Leereenheid 43 p139
DE FILOSOFISCHE HERMENEUTIEK VAN GADAMER
Hermeneutiek is interpretatieleer.
Filosofische theorieën zijn de vrucht van een dialoog met de traditie.
1. Hans-Georg Gadamer: schets van leven en werk
Geb. 11 februari 1900 te Breslau. Vader was natuurwetenschapper met een aversie tegen de niet-natuurwetenschappen.
Studie klassieke talen, geschiedenis en kunstgeschiedenis.
Onderzoek naar de eigen aard van de geesteswetenschappen, onderscheid met natuurwetenschappen. Nietzsche als inspirator (belang van kunst voor het leven).
Hij volgt niet Nietzsche’s ‘vertwijfelde extremisme’ en verwerping van de wetenschap als zodanig.
Fenomenologie van Edmund Husserl: de fenomenologie streeft naar een nauwkeurige beschrijving van de dingen op zichzelf, los van interpretatie of waardering. De fenomenologie hanteert de wezensschouw als methode: beschrijving van het wezen van het object, niet van het verschijnsel – niet de kenmerken van een driehoek, maar de algemene wezenskenmerken van de driehoek.
Heideggers
hermeneutische fenomenologie Sein und Zeit gaat uit van het concrete, alledaagse bestaan en is een pleidooi voor dialoog met traditie, Gadamers hermeneutiek steunt hierop.
2. De verschillende betekenissen van het begrip hermeneutiek
Gadamer: Verstaan (Verstehen) is het begrijpen en interpreteren van levensuitingen.
Hermeneutiek is
Volgens Gadamer bestaat er een spanning tussen methodologische en filosofische hermeneutiek omdat de waarheid die in het alledaagse en geesteswetenschappelijke verstaan is verkregen nooit met behulp van regels kan worden afgedwongen. Het streven naar methodologische regels voor het verstaan komt voort uit het feit dat de vertegenwoordigers van de methodologische hermeneutiek het geesteswetenschappelijke verstaan ten onrechte aan het natuurwetenschappelijke ideaal van objectieve, langs methodische weg verkregen kennis spiegelen.
3. De ontwikkeling van de theoretische hermeneutiek
Grieks, hermeneuein, uitleggen, in woorden uitdrukken, vertalen.
Het begrip komt voor in de dialoog Ion van Plato. De betekenis van het begrip hermeneuein bleef aanvankelijk beperkt tot de praktijk van het uitleggen ofwel de hermeneuse.
3.1 Ontstaan van de moderne hermeneutiek in de renaissance
De methodologie ontwikkelt vanaf de renaissance, maar van een theorie is maar sprake vanaf de 17e E.
Filologische hermeneutiek (reformatie), juridische hermeneutiek, theologische hermeneutiek (bijbelexegese) In al deze speciale hermeneutieken gaat het primair om het opstellen van regels voor de interpretatie. subtilitas intelligendi het verstaan; subtilitas explicandi de uitleg; subtilitas applicandi de toepassing
3.2 De romantische hermeneutiek van Schleiermacher
Friedrich Schleiermacher (1768-1843): Allgemeine Hermeneutik
Hij wil meer algemene regels voor iedere interpretatie van teksten. Voor de oudere hermeneutici was de mogelijkheid van het verstaan zo vanzelfsprekend dat deze niet ter discussie werd gesteld. Zij vooronderstellen dat er een bovenhistorische rede bestaat. Schleiermacher vraagt kritisch naar de historische vooronderstellingen van tekstbegrip. Het doel van de interpretatie is de betekenis van de tekst in zijn unieke individualiteit te reconstrueren. Iedere tekst wordt bepaald door zijn individuele historische verschijningsvorm. Hij voert kritisch onderzoek naar de aard en de grenzen van het verstaan.
3.3 Dilthey’s hermeneutiek van de geesteswetenschappen
Wilhelm Dilthey (1833-1911): Kritik der historischen Vernunft
Nog algemener dan Schleiermacher zijn algemene leer van tekstinterpretatie wordt het bij Dilthey de hermeneutiek als een algemene methode van de geesteswetenschappen. Verzet tegen het positivisme en het methodologisch monopolie van de causale verklaring. Het positivisme is een verklarende methode die door observatie en experimentatie de natuur verklaart – groot succes sinds Newton in de natuurwetenschappen – positivisme wil dat over al de wetenschappen doortrekken, maar het menselijk gedrag en de maatschappelijke wereld gedraagt zich niet zoals de anorganische en organische natuur zegt Dilthey en daarom moeten de geesteswetenschappen een principiëel andere methode volgen.
