Renaissance en classicisme

Cultuurhistorische introductie

Renaissance

De benaming van een brede cultuurbeweging die rond 1400 in Italië ontstond en daarna langzamerhand heel West-Europa ging beheersen. Rond 1550 lijkt de renaissance in de volkstaal in de Nederlanden te zijn doorgedrongen.
Kenmerken:

- het streven naar de wedergeboorte van de klassieke cultuur van de Griekse en Romeinse oudheid. Die hernieuwde belangstelling komt tot uitdrukking in de architectuur, beeldende kunst en literatuur.
- een levenshouding die meer gericht is op de mens en de wereld dan op het goddelijke en het hiernamaals
- een groot vertrouwen in de intellectuele kwaliteiten van de mens

In de literatuur zijn de klassieken op drie manieren bewerkt:

Translatio: vertaling van klassieke teksten

Imitatio: het imiteren van de klassieken, het overnemen van de stijl, bepaalde dichtvormen, verhaalmotieven,

Aemulatio: het overtreffen van een klassiek werk door de (heidense) inhoud ervan te verchristelijken.

De originaliteit of oorspronkelijkheid was dus, net als in de middeleeuwen, nog niet aan de orde. Toch is er een zekere ruimte voor inspiratie en creativiteit.

Classicisme

De navolging van de klassieke oudheid is nu gebonden aan strenge regels. Geen ruimte meer voor creativiteit, speelse en grillige vormen zijn taboe. Men streeft naar volmaakte doorzichtigheid en de klassieken worden ondergeschikt gemaakt aan het eigentijds streven naar helderheid.
In de Nederlanden: tweede helft zeventiende eeuw
In Frankrijk: eerste helft zeventiende eeuw
In Italië: zestienden eeuw

Achtergrond waartegen renaissance en classicisme ontstaan zijn.
De mens was te vervolmaken en daarom diende men zijn leven lang een zo breed mogelijke geestelijke ontwikkeling na te streven. Slechts de gecultiveerde, denkende mens was waarlijk mens.
Ad fontes was het motto van de geleerden voor wie Latijn de voertaal was. Latijnse bronnen werden niet alleen bestudeerd voor de inhoud, maar ook voor de taal. Griekse bronnen wilden zij ook bestuderen maar gedurende de middeleeuwen was het Grieks in vrijwel heel Europa een vergeten taal geworden.
Humanisten kenden veel belang toe aan het zelfstandig denken, maar de geloofsleer wan de rooms-katholieke kerk zijn zij trouw gebleven. Denken en geloven hield in hun optiek geen tegenstelling in. Zij wilden de kerk van binnenuit verbeteren.

Kwam in de zestiende eeuw op en protesteerde tegen de absolute macht en misbruiken van de rooms-katholieke kerk. Het heeft geleid tot de nieuwe kerkvormen van het protestantisme.

De rooms-katholieke tegenpool van de reformatie. Bestreed dit protest door de eigen kerk strakker te organiseren en ook zelf misbruiken tegen te gaan.

In de Republiek kwam een exclusief burgerlijke cultuur tot ontwikkeling. De bovenlaag van de stedelijk burgerij bepaalde alles. Rijke regenten en ondernemende kooplieden fungeerden als opdrachtgevers voor kunstenaars en literatoren, die zelf in de meeste gevallen ook uit de burgerij afkomstig waren.

Jan Vos: tussen 1647 en 1667 het meest invloedrijke hoofd van de Amsterdamse Schouwburg. Als echte theaterman was hij een meester in het ontwerpen van "stomme vertoningen" (tableaux vivants), waarmee hij niet alleen zijn eigen stukken, maar ook verschillende tragedies van Vondel voorzag. In opdracht van de staatsregering organiseerde hij ook openbare allegorische voorstellingen en optochten tijdens stedelijke festiviteiten. Het sprak vanzelf dat hij de politieke opstelling en dus de belangen van de regering meer of minder expliciet ondersteunde.
Nederland als een tweede Israël: aan het einde van de zestiende eeuw vergeleken de Nederlanders zich graag met het oudtestamentische volk dat evenals zij verschillende malen door God van de tirannie was verlost.
Het Bataafse verleden: de strijd die de Batavenleider Claudius Civilis ter verdediging van de vrijheid van zijn volk tegen de Romeinen had gevoerd.

Dichters als maatschappelijke en politieke commentatoren - 47

Vroege renaissance, 1550 1600

Karakteristiek

* Literatoren schenken meer aandacht aan de concrete realiteit van alledag. De abstracte, veelal bijbelse symboliek raakt op de achtergrond. Steeds vaker verschijnen actuele themas zoals de reformatie en de oorlog tegen Spanje. Op het toneel worden allegorieën en zinnebeeldige figuren teruggedrongen door realistische personages.

* Invloed van humanisme wordt zichtbaar: literatuur wordt gebruikt om humanistische en algemeen christelijke gedragsidealen te propageren, die teruggaan op klassieke auteurs, op de bijbel en op geschriften van de kerkvaders.

* Literatoren oriënteren zich op voorbeelden uit de oudheid en uit het land waar de renaissance is ontstaan: Italië

Navolging van de gedichten die de Italiaanse humanist en dichter Francesko Petrarca (1304-1374) schreef voor zijn geliefde Laura. Het waren meestal sonnetten die inhoudelijk een vast patroon volgden:
- de aanbedene wordt voorgesteld als een koele afstandelijk schone, goudharig, lelieblank, met ogen als sterren, wangen als rozen, tanden als parels en robijnrode lippen
de minnaar is haar door tegenstrijdige gevoelens verscheurde slaaf: hij voelt zich vrij en toch gevangen, aangetrokken en afgestoten, in vuur en vlam gezet uit hoop op genegenheid, verkild uit vrees voor afwijzing.

-Een treurspel moet laten zien wat er gebeurt als hooggeplaatste personen zich laten meeslepen door hun hartstochten.
De verhaalstof wordt ontleend aan de klassieke verhalen, de bijbel of de vaderlandse geschiedenis
Het bestaat meestal uit vijf bedrijven waarin monologen, dialogen, debatten en beschouwingen elkaar afwisselen.
De personages dragen allerlei lessen uit die neerkomen op de boodschap dat de mens zich met behulp van de ratio moet beheersen.

- een motto: een spreuk of kort gezegde
een afbeelding die allerlei details op voor- en achtergrond kan bevatten
een onder- of bijschrift, dat meerledig kan zijn en qua lengte kan variëren.

Belangrijke auteurs en teksten

Ontstaan als vroege producten van de Reformatie. Zo genoemd omdat er de martelingen en executie van de aanhangers van de Reformatie in worden bezongen.

Toen de eerste vervolgingsgolf van de jaren dertig en veertig wat geluwd was, werden ze in heimelijk gedrukte en makkelijk te verbergen boekjes verzameld onder de titel Offer des Heeren (1562). Het werd later uitgebreid en vele malen herdrukt en stond dikwijls op de Index.Tot ver in de zeventiende eeuw bleven sommige van deze liederen deel uitmaken van het liturgische repertoire van de doopsgezinden

Ze fungeerden in de Tachtigjarige Oorlog als propaganda; de teneur is dan ook overwegend anti-Spaans en anti-rooms. Ze werden verzameld in het Geuzenliedboek, in de zeventiende eeuw vele malen herdrukt en aangevuld.

Contrafacten: teksten die gemaakt werden op bestaande melodieën. Zo schreef men inhoudelijke pendanten op een en dezelfde melodie: een Spaansgezinde tekst kon als reactie een geuzenlied opleveren, en omgekeerd
Het beroemdste voorbeeld van een geuzenlied is het anonieme Wilhelmus (1570). Het was een politieke reactie op een Frans lied over een mislukte aanslag van de protestantse leiders Condé en Coligny op de stad Chartres (1568). Thans is men vrij algemeen van mening dat Marnix van St. Aldegonde, overtuigd calvinist, diplomaat en propagandist in dienst van Oranje, voor de dichter gehouden moet worden.
Voor zover we de dichters kennen blijken deze in meerderheid uit de rederijkerij afkomstig. Veel liederen kenmerken zich naar vorm door wat in deze kringen gebruikelijk was: een rijk rijmgebruik, de steevaste Prince, kunstigheden zoals het naamdicht.
De verspreiders van dit soort teksten waren gerenommeerde drukkers die hun leven in de waagschaal stelden door buiten hun reguliere werk om heimelijk subversieve pamfletteksten en ketterse liederen te produceren
Nederlandtsche gedenckclanck van de Veerse notabel en overdeken van de rederijkerskamer, Adriaen Valerius. Daarin is de geschiedenis der Nederlanden beschreven onderbroken door 76 vaderlandslievende en godsdienstige liederen, die nauw met het geuzengenre verwant zijn. Wilt heden nu treden, Merck toch hoe sterck, O Nederland! Let op uw saeck.

Geuzenliederen - 30

Jan van der Noot: (1538-1601) Antwerpse jonker die beschouwd wordt als de eerste echte renaissance dichter. Hij poogde in zijn werk de elite van het hele land aan te spreken, dus ook de toenmalige Franstalige gewesten.

Het Bosken (1570) is een der vroegste Nederlandstalige dichtbundels waarin we sonnetten vinden. In dit werk kunnen we het moeizame begin volgen van de literaire vernieuwingen die pas in de zeventiende eeuw tot volle wasdom zouden komen. Er zijn een aantal knappe bewerkingen opgenomen van de toen pas verschenen psalmvertaling van Petrus Datheen
Vernieuwingsaspecten:
- platonische ideeën, zoals de liefde die tot deugd voert
- de ongedwongen natuurlijke toon.
- de juiste toepassing van de cesuur of rust op een vaste plaats in de versregel
- het gebruik van nieuwe genres: sonnet, epithalium (huwelijksdicht), en de ode
Nationaal epos:
Voor een renaissance dichter was het schrijven van een nationaal epos, waarmee ze de Aeneis naar de kroon zouden steken, het hoogst bereikbare

Dichterschap in de landstaal op Europees niveau - 31

Dirck Volckertsz. Coornhert (1522-1590): behalve dichter en prozaschrijver was hij ook graveur en theoloog. Hij heeft zijn leven lang geijverd voor religieuze tolerantie. Zijn belangrijkste werk is een ethisch handboek in proza: Zedekunst dat is wellevenskunst (1586). Het was bestemd voor gewone lezers. Bovendien is het de eerste ethica in een moderne Europese taal. In de begeleidende opdracht zet hij de humanistische bedoeling van dit handboek uiteen: de lezer ware kennis bijbrengen over de mens en zijn verschillende zonden en deugden.

Bloeitijd van de renaissance (1600-1669)

Karakteristiek

Noord- en Zuid-Nederlands literair leven

Steeds groter verschillen worden zichtbaar. Het Noorden heeft in dit tijdvak een economische bloei bereikt mede dank zij de verovering van Antwerpen door de Spanjaarden en de immigratie van Zuid-Nederlandse vluchtelingen

*beschermers en opdrachtgevers van literatoren
N: de stedelijke bovenlaag en niet meer de kerk en de adel
Z: de rooms-katholieke kerk en het adellijk hof. Onder invloed van de Contrareformatie behoudt de literatuur een vrijwel exclusief rooms-katholiek karakter

*de auteurs
N: vooral burgers
Z: de geestelijken (jezuïeten)

*de literaire organisaties
N: komen er nieuwe organisaties bij, vooral in Amsterdam (Nederduytsche Academie)
Z: de bestaande rederijkerskamers blijven actief.

Jan Vos: tussen 1647 en 1667 het meest invloedrijke hoofd van de Amsterdamse Schouwburg. Als echte theaterman was hij een meester in het ontwerpen van "stomme vertoningen" (tableaux vivants), waarmee hij niet alleen zijn eigen stukken, maar ook verschillende tragedies van Vondel voorzag. In opdracht van de staatsregering organiseerde hij ook openbare allegorische voorstellingen en optochten tijdens stedelijke festiviteiten. Het sprak vanzelf dat hij de politieke opstelling en dus de belangen van de regering meer of minder expliciet ondersteunde.
Nederland als een tweede Israël: aan het einde van de zestiende eeuw vergeleken de Nederlanders zich graag met het oudtestamentische volk dat evenals zij verschillende malen door God van de tirannie was verlost.
Het Bataafse verleden: de strijd die de Batavenleider Claudius Civilis ter verdediging van de vrijheid van zijn volk tegen de Romeinen had gevoerd.

Dichters als maatschappelijke en politieke commentatoren - 47

 

Belangrijke auteurs en teksten

Elementen van Senecaans drama
-angstaanjagende toonzetting
-lange monologen
-puntige morele uitspraken
-filosofische, neo-stoïsch gekleurde bespiegelingen
Seneca leverde ook modellen voor complete scènes:
- het optreden van de furiën uit de onderwereld
- gesprekken tussen de vrouwelijke hoofdpersoon en haar voedster over de noodzakelijke beheersing van emoties
- droomvertellingen over de geestesverschijning van geliefd familielid

De opbloei van het renaissance toneel in Amsterdam - 35

Gerbrand Adriaanszoon Bredero (1585-1618)
schreef humoristische, erotische en religieuze gedichten die na zijn dood werden uitgegeven in het Boertigh, amoreus en aendachtigh groot lied-boek (1622) en tientallen toneelstukken, voornamelijk kluchten en blijspelen.

Antwerps Liedboek: Het oudste wereldlijk liedboekje. Aan de druk uit 1544 moeten al enkele edities voorafgegaan zijn. Het bevat "oude" en "nieuwe" liedjes zonder dat de melodieën worden aangegeven. De beginregels van de liedjes uit het Antwerps Liedboek keren later wel terug als wijsaanduidingen, wat iets zegt over de populariteit van de teksten. Ondanks het feit dat het boekje reeds in 1546 op de index was geplaatst. Het was een goedkoop uitgevoerd, compact gedrukt boekje, dat gemakkelijk in de zak meegenomen kon worden. Van de grote productie is veel verloren gegaan doordat de boekjes verbruikt werden

Liedboek - 36

De Spaanschen Brabander (1617) biedt treffende staaltjes zedenschilderingen van het toenmalige Amsterdamse straatleven en is opgezet als een gevarieerde revue waarin allerlei personages hun opwachting maken. De hoofdpersonen zijn de snoevende bankroete Antwerpenaar, Jerolimo en zijn knecht, de in Amsterdam opgegroeide volksjongen, Robbeknol. De gespreksthemas zijn geldzucht, corruptie, afkeer van immigranten en angst voor de dood. Bredero geldt als een meester in het weergeven van de volkstaal.

Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647)
was in het maaatschappelijke leven drost van Muiden. Op het Muiderslot ontving hij een wisselend gezelschap van literaire en geleerde vrienden, dat in de negentiende eeuw de benaming Muiderkring heeft gekregen. De lyriek die hij schreef was vooral liefdespoëzie in de vorm van liederen en sonnetten. Hij varieerde daarin subtiel op internationale traditionele themas en motieven, bijv. het neoplatonisch gekleurde petrarkisme

De grondslag van zijn dichterschap ligt in de degelijke opvoeding die hij in het humanistische en tolerante ouderlijk milieu heeft ontvangen. Hoe overweldigend de buitenlandse ervaringen voor Hooft ook geweest zijn, ze vormen niet meer dan een toegift. Toch is de lichte toon van zijn liefdesliedjes, zijn taalvirtuositeit, zijn gevoel voor ritmiek en muzikaliteit, de brede versbeweging van de sonnetten die soms uit meer dan twee volzinnen bestaan, onmiskenbaar de weerklank van zijn intensieve kennismaking met het Zuiden.

Emblemata amatoria: (1611)deze bundel is toonaangevend gewest voor de Nederlandse liefdes emblematiek
Granida: een herdersspel

De thematiek heeft wel raakpunten met de pastorale literatuur doordat het leven aan het hof gecontrasteerd wordt met het leven op het platteland. Maar andere themas spelen ook een grote rol. De drie basiselementen zijn:
-de tegenstelling hof/land die aan het eind tot een synthese komt
-de verhouding tussen geestelijke en lichamelijke liefde (liefde en min)
-de spanning tussen schijn en werkelijkheid

Warenar (1617): blijspel waarmee de Nederduytsch Academie ingewijd werd

Geeraerdt van Velsen (1613) en Baeto (1617) twee treurspelen

Geeraerdt van Velsen is een tragedie over het verzet van de Hollandse edelen tegen de middeleeuwse graaf Floris V. Floris V was het voorbeeld van een vorst aan wien, net als aan Filips II, de opgedragen waardigheid ontnomen mocht worden als hij zijn plicht tegenover zijn onderdanen verzaakte.

P.C. Hooft in zuidelijk licht - 33

 

Erasmus als grondlegger van de "Bataafse mythe": zijn verzameling Adagia bevat de uitdrukking "het Bataafse oor" die Erasmus van een andere dan de gebruikelijke uitleg voorziet. Hij heeft bij Tacitus gelezen dat de Bataven geen domme boeren maar dappere krijgers waren, die dank zij hun militaire kwaliteiten nuttige bondgenoten van de Romeinen waren. Bovendien waren zij rechtdoorzee, vriendelijk, ernstig, terwijl het hun evenmin ontbrak aan beschaving en ontwikkeling
Baeto: De wijze en gematigde prins Baeto, die liever in ballingschap naar Holland gaat dan in zijn eigen land een burgeroorlog te ontketenen wordt door zijn volgelingen tot koning gekozen. Daarbij zweert hij de bestaande rechtsorde te handhaven en op advies van ridderschap en steden te regeren.
Wetenschappelijke geschiedschrijving: de feitelijke waarheid mocht geen geweld worden aangedaan en het geschrevene moest zo boeiend en fraai mogelijk verwoord worden.
Populaire geschiedschrijving: propaganda voerde meestal de boventoon

Betekenis van de vaderlandse geschiednis voor de literatuur - 43

Neederlandsche Histoorieën (1642-1647): handelt over de geschiedenisvan de Nederlandse Opstand tegen Spanje.

Joost van den Vondel (1587-1679):

is zich op latere leeftijd gaan ontwikkelen tot een dichter van het hoogste niveau. In zijn omvangrijk oeuvre zijn vele genres vertegenwoordigd.
*Emblemen en puntdichten
*gelegenheidsgedichten: Inwydinghe van t stadthuis tAmsterdam (1655)
*Vertalingen uit het Latijn van klassieke werken: Aeneis (Vergilius) en Metamorphoses (Ovidius)
*Hij was een van de weinige Nederlandse auteurs die zich rekenschap gaf van de literaire theorie uit de oudheid. Voor dat doel vertaalde hij de Ars Poetica van Horatius, een serie regels en adviezen voor beginnende dichters. Zelf schreef hij Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunst (1650) voor aankomende Nederlandse dichters.
*Hij schreef ruim dertig toneelstukken. De tragikomedie Pascha (1610) was zijn eerste drama. De hierin gedramatiseerde Joodse uittocht uit Egypte vergeleek hij in een apart gedicht met de verlossing vande Republiek uit de Spaanse tirannie. Gysbrecht van Aemstel (1637) fungeerde als inwijdingsstuk van de Amsterdamse Schouwburg. Hierin behandelde hij een vaderlands onderwerp: de nasleep van de moord op Floris V. Voor latere dramas koos hij veelal bijbelse themas.

Gysbrecht van Aemstel: Het verhaal gaat over de verwoesting van Amsterdam in 1304, nasleep van de moord op Floris V door Geeraerdt van Velsen in 1296. Gysbreght stond in dit conflict, eigenlijk tegen zijn zin, aan de kant van Geeraerdt en krijgt daarvoor door Floris aanhang de rekening gepresenteerd. Nadat de vijanden Amsterdam een jaar lang belegerd hebben, verzint men een list. Bij de schijnaftocht laten de belegeraars een schip "vol hout" achter, dat in werkelijkheid vol soldaten zat. Terwijl de opgeluchte Amsterdammers op kerstavond naar de kerk gaan, stromen de vijandelijke troepen de stad binnen en verwoesten haart. Gysbreght wil zijn burcht tot de dood toe verdedigen, maar zijn vrouw Badeloch weigert uit oprechte trouw hem te verlaten. Uiteindelijk beveelt de engel Rafaël hem in Pruisen een nieuw Holland te stichten, getroost door de voorspelling van Amsterdams machtige herrijzenis.
Vondel bracht niet alleen het middeleeuwse verleden in herinnering: in 1590 was Breda met een turfschip even listig op de Spanjaarden heroverd. De benaming "Zeepaerd" verwees bovendien naar een klassiek verhaal: de inname van Troje door de Gerieken. Binnen de imitatiocultuur gold een dergelijke bewerking als bewijs van kunstenaarsschap. Ook een aemulatio stond Vondel voor ogen, getuige de derde, bijbelse component: Vondel liet groepen Amsterdammers kerstliederen zingen.

Vondel en de Gysbreght-traditie - 41

De ideale dichter van die tijd verbindt technische superioriteit, stoelend op de voorschriften van de klassieke retorica en poëtica, met eruditei en hoog moreel gehalte, en gebruikt zijn talenten ten dienste van de gemeenschap. De dichter is de leermeester, het geweten en het geheugen van de samenleving.

De ontwikkeling van Vondels dichterschap - 46

 

Jacob Cats (1577-1660):
Raadspensionaris van Holland. Als dichter legde hij zich toe op het overdragen van helder geformuleerde en smeuïg verpakte levenslessen voor jong en oud, waarbij hij kon putten uit zijn brede kennis van klassieke en humanistische bronnen. Van de meeste uitgaven werden dure en goedkope, uitgebreide en bekorte versies in omloop gebracht. Verschillende categorieën lezers konden op die manier hùn Cats aanschaffen. Zijn werk genoot tot ver in negentiende eeuw een enorme populariteit.
Sinne-en minnebeelden (1618): elk van de embleemprenten voorziet hij drie keer van uitleg: voor jonge lezers amoureuze lessen, voor volwassenen maatschappelijk lering, en voor bejaarden religieuze instructies.
Houwelijck (1625): een leerdicht dat een complete, op humanistische leest geschoeide huwelijksleer bevat.
Trouringh (1637) verhalende gedichten die aan liefde en huwelijk gewijd zijn.

Den gulden winckel (Vondel)
- verhalen afkomstig uit de antieke literatuur, zoals uit de mythologie en uit levensbeschrijvingen
- emblemen gebaseerd op anekdoteverzamelingen over klassieke figuren die onder Erasmus bijeengebracht waren.
Sinnepoppen (Roemer Visscher)
Hij verdeelt zijn bundel in dier zogenaamde "schocken", drie afdelingen met elk zestig emblemen. IN die emblemen ligt de nadruk op didactiek en ethiek. De voorstellingen, met hun aandacht voor details zijn vooral ontleend aan het dagelijkse leven. Pas na lezing van het bijschrift wordt duidelijk wat hij met het moto en de prent bedoeld heeft.

Emblematische lering - 34

Constantijn Huygens (1596-1687): als secretaris in dienst van de Oranje-stadhouder Frederik-Hendrik, later diende hij ook onder, Willem II en Willem III. Zijn dichtwerk is verzameld in de bundel Koren-bloemen (1658). Hierin staan zowel sonnetten als puntdichten en een aantal lange beschouwelijke gedichten zoals:
t Voorhout van s-Gravenhage: een ode op het Haagse Voorhout
Kostelick Mal: een hekeldicht dat de protserige modezucht aan de kaak stelt
Hofwijck: over zijn eigen buitenverblijf in Voorburg.

Dagh-werck had een beeld moeten geven van eendag uit zijn leven met "Sterre"- Suzanna van Baerle, met wie hij in mei 1627 was getrouwd. De situatie die hij aan het begin oproept is die van de eerste dag na hun huwelijk. Het is vooral zijn eigen "dag-werk" dat hij beschrijft; Sterre dient als klankbord. De dichter is steeds met haar in gesprek en wekt ook sterk de suggestie dat hij het gedicht samen met haar schrijft. Maar op 10 mei 1637 was Sterre gestorven. Het was onmogelijk geworden het gedicht volgens de oorspronkelijke opzet te voltooien. Het werd pas twintig jaar later gedrukt in de Koren-bloemen, de bundeling van nagenoeg al zijn tot dusver gepubliceerde en ongepubliceerde Nederlandse poëzie.

Constantijn Huygens, de virtuoos - 39

Maria Tesselschade Visscher (1594-1649): dochter van de Amsterdamse koopman-dichter Roemer Visscher. Zij groeide op in een intellectueel milieu. Hooft en Huygens bewonderden haar belezenheid en charme. Haar gedichten en liedjes zijn qua inhoud en opzet duidelijk geïnspireerd door de omgang met haar literaire vrienden.

Dichtwisselingen of dicht-antwoorddicht: kenmerkend voor de literaire productie van vrouwen in de zeventiende eeuw.
Anna Roemers Visscher: als zelfstandig literair werk alleen haar vertaling van een Franse bundel religieuze emblematiek. Tweeregelige gedichtjes voor haar vaders Sinne-poppen en enkele gedichten in de Zeeusche nachtegael. (collectieve bundel met o.a. Hooft, Huygens, Maria Tesselschade)
Lauwer-stryt tusschen Catharina Questiers en Cornelia van der Veer bevat gedichten van beide dames beginnend met dichtwisselingen. Catharina had toen al de nodige faam maar schenkt de verworven lauweren aan Cornelia.
Katharina Lescailje wordt de vriendin van Cornelia na de dood van Catharina. Zij wijst de vriendschap af en Cornelia verdwijnt. Lescailje neemt de boekhandel van haar overleden broer over en verwierf zich een plaats in het Amsterdamse literaire leven.

Het vrouwelijk aandeel - 50

 

Jacobus Revius (1586-1658); calvinistische predikant, een van de medewerkers aan de nieuwe Nederlandse bijbelvertaling, de Statenbijbel (1637). In zijn verzamelwerk, Over-Ysschelse sangen en dichten (1630) staan religieuze gedichten, waaronder veel sonnetten en felle hekeldichten op onder andere Spanjaarden en katholieken.

Jacobus Revius schreef ook Heydens houwelijck, een programmatisch gedicht voor de christelijke dichter die zich de klassieke poëzie eigen wil maken? Deze moet selectief te werk gaan en de loszinnige erotiek, de mythologie en het cynisme van de klassieke dichters elimineren, daarna mag hij zich in zijn poëzie door de klassieke Muze laten inspireren.
De Statenbijbel: De synode van Dordrecht vond dat een nieuwe, betrouwbare en verantwoorde Nederlandse bijbelvertaling uit de grondteksten nodig was. Niet alleen voor gebruik in de gereformeerde kerken maar ook om zich erop te kunnen beroepen in het debat met andersdenkenden als remonstranten, doopsgezinden en rooms-katholieken. Zij wezen drie vertalers voor het oude en drie vertalers voor het nieuwe testament aan. Aangezien zij ervan overtuigd waren dat de grondteksten direct door de Heilige Geest waren geïnspireerd, vertaalden zij deze zo getrouw mogelijk, zodat Gods woord "ongerept" bleef. Het resultaat was een tekst die aansloot bij de gangbare schrijftaal, maar waarin soms wel on-Nederlandse hebraïsmen en graecismen voorkwamen, die in kanttekeningen moesten worden uitgelegd. De vertaling was van hoog wetenschappelijk gehalte, voorzien van exegetische en dogmatische toelichtingen in de marge, een echt orthodox-calvinistische bijbel. Ook de remonstranten namen de Statenbijbel relatief snel in gebruik, veelal in uitgaven zonder kanttekeningen. De doopsgezinden volgden in de achttiende eeuw. Toen was de Statenbijbel de bijbel van protestants Nederland geworden.
De betekenis van de psalmberijming versterkte de vertrouwdheid met "tale kanaäns". In de gereformeerde kerk gebruikte men de berijming van Datheen uit 1566, die gebaseerd was op de Franse berijming. Al in 1588 was Marnix van St. Aldegonde gekomen met een meer bijbelgetrouwe en literaire berijming. Het zou tot 1773 duren voor de publieke kerk een nieuwe psalmberijming invoerde, de Statenberijming. Maar ook dichters als Revius, de meer vrijzinnige Hooft en de remonstrant Westerbaen hebben psalmen berijmd.

Bijbel en literatuur - 40

Willem Godschalck van Foquenbroch (1640-1670): arts in Amsterdam. Vertrok naar de Noord-Afrikaanse Goudkust om daar fortuin temaken. Schreef onder meer blijspelen, hekeldichten, liefdesgedichten waarin hij een loopje neemt met de petrarkische traditie en vergelijkbaar spottende bewerkingen van klassieke epen. Scepsis ten aanzien van alles wat maar naar verhevenheid en idealisme zweemt, is kenmerkend voor zijn werk. Thalia, of geurige zanggodin: verzameld werk (1665---1678).

Geurig betekent geestig maar heeft ook betrekking op zijn onafscheidelijk pijp. Zijn dubbelzinnig motto luidt: "fumus gloria mundi", rook maakt de roem van de wereld uit, maar ook: de wereldse roem is slechts rook.
Hij schrijft in een heel directe taal, wat hem tot ver in de achttiende eeuw, totdat de normen van fatsoen en gevoel gingen veranderen, een grote populariteit bezorgde. Toch is ook zijn poëzie minder voor de gewone man bedoeld dan voor de belezen groep die net als hij de Latijnse school hadden bezocht. Alleen wie de klassieken en het petrarkisme kent kan genieten van zijn parodieën. Hij is wel een anti-idealist maar geen realist: van zijn eigen leven laat Meester Fock bijna niets zien.
Jan Six van Chandelier (1620-1695): Amsterdams koopman-dichter. Zijn gedichten zijn: uit het leven gegrepen, met scherpe observaties en precieze beschrijvingen, de situatie die steeds even anders is dan ze scheen, vol zelfironie. De tijdgenoten van de dichter sloten hun gedichten vaak af met een algemene wijsheidsspreuk. Six waarschuwt zijn lezer: wantrouw de pretentie van die dichter-leraars. Het gaat om poëzie voor de intelectuele elite, moeilijk van taal en vol met vaak obscure verwijzingen naar allerlei kennisgebieden, de klassieke oudheid voorop.

Drie anti-idealistische dichters - 45

Het journaal van Bontekoe: Hoewel Bontekoe in 1625 in zijn vaderland is teruggekeerd, liet de Hoornse uitgever Deutel het zeerleesbare relaas van zijn plaatsgenoot pas in 1646 verschijnen. Het was niet de bedoeling informatie over de vaarroute en onbekende streken te verschaffen. De functie van de tekst is veeleer religieus-didactisch geweest. De schrijver en de uitgever hielden met dit verhaal over een ramp het publiek voor ogen dat God over het lot van de mens beschikt.

Reisteksten - 51

 

Frans-classicisme, 1669-1730

Karakteristiek

In het tijdvak van het Frans-classicisme gaat men de voorschriften van klassieke autoriteiten volgens eigentijdse opvattingen herzien en geldt de verplichting van het vertalen en navolgen van moderne klassieken: eigentijdse Franse schrijvers die men als autoriteiten beschouwt vanwege hun strakke vormprincipes.
Dit heeft gunstige gevolgen gehad:
--het taalgebruik werd helderder en eenvoudiger
meer aandacht voor de toneeltechniek
Vooral de toneelstukken van Corneille, Racine en Molière krijgen navolging.

Belangrijke auteurs en teksten

Andries Pels (1631-1681)

Vooraanstaand lid van het dichtgenootschap Nil volentibus arduum. Hij wilde vooral de kwaliteit van het toneel verbeteren
Gebruik en misbruik des toneels (1681): een verhandeling op rijm

Bienséance en clarté: de gebeurtenissen op het toneel moesten de goede zeden dienen en de taal die op het toneel gehanteerd werd diende ui te blinken door helderheid (Corneille).
Lodewyk Meyer: doctor in de medicijnen, was lid geweest van het schouwburgbestuur en had drie toneelstukken geschreven. Hij had in de eerste plaats naam gemaakt als taalkundige. In de schijnbaar onschuldige vorm van woordverklaringen verpakte hij nieuwe opvattingen over mens en maatschappij.
Naawkeurig onderwys in de tooneel-poëzy: handschrift met veertig lezingen die de leden van NVA hielden over het schrijven van dramatische poëzie. De leden raakten het niet eens over de eindredactie en toen het in 1765 in druk verscheen was het al verouderd. Toch is het de meest uitgebreide Nederlandstalige poëtica van de zeventiende eeuw.
Gebruik en misbruik des toneels (1681)en Q. Horatius Flaccus dichtkunst: literair-theoretische tractaten van Andries Pels. Hij keerde zich fel tegen dichters die met hun opruiend-politieke of schunnige stukken waar "noch kunst, noch deugd" in steekt, de Schouwburg terroriseerden.
Pieter Langendyk vernieuwde het blijspel. Zijn toneel kenmerkte zich door een doordachte structuur, uitbeelding van hartstochten en waarschijnlijkheid. Hij pleitte voor originaliteit en voor vrijheid ten aanzien van de regels van de poëtica.

Het Frans-classicisme verovert de Schouwburg - 49

Pieter Langendijk (1683-1756)

Als schrijver van gelegenheidsgedichten maakte hij omstreeks 1710 enige naam, maar echte roem verwierf hij in de jaren daarna met kluchten en blijspelen, die in de Amsterdamse Schouwburg hun première beleefden
Het wederzijds huwelijksbedrog (1714): een moraliserende lachspiegel: alle personages plegen bedrog door zich rijker voor te doen dan ze zijn.

Jan Luyken (1649-1712)

Behalve dichter ook graveur en etser.
Duytse lier (1671): een met prenten verlucht liedboekje waarin de erotiek in het perspectief van serieuze huwelijksliefde wordt bezongen. Een aantal prenten uit de Amorum Emblemata van Otto Vaenius zijn erin verwerkt
Jezus en de ziel (1678): religieuze embleembundel. Luyken wordt beschouwd als een der belangrijkste vertegenwoordigers van de religieuze emblematiek

Spiegel vant menschelyk bedryf (1694)
Des menschen begin, midden en einde: overwegingen betreffende de verschillende levensfasen van de mens in de traditie van Cats.

Emblematische lering - 34

 

Hubert Korneliszoon Poot (1689-1733)

Zuid-Hollandse boerenzoon die grote bewondering koesterde voor Hooft, Huygens en Vondel
Mengeldicht (1716): zijn eerste dichtbundel met liefdesgedichten als kern. Hij gebruikte petrarkische motieven maar dichterlijke zelfspot houdt de emoties van de ik-figuur op afstand.
Uit zijn latere natuurgedichten spreekt een sfeergevoeligheid die nieuw was voor zijn tijd

Kopijrecht: in de zeventiende eeuw liet een dichter zich niet geldelijk belonen. Dichters met hun hoge roeping wilden zich niet als handwerkslui laten betalen. Hoogstens accepteerden zij beloningen in natura. Maar juist in deze periode proberen meer auteurs het kopijrecht uit de handen van de boekdrukkers te houden en voor zichzelf te krijgen. Poot zal gaan proberen als literator van zijn pen te leven door in opdracht bij tal van gelegenheden voor een passend gedicht te zorgen.
Poeta doctus: het zeventiende-eeuwse dichterstype. Hij moest geleerd zijn en de klassieken kennen want hij moest mythologische gegevens in zijn poëzie kunnen verwerken en toespelingen kunnen maken op citaten van klassieke dichters.
Gedichten (1722): uitgegeven in een royaal boek met speciaal voor de gelegenheid vervaardigde gravures.
Vervolg der gedichten (1735): postuum verschenen bundel.

Tussen twee eeuwen: de dichter Hubert Korneliszoon Poot - 56


| Inleiding Letterkunde | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Liesbeth Goosens (1999)