Leereenheid 21 p11

DESCARTES’ WEG NAAR DE METHODE

Moderne filosofie

Modern = na de middeleeuwen – begin 17de E – begint met Descartes

Leerdoelen: kunnen

- het denken van Descartes historisch situeren
- de ontwikkeling van Descartes’filosofie in hoofdlijnen weergeven
- het voornaamste doel van Descartes’filosofie verwoorden

1. Inleiding tot leven en leer van Descartes

° 1596 in La Haye. † 1650 te Stockholm
Opgeleid in een Jezuïtencollege. Vertrekt naar Nederland om te dienen in het leger van prins Maurits. Rondzwervingen in Duitsland. Vanaf 1628 in Nederland.
Belangrijkste werken: Discours de la méthode, Meditationes de prima philosophia, Principia philosophiae.

Hij wilde de grondslagen van Aristoteles vervangen omdat deze onverenigbaar waren met de nieuwe wetenschappelijke inzichten. Uitgangspunt is de wiskunde. Descartes is de grondlegger van de analytische meetkunde. Descartes is grondlegger van het moderne rationalisme. Zijn filosofie is belangrijk geweest, niet zozeer zijn wetenschappelijke bijdragen.

2. Het ideaal van het zekere kennen

Over de methode
Positieve bepalingen van zekere kennis: helder, vanzelfsprekend en evident, berust op een strenge en onwrikbare fundering of op zekere uitgangspunten, is verder gefundeerd op (gezond) verstand, rede of natuurlijk oordeelsvermogen, is verstandelijk doordacht, zuiver en solide, stevig, welonderscheiden, onbetwijfelbaar, hangt ordelijk samen en berust op een methode.

Kenmerken van ware en zekere kennis:

Helder en welonderscheiden (evident); clarté et distinction

Hangt op ordelijke wijze samen;

Berust op een onwrikbaar fundament;

Kennis komt tot stand door de ratio;

Waarheidscriterium van Descartes: alles wat we helder en welonderscheiden kunnen denken is waar.

3. Descartes’oordeel over de wetenschappen

Wetenschap moet nuttig zijn met als belangrijkste doel waar en onwaar te onderscheiden. De mens als heer en meester over de natuur. Verschil tussen de middeleeuwse filosofie (overwegend beschouwend) en de moderne filosofie. De moderne wetenschap wil de werkelijkheid niet alleen kennen, maar haar ook beheersen.


Positief oordeel over de wiskunde (zekere en vanzelfsprekende vd redeneringen) en laat zich bij het ontwerpen van de methode hierdoor inspireren.
Negatief oordeel over de filosofie, theologie en griekse ethiek. De ethiek heeft volgens hem geen vast fundament. De theologie gaat het verstand per definitie te boven, zulke waarheden kunnen wel geloofd, maar niet begrepen of bewezen worden. De filosofie bevat niets waarover niet geredetwist kan worden en dat onbetwijfelbaar is, en levert niet meer dan waarschijnlijkheden op. Hij vindt het dispuut (scholastiek) als filosofische methode ongeschikt.

Gezagsargumenten hebben volgens Descartes geen waarde omdat ze enkel waarschijnlijkheid leveren. Wetenschap moet uitsluitend onbetwijfelbaar zekere kennis leveren, die de vrucht is van het eigen verstandelijk inzicht. dus niet via zintuigen

Methode voor goed gebruik van het verstand. De wetenschap moet rationeel zijn en berusten op een stevig fundament -> alleen wiskunde voldoet!

Volgens Descartes geldt als garantie voor de waarheid van filosofische opvattingen dat gezaghebbende filosofen uit verschillende stromingen het erover eens zijn:onjuist

4. Samenvatting

lees p 21

DE METHODE VAN DESCARTES

Leerdoelen: kunnen

- de aard en de strekking van de regels van de methode voor het wetenschappelijk en wijsgerig denken begrijpen en uitleggen
- het bijzondere karakter van Descartes’twijfel verwoorden 

1. Descartes’ beeld van de ideale wetenschap

De ontwikkeling van de wetenschap moet het werk zijn van één enkele persoon, ontdaan van oude meningen en vooroordelen en uitsluitend geleid door de rede.