Historische kennis wordt volgens Dilthey gekenmerkt door het innerlijk verstaan van betekenissen: een verschijnsel moet niet verklaard worden, maar in zijn betekenis verstaan worden: een beweging van buiten naar binnen:van de fysische verschijningsvorm naar zijn geestelijke betekenis. Een beeld van Rodin is geen klomp metaal, maar een geestelijk produkt, een Gebilde met een eigen structuur.
3.4 Heideggers hermeneutische fenomenologie
Martin Heidegger (1889-1976): Sein und Zeit (1927)
Knoopt aan bij Dilthey maar meer dan enkel de vraag naar een wetenschappelijke methode wil Heidegger de vraag voorop stellen naar de bepaling van het verstaan als wijze waarop de mens is. Heideggers ontologische radicalisering van de hermeneutiek: bestaan is verstaan, verstaan is één van de meest fundamentele kenmerken van de menselijke existentie, de existentiefilosofie. De mens wordt gekenmerkt door een besef van zijn bestaan en van het bestaan van de dingen buiten hem. Hij duidt de menselijke zijnswijze aan als een 'er-zijn', Dasein. De fenomenologie streeft naar exacte beschrijving, los van interpretatie, en laat zich wel verbinden met een interpreterende wetenschap als de hermeneutiek.
De vraag naar het Zijn. Het Zijn is geen object, het is een werkwoord.
De wetenschappen houden zich uitsluitend bezig met het onderzoeken van de zijnden en ontnemen de mens daardoor het zicht op de vraag naar het Zijn zelf (zijnsvergetenheid). Heidegger wijst daarom de wetenschap af en richt zich tot de poëzie (Hölderlin, Stefan George).
3.5 Gadamers bijdrage aan de hermeneutiek
Sluit aan bij Heidegger. Zijn filosofische hermeneutiek is te beschrijven als een vruchtbare concretisering van Heidegger.
Eigenzinnig taalgebruik, aansluitend met laatromantisch poëtisch jargon, van Gadamer, ook Heidegger. Dit omdat het gebruikelijk filosofische jargon ongeschikt is om de ervaring van het Zijn uit te drukken.
Volgens Gadamer laten de vertegenwoordigers van de methodologische hermeneutiek zich teveel leiden door het kennisideaal van de natuurwetenschappen.
Het hermeneutische probleem betreft het verschijnsel van het verstaan en van de juiste uitleg van wat verstaan wordt. Het hermeneutische probleem is niet alleen een probleem van de geesteswetenschappen, geen puur theoretische leer, het maakt deel uit van de menselijke ervaring, en er bestaan ook theologische en juridische hermeneutiek.
Gadamer zet zich af tegen het methodologische in de hermeneutiek van Schleiermacher en Dilthey, die volgens hem voornamelijk gericht is op een kentheoretische fundering van de geesteswetenschappelijke kennis. Gadamer wil hermeneutiek niet reduceren tot louter geesteswetenschap.
Het vraagstuk van het buitenwetenschappelijke verstaan van teksten laat zich niet reduceren tot een methodologische vraagstuk. Het verstaan is eigen aan het menselijke bestaan als zodanig. Gadamer wil de geesteswetenschappen relateren aan de ervaringen van de filosofie, de kunst en de geschiedenis.
Alleen de filosofische verdieping in het verschijnsel van het verstaan is in staat om buitenwetenschappelijke ervaringen filosofisch te legitimeren.
Ook in de kunst wordt een waarheid ervaren die door de wetenschap niet kan worden vervangen of overtroffen. Net als filosofie helpt kunst ons de grenzen van het wetenschappelijke bewustzijn in te zien: vanuit de rechtvaardiging van de waarheidsaanspraak van de kunst zal Gadamer een begrip van waarheid ontwikkelen dat geldigheid bezit voor alle vormen van hermeneutische ervaring.
De historische overlevering spreekt zelf ook een waarheid uit. Gadamer stelt dat de mens opdracht heeft deel te nemen aan de traditie.
De waarheid van de historische overlevering overstijgt hetgeen in de wetenschap kan worden onderzocht.De filosofische hermeneutiek die Gadamer wil ontwikkelen is geen methodenleer van de geesteswetenschappen, zoals de oude filologische en de theologische hermeneutiek, maar wil laten zien wat de wetenschappen, boven hun methodisch zelfbewustzijn uit, zijn en doen, en vooral: wat hen met het geheel van onze wereldervaring verbindt.
Er bestaat niet zoiets als een natuurlijke orde die losstaat van de historische overlevering. Het blijvende in alle verandering, de historische overlevering en de natuurlijke levensorde vormen samen de eenheid van de wereld waarin we leven.
Leereenheid 44 p157
HET HERMENEUTISCHE WAARHEIDSBEGRIP
1. Het correspondentiemodel van de waarheid in de natuurwetenschap
Volgens het correspondentiemodel is een uitspraak waar als zij met de feiten overeenstemt, het verstaan wordt opgevat als een reconstructie van de oorspronkelijke betekenis.
(in de moderne, positivistisch georiënteerde filosofie). In de natuurwetenschap leidt dit tot empirische toetsing van de hypothesen. Het correspondentiemodel van de waarheid gaat gepaard met een geloof in de mogelijkheid van groei van kennis.Kritiek van Gadamer op Schleiermacher en Dilthey: zij hebben het hermeneutische probleem op ontoelaatbare wijze versmald tot een methodologisch probleem, verder zij laten zich op onkritische wijze leiden door het ideaal van de objectiviteit. Zo wordt het correspondentie-model in de hermeneutiek: verstaan opgevat als de reconstructie van de oorspronkelijke betekenis: men wil objectieve uitspraken doen over het geïnterpreteerde object.
2.1 Schleiermachers hermeneutiek: verstaan als reconstructie
Volgens Schleiermacher kan de interpretatie uit de tekst de innerlijke creatieve bedoeling van de schrijver reconstrueren, denken=taal.
Schleiermacher onderscheidt taal en denken, grammatica en psychologie, objectief en subjectief verstaan, maar laat deze aspecten uiteindelijk samenvallen.
De grammaticale interpretatie is het afgrenzende moment: zij analyseert het taalsysteem dat aan de tekst ten grondslag ligt. De psychologische interpretatie is er vervolgens op gericht tegen deze achtergrond de individualiteit van de gedachtengang inhoudelijk te begrijpen en deze als de uitdrukking van een individueel leven te verstaan. Het verstaan van de stijl (de technische interpretatie) kan nooit opgevat worden als een mechanisch toepassen van algemene regels. De individuele stijl kan niet uit bij voorbaat bekende regels worden afgeleid, maar vereist een congenialiteit (geestverwantschap) van de zijde van de interpreet. De reconstructie is in die zin een creatieve herschepping. (tekst beter verstaan dan auteur!)
Vergelijkend en divinatorisch (met bovennatuurlijk inzicht begaafd) verstaan van de stijl. Beide methoden vooronderstellen elkaar. link naar illuminatie, naar iets goddelijks
Een individuele stijl is slechts bij benadering te verstaan.
De hermeneutische cirkel:
een woord heeft geen vaste betekenis, is afhankelijk van de context
we zouden om te begrijpen alle toepassingen moeten kennen, is oneindige opgave
De hermeneutische cirkel leidt van het algemene naar de specifieke betekenis en weer terug.
Volledige objectiviteit van het verstaan kan nooit worden bereikt: de hermeneutische cirkel speelt in de interpretatie van de stijl, in de psychologische en de technische interpretatie.
Voor Schleiermacher heeft de hermeneutische cirkel een methodologische betekenis: het fenomeen van de hermeneutische cirkel bewijst niet dat de methodologische hermeneutiek een doodlopende weg is ingeslagen, is ook geen formele methode om meningsverschillen over interpretaties definitief te beslechten.
2.2 Dilthey’s hermeneutiek: verstaan als nabeleven
Dilthey heeft Schleiermachers leer van de tekstuitleg getransformeerd tot een algemene methode van de geesteswetenschappen. Hij blijft trouw aan het concept van verstaan als een reconstructie en drukt op de samenhang van de beleving, de uitdrukking en het verstaan.
Waar Kant de ervaring analyseert die aan natuurwetenschappelijke kennis ten grondslag ligt, wil Dilthey de ervaring analyseren die ten grondslag ligt aan de geesteswetenschappen. De ervaringsstructuur is niet tijdloos, zoals bij Kant, maar is aan historische veranderingen onderhevig. Volgens Dithey vooronderstelt culturele kennis een historische apriori. Naast het intellect omvat dit ook de wil en het gevoel.
Beleving als geesteswetenschappelijke tegenhanger van de natuurwetenschappelijke ervaring. Subject en object laten zich niet scheiden: de werkelijkheid die we ervaren is altijd op een bepaalde wijze een beleefde werkelijkheid, met praktische doeleinden verbonden en met een esthetische waardering. Belevingen vormen een samenhang, een psychische structuur of belevingshorizon en zijn inherent verbonden aan verleden, heden en toekomst. Belevingen is een dynamische structuur, zijn niet puur persoonlijk. Tot uitdrukking gebrachte belevingen vormen de hele historische maatschappelijke wereld (moraal, recht, de staat, religie, kunst etc.). Hegel noemt dit objectieve geest. Blijvende uitdrukkingen vormen de werkingssamenhang, die we kunnen verstaan omdat we in een domein van gemeenschappelijkheid opgroeien.
Verstaan is het nabeleven van een beleving middels de uitdrukking daarvan. Het verstaan beweegt zich van de uiting naar de betekenis, van buiten naar binnen.
Het verstaan is een reconstructie van betekenis, waardoor onze eigen horizon verruimt.
Dilthey wil een objectief verstaan aantonen. Hij streeft een waarheid na die bestaat in de overeenstemming van de interpretatie en het geïnterpreteerde leven, en zo blijft hij trouw aan het correspondentiemodel van de waarheid.
Het begrip objectiviteit heeft bij Dilthey in de geesteswetenschappen een andere betekenis dan in de natuurwetenschappen. Een tekst is in de geesteswetenschappen een overanderlijke, objectieve realiteit.
3. Gadamers waarheidsbegrip
Volgens Gadamer is de grote verdienste van Schleierermacher dat hij het verstaan heeft opgevat als een gesprek, maar hij heeft dit uitgangspunt niet consequent doorgevoerd. Verstaan vereist goede wil: openstaan voor de gesprekspartner. Verstaan is niet enkel objectieve reconstructie maar een gedachtenwisseling, een integratie of horizonversmelting.
Een werkelijk gesprek verandert beide partners, zowel de uitlegger als de tekst.
Net als bij Heidegger is bij Gadamer de hermeneutische cirkel niet louter formeel, maar ontologisch. Schleiermacher en Dilthey hebben niet ingezien dat ook de interpreet reeds deel uitmaakt van deze cirkel.
Schleiermacher en Dilthey: de tijd vormt een hindernis tussen de interpreet en het geïnterpreteerde. Volgens Gadamer en ook Heidegger maakt tijd het verstaan juist mogelijk. De tijdsafstand is productief omdat zij de beweging van de horizonversmelting mogelijk maakt, en daardoor ook het bestaan van nieuwe betekenissen, de Wirkungsgeschichte. De werkingsgeschiedenis toont de produktieve uitwerking van de tijd op het verstaan. Wij zijn opgenomen in de geschiedenis voordat we haar tot voorwerp van wetenschappelijk onderzoek kunnen maken. De werkingsgeschiedenis bepaalt wat als onderzoeksobject te voorschijn komt.
Dit waarheidsbegrip onderscheidt zich van het correspondentiemodel van de waarheid: Gadamers waarheidsbegrip is ontologisch. Ons eigen leven maakt deel uit van de werkingsgeschiedenis. De ontologische waarheid, de traditie waarvan ons eigen leven deel uitmaakt, gaat vooraf aan de onderscheiding tussen ware en onware uitspraken.
De ontologische waarheid is een proces van onthulling en verhulling. Nieuwe inzichten worden in de horizonversmelting geboren, oude gaan verloren. Verstaan is altijd een anders verstaan, nooit een beter verstaan (kritiek op Schleiermacher beter begrijpen dan auteur).
De radicale eindigheid en beperktheid van kennis:
Anders dan Hegel, die van mening was dat het mogelijk is in de filosofische reflectie de gehele wereldgeschiedenis te overzien en te begrijpen, benadrukt Gadamer dat de totaliteit van het historische proces buiten ons bereik ligt.
Beperkingen van de filosofische hermeneutiekvan Gadamer:
4. Vragen bij de tekst van Gadamer
De uitwerking van de geschiedenis op het leven dient bij iedere interpretatie van een historisch verschijnsel aan de orde te worden gesteld.
De werkingsgeschiedenis is geen object voor afzonderlijk historisch onderzoek. Het is immers altijd al opgenomen in de werkingsgeschiedenis.
De werkingsgeschiedenis bepaalt al voor het onderzoek van start gaat wat zich als object van de wetenschappelijke onderzoeking aan ons voordoet. Ook bepaalt zij de vraagstelling van ons onderzoek. Het historische objectivisme ontkent de vooronderstellingen die zijn eigen vraagstellingen dragen. Het verhult de invloed van de werkingsgeschiedenis.
Het bewustzijn van de werkingsgeschiedenis kan nooit volledig zijn. Gadamer zet zich af tegen Hegels aanspraak op absolute kennis van de hele historische ontwikkeling. Het bewustzijn van de werkingsgeschiedenis is slechts een moment in het proces van het bestaan.
Wij kunnen onszelf nooit volledig bewust worden van de werkingsgeschiedenis omdat wij er zelf deel van uit maken. Wij kunnen onszelf nooit volledig begrijpen.
De hermeneutische situatie is begrensd door een horizon. Het verstaan verplaatst zich niet in een andere horizon, het is een samensmelten.
Kritiek op het historisme
, Leopold von Ranke (1795-1886); verzetten zich sterk tegen anachronistische vormen van geschiedschrijving en stelden zich ten doel het verleden te beschrijven zoals het werkelijk geweest is. Dit is volgens Gadamer een illusie en onvruchtbaar, er is geen dialoog. Wie alleen de horizon van een ander reconstrueert sluit zich af voor diens waarheid. De eigen en de vreemde horizon maken deel uit van de ene omvattende en beweeglijke horizon van de werkingsgeschiedenis. Hegel: de wereldgeschiedenis is een proces van zelfbewustwording van de Geest, een bovenindividueel subject.Gadamer ontkent niet dat we in het historische verstaan moeten proberen ons te verplaatsen in een andere horizon, maar verzet zich tegen de opvatting dat het mogelijk zou zijn om daarbij onze eigen horizon af te schudden
.Het meebrengen van de eigen horizon draagt bij aan het verstaan van de ander in zijn anderszijn omdat we ons slechts van de unieke individualiteit van de ander bewust kunnen worden wanneer we deze confronteren met onze eigen afzonderlijke individualiteit.
Er bestaan geen aparte, gesloten horizonnen. Alleen de ene, beweeglijke, horizon van de werkingsgeschiedenis bestaat. In het verstaan brengen we onze eigen horizon mee, toetsen we onze vooroordelen aan het verleden. Horizonversmelting is het resultaat, een vruchtbare confrontatie die resulteert in een bredere horizon.
Wetenschappelijke interpretaties kunnen de spanning tussen verschillende horizonnen doelbewust zichtbaar maken: de waakzaamheid van het bewustzijn van de werkingsgeschiedenis.
Leereenheid 45 p 175
HET HERMENEUTISCHE BEGRIP VAN HET GOEDE
1. Hermeneutiek als praktische filosofie
Sinds Kant wordt er een onderscheid gemaakt tussen theoretische, praktische en esthetische vraagstukken. Gadamer accepteert deze scheiding niet: wetenschap, kunst en moraal zijn onscheidbaar. Hij sluit zich hiermee aan bij Dilthey. Dilthey benadrukt ook de ‘beleving’ vs de ‘theoretische ervaring’ van Kant. Gadamer gaat hierin nog verder dan Dilthey en plaatst de praktische dimensie centraal in de hermeneutiek.
Gadamer beweert dat filosofie geen geschiedenis van vooruitgang kent, maar dat filosofische teksten uit het verleden vaak aanspraak kunnen maken op een waarheid die het hedendaagse denken te boven gaat. Gadamer ziet het verstaan als een gesprek, geïnspireerd op de dialogen van Plato. In de ethiek laat hij zich beïnvloeden door de praktische filosofie van Aristoteles waarvan het doel niet het verwerven van kennis is, maar het zedelijk handelen.
Het verstaan is volgens Gadamer in de eerste plaats praktisch in de aristotelische betekenis, phronesis. De geesteswetenschappen zijn in de eerste plaats morele wetenschappen.
Het verstaan geeft richting aan het menselijk handelen. In het verstaan staat de toepassing centraal: het verbindend begrip tussen verstaan en handelen is applicatie, toepassing: dit is het centrale probleem van van het hermeneutisch probleem..
2. Verstaan en applicatie
Drie momenten van verstaan vanaf de renaissance: subtilitas intelligendi (verstaan), subtilitas explicandi (uitleg) en subtilitas applicandi (toepassen). Deze momenten verwijzen niet naar typen van hermeneutiek, maar spelen in ieder verstaan een rol. Ze vormen een ondeelbare eenheid. In de methodologische hermeneutiek van Schleiermacher en Dilthey is het applicatieve verstaan verdwenen.
Gadamer wil
theologische en juridische interpretatie als voorbeeld: de uitleg staat in dienst van het handelen, in de jurisprudentie vindt de voor het applicatieve verstaan kenmerkende bemiddeling tussen het algemene en het bijzondere plaats. Enkel de filologische uitleg is onvoldoende.De toepassing van het verworven inzicht moet centraal staan.
3. Een debat over gebreken en mogelijkheden van de hermeneutiek
De filosofische hermeneutiