersonage blijkt een bemiddeld man te zijn, in de kracht van zijn leven, een stedeling met een uitbundige levensstijl, met wie ieder zich wel zou willen identificeren.
Mariken van Nieumeghen: het verhaal van Mariken die omgang met de duivel heeft maar zich bekeert bij het zien van het Wagenspel van Masscheroen. De tekst toont een veel minder hysterische reactie op hekserij dan men de middeleeuwers toedicht. Men vraagt zich nu af of de tekst wel bedoeld was om te worden gespeeld. Het boek heeft veel kenmerken van een leesboek: houtsneden, de verhalende delen staan in proza, alleen de dialogen zijn door een rederijker op rijm gezet.

Middelnederlands toneel-12

8. Prozaromans

Die hystorie van Reynaert die vos: het eerste literaire werk in de volkstaal wordt in 1479 in Gouda gedrukt door Gerard Leeu. Reinaerts historie was de bron.
Alleen de Latijnse vertaling door Balduinus juvenis van Van den vos Reynaerde, de Reynardus vulpes, heeft in de vijftiende eeuw de drukpers gehaald.

William Caxton: drukt in 1481 in Londen de Engelse vertaling van de Reinaert en nog voor het einde van de vijftiende eeuw verschijnt de tekst ook in het Nederduits. Deze drukken gaan niet terug op Van den Vos Reynaerde maar zijn afgeleid van een moraliserende bewerking die rond 1375 gemaakt is en bekend staat als Reynaerts historie.
Antwerpen: knoopunt van internationale handel wordt centrum van de drukpers. In 1483 verhuist Leeu van Gouda naar Antwerpen.
Christoffel Plantijn: laat in 1566 zijn Nederlandse uitgave van de Reinaert-tekst volgen door een FransNederlandse editie. Ten opzichte van de prozadruk van Leeu is de Reinaert-tekst niet alleen bekort, maar ook jin seksueel en religieus opzicht geneutraliseerd. Toch verschijnt de Nederlandse tekst op de censuurlijst van 1570.

Oude verhalen voor nieuwe lezers-20

Het beoogde publiek bestaat vooral uit bemiddelde en cultureel onderlegde burgers, die de teksten zelf gaan lezen. De romans werden meestal in proza geschreven en reeds bestaande versromans worden ontrijmd, bewerkt en indien nodig ingekort. De boeken krijgen indelingen in hoofdstukken met samenvattende hoofdstuktitels. Er worden houtsneden toegevoegd. Inhoudelijk worden de prozaromans toegesneden op de smaak, het verwachtingspatroon en de moraal van de burgerlijke elite.
Oude succesnummers krijgen op de drukpers een tweede leven: de historie van de vier Heemskinderen.
Buitenlandse successen worden in de Lage Landen uitgebracht:
Robrecht de Duyvel: ridderroman in proza naar La vie du terrible Robert le diable
Ulenspieghel: uit het Duits bewerkt levensverhaal van de schelm Tijl Uilenspiegel. Hij is nog niet de volksheld maar een zwervende oplichter en zijn doortrapt gedrag vormt een waarschuwing voor de brave burgerlijke lezer.


| Inleiding Letterkunde | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Liesbeth Goosens (1999)