Universele wetenschap en universele methode: Descartes zet zich af tegen de aristotelische en scholastische opvatting dat verschillende wetenschappen ook verschillende methodes hebben. Descartes zegt:1 methode voor alle wetenschappen.
De methode is geschikt wanneer ze een middel vormt om een hecht fundament te vinden.


2. De regels van de methode

De methode is nodig voor het goed gebruik van het gezond verstand.
Waarheidscriteria: evidentie en helderheid (intuïtie), welonderscheidenheid, onbetwijfelbaarheid.

Wiskunde is de enige wetenschap met zekere en evidente redeneringen. De meetkunde beschikt over een zekere manier om afleidingen te maken en de waarheid volgens de juiste orde te ontvouwen.

Evidentie en orde corresponderen met de twee werkingen van het verstand: intuïtie en deductie.

Met het kennen van evidente waarheden correspondeert de intuïtie. Met het ordelijk afleiden van steeds ingewikkelder waarheden uit eenvoudige waarheden correspondeert deductie.
Alle wetenschappelijke kennis moet uit een aantal fundamentele intuïties langs deductieve weg worden ontvouwd.

Deductie is de vorm van redeneren die uit het algemene het bijzondere afleidt.

3. Fundering van de wetenschap en de rol van de twijfel

Fundamentele intuïties moeten worden gevonden in de Eerste filosofie of metafysica. Bij Aristoteles leren we eerst de stoffelijke werkelijkheid kennen om dan door te dringen tot het onwaarneembare fundament van de werkelijkheid: metafysica als sluitstuk. Bij Descartes is het het fundament van de menselijke kennis, dus metafysica als begin of wortel van de wetenschap.

In de filosofie van Descartes speelt de metafysica dus NIET dezelfde rol als bij Aristoteles.

Bij Descartes geschiedt het vinden van de meest fundamentele intuïties of beginselen (waaruit al het overige kan worden afgeleid) langs de weg van de methodische twijfel: intuïtie+deductie

Negatieve functie van de twijfel: zuivering van het verstand door kritiek op vooroordelen.
Positieve functie van de twijfel: vinden van een vast fundament.

Sceptici zeggen dat er geen kennis mogelijk is; Descartes weerlegt dat juist door de twijfel.


4. Methodische twijfel

Drie redenen om te twijfelen: bedriegelijke zintuigen, vergissingen bij het redeneren , de mogelijkheid dat we dromen
Twijfel aan alle bronnen van kennis (= zintuigen, verstand en verbeeldingskracht). Enkel de intuïtie is boven de twijfel verheven. De twijfel van Descartes is opzettelijk en doelbewust. (alledaagse twijfel is bijna altijd ongezocht en ongewild). Methodische twijfel: met het doel dat er zekerheid bereikt kan worden. Hij wil weten of er iets zou overblijven dat absoluut onbetwijfelbaar zou zijn. Experimentele twijfel, het twijfelexperiment.

5. Samenvatting lees p 31

Leereenheid 23 p 33

DE FILOSOFISCHE GRONDSLAGEN VAN KENNIS en WETENSCHAP

 

Leerdoelen: kennen

- de wijze waarop D de eerste zekerheid vindt, en waarom dit de eerste is
- de betekenis van D’begrip ‘denkende substantie’ in de formulering van zijn waarheidsbegrip
- het probleem van de ‘brug’ en de oplossing met godsbewijzen
-de rol van het waarheidscriterium in D’bepaling van ziel en lichaam

1. De eerste zekerheid: ‘Ik denk dus ik ben’

Cogito ergo sum (Om te denken moet men bestaan. Ik denk. Conclusie: ik ben)

de zintuigen bedriegen

redeneringen kunnen onwaar zijn

het bewustzijn kan dromen

Ik denk, dus ik ben : is géén redenering!
Maar ik ben het die dit allemaal denkt en dus besta ik. Ik denk dus ik ben is een syllogisme. Afhankelijk van de premisse dat denken niet onafhankelijk kan bestaan.
Verdediging van Descartes: het is niet de eerste zekerheid per sé, maar de eerste zekerheid met betrekking tot het bestaan van iets.

Descartes concludeert dat hij een substantie is waarvan heel het wezen of de natuur slechts is dat ze denkt, en die om te bestaan geen plaats nodig heeft en evenmin afhankelijk is van enig stoffelijke ding.
Bewustzijnsinhouden -> gedachten of wijzen van denken.
De denkende substantie -> Res cogitas Eén zelfstandig denkende substantie; God. Alle andere dingen zijn in hun bestaan van Hem afhankelijk.
De dualistische mensleer -> lichaam en ziel gescheiden.


2. Waarheid en objectieve geldigheid

Wat bestaat er buiten het ik ? Hebben gedachten objectieve geldigheid ?

2 tendenzen: realisme en idealisme:

Onmiddellijk realisme: we kennen de werkelijkheid rechtstreeks
Representationisme: we kennen de werkelijkheid via de voorstelling ervan in het bewustzijn

Descartes volgt representationsme

Het probleem van de brug: Hoe is aan te tonen dat de voorstellingen in het bewustzijn gelden voor de objectieve werkelijkheid?

2 stappen: waarheidscriterium+godsidee.

a) Dat wat wij helder en welonderscheiden kunnen denken is waar (criterium voor waarheid).

De zekerheid van Descartes Cogito ergo sum rust op twee pijlers:

de (onbetwijfelbare) ervaring dat hij feitelijk denkt;

op het (onbetwijfelbare) inzicht dat het, juist voor zover hij feitelijk denkt, noodzakelijk is dat hij bestaat.

Heldere ideeën clair (ideeën waarvan we duidelijk bewust zijn) versus obscur
Welonderscheiden distinct (nauwkeurig bepaalde ideeën) versus confus

Een idee kan helder zijn zonder welonderscheidenheid, maar omgekeerd kan niet.

Noodzakelijke waarheden zijn waarheden waarvan het tegendeel onmogelijk is en kunnen alleen door de ratio gekend worden (het geheel is groter dan de delen).
Contingente of empirische waarheden -> zintuiglijk
Een noodzakelijke waarheid impliceert niet dat iets bestaat. Noodzakelijke waarheid: De som van de hoeken van een driehoek is gelijk aan de som van twee rechte hoeken.
Dit betekent niet dat een driehoek ook werkelijk bestaat.

Het probleem van de brug betreft de vraag in hoeverre noodzakelijke waarheden aan experimentele twijfel onderworpen moeten worden. ONJUIST

 


3. De heldere en distincte idee van God

Inleiding

De ideeën kunnen geen uitsluitsel geven of er nog iets anders bestaat buiten die denkende substantie.

De idee van God (het volmaakte wezen). Oneindige, eeuwige, onveranderlijke, alwetende, almachtige substantie, Schepper en handhaver van al wat bestaat.

De godsbewijzen

Twee godsbewijzen – Descartes beschouwt ze wetenschappelijk:

Een onvolmaakt wezen kan niet een idee of voorstelling maken van een volmaakt wezen (God).
Bewijs uit oorzaak: Veronderstellingen (noodzakelijke waarheden):
- - er zijn graden van volmaaktheid (substantie boven eigenschap)

- - het is niet mogelijk dat iets voortkomt uit het niets (wat bestaat heeft oorzaak)
- - iets onvolmaakts kan niet iets volmaakts voortbrengen

De idee van God stelt iets voor dat zo volmaakt is dat ik als onvolmaakt wezen het niet kan voortbrengen; De idee Gods kan niet uit het niets komen, dus is ze veroorzaakt door iets even volmaakts dan zichzelf, dus God bestaat.

Het bestaan van God ligt in de idee van God besloten

Ontologisch godsbewijs: het behoort tot Gods wezen te bestaan

Twee redenen op grond waarvan we zeker kunnen zijn dat God bestaat:
- Omdat alleen een werkelijk bestaand volmaakt wezen de idee van een volmaakt wezen veroorzaakt kan hebben.
- Omdat het bestaan in het begrip of de idee van een volmaakt wezen de idee van een volmaakt wezen veroorzaakt kan hebben.

Aangeboren ideeën
God en de ziel zijn on-stoffelijk en daarom niet in de vorm van beelden te denken. Het zijn aangeboren ideeën: alle ideeën en inzichten die helder en welonderscheiden zijn worden niet uit de zintuigelijke ervaring gewonnen, of door verbeeldingskracht gevormd, maar ze zijn van meet af aan in ons verstand aanwezig, zodat het verstand ze op eigen kracht uit zichzelf kan ontwikkelen.
Met deze leer plaatst Descrates zichzelf in de traditie van Plato en Augustinus, en tegenover Aristoteles en de scholastieke filosofen, volgens wie ‘niets in het verstand is dat niet eerst in de zintuigen was’.

Wending naar het subject: het subject sluit de ogen, keert zich naar binnen, naar de eigen bewustzijnsinhouden en probeert met de aangeboren ideeën, op grond van subjectief waarheidscriterium de werkelijkheid, los van ervaring, te reconstrueren.

Gods volmaaktheid garandeert de geldigheid van het waarheidscriterium. Omdat alles wat in ons van Hem komt, kunnen ze enkel waar zijn. Mensen die dus niet in God geloven kunnen nooit tot waarheid komen.

Cirkelredenering -> de cartesiaanse cirkel. Hij kan pas zeker zijn van zijn argumenten als hij stilzwijgend aanneemt dat God bestaat, maar dat moet hij juist bewijzen. Wij kunnen pas zeker zijn van gods bestaan op grond van de zekerheid dat god bestaat!


4. God en de zekerheid van het bestaan van de wereld

Gods volmaaktheid vormt een garantie voor de waarheid van alle heldere en distincte kennis.

Hoe bewijst Descartes de stoffelijke waarheid? (tot nu toe enkel bestaan van god bewezen en van het wezenlijke ‘ik’ – nog niet van het stoffelijke)

Dit is het probleem van de brug:

Gewaarwordingen overkomen ons. God zou ons die niet geven indien de werkelijkheid niet echt zou bestaan – God is geen bedrieger, en dus stemmen de gewaarwordingen overeen met de realiteit! God geeft ons deze gewaarwordingen en daarom bestaan ze als zodanig.
Descartes vindt de wereld door de volmaaktheid van God.

Lees samenvatting p44

DE CONTOUREN VAN DESCARTES’ RATIONALISME

Leerdoelen: kunnen uitleggen

1. Descartes over het wezen van de ziel en de wereld

Een denkende substantie (ziel) is onafhankelijk van een uitgebreide substantie (lichaam). Op grond van Gods almacht kan God een ziel scheppen zonder daarvoor een lichaam te scheppen.

Het wezen van de ziel is denken : ideeën, voorstellingen, emoties en gewaarwordingen zijn modificaties van het denken...

Het wezen van het lichaam is uitgebreidheid. (niet zwaarte) Onze kennis van bijenwas berust niet op zintuiglijke waarnememingen, maar op kennis.

Modificaties van de uitgebreidheid zijn: vorm, beweging, plaats en rust. Geur, smaak, kleur bestaan enkel in ons bewustzijn, niet in werkelijkheid! De materie bezit in wezen geen zintuiglijke kwaliteiten.

Descartes’ mechanicisme: al de veranderingen in de stoffelijke wereld zijn ‘veranderingen van plaats’, bewegingen van deeltjes uitgebreidheid.

2. Dualisme van lichaam en ziel

Lichaam en ziel zijn onafhankelijk. res cogitans en res extensa (denkende en uitgebreide substantie) Uitgebreidheid is deelbaar, denken ondeelbaar. Verbinding tussen lichaam en ziel is een activiteit van God: hij geeft het versand aan de mens. De mens is een samenstel van twee wezenlijk verschillende substanties, verbonden door verstand.

Dieren zijn zielloze automaten.

Wisselwerking tussen lichaam en ziel. De wil stuurt het lichaam, en de zintuigen verschaffen op hun beurt info aan de ziel. De ziel is niet enkel de stuurman van het lichaam, ze zijn een eenheid: doorleefde gevoelens komen voort uit de innige vermenging van lichaam en ziel.

Onherleidbaarheid van lichaam, ziel en de verbinding tussen beide.

Ziel wordt gekend door het zuiver verstand, metafysica;

Lichaam wordt gekend door het verstand plus het voorstellingsvermogen, de wiskunde;

De vereniging wordt gekend door de zintuiglijke ervaring en het dagelijks leven.

De vereniging van lichaam en ziel ligt buiten het bereik van de filosofie. (grens vh rationalisme)

3. Het mechanicisme van Descartes’ natuurwetenschap


Het lichaam als machine, mechanicisme entelechie, waar natuur een doel heeft.

(Descartes vs Aristoteles en de scholastiek)

Het hele universum is gevuld met deeltjes en alles wordt verklaard als beweging van deze deeltjes. Belangrijke bijdragen in optica, lichtbreking, planetenbeweging, maar hij vereenzelvigt fysica met geometrie dat ook via denken moet worden voortgebracht en niet met zintuiglijke en experimentele ervaring.

Descartes’ overschatting van de methode. Toch via achterpoortje waarneming gebruiken om tot waarheid te komen. De levenloze materie heeft geen eigen doelgerichtheid.

4. Descartes over de ethiek

Moraal of ethiek als hoogste vorm van de wijsheid. Ze heeft praktisch nut.

Ethiek uit de oudheid zijn paleizen die op modder steunen. Twijfel ook toepassen op ethiek: aan alles twijfelen tot waarheid helder ingezien wordt. Maar probleem, zonder moraal kan mens niet leven, daarom voorlopige moraal:

Gehoorzamen aan de wetten en gewoonten van het land;

Vastberaden handelen, ook als grondslag niet zeker is,

Zelfbeheersing, niet beheersen van omstandigheden of noodlot,

Het leven wijden aan de wijsbegeerte;

Vastberadenheid is de sleutel tot de andere deugden. Deugd is niets anders dan de vastberaden wil iets te doen wat ons bij optimaal gebruik van onze vermogens het beste toeschijnt.

Descartes biedt geen duidelijke moraalfilosofie; dat hebben zijn navolgers Locke en Kant gedaan aan hand van zijn rationalisme.

Volgens Descartes is het in beginsel mogelijk om een definitieve moraal op te stellen.

5. Descartes over de esthetica

Nauwelijks aandacht voor de esthetica door Descartes. De rede kan zich hierover geen helder en distinct oordeel vormen.

Schoonheid is geen geschikt onderwerp voor de filosofie, is een versiering, extraatje.

Het schone is een betrekking van ons oordeel op het object. Afhankelijk van het karakter van de mens. Esthetica is subjectivistisch. Psychologische verklaring van de esthetica.

Descartes heeft dit niet verder uitgewerkt.

Anderen na hem hebben de rationalistische esthetica verder uitgewerkt: Baumgarten en Kant.

Samenvatting p58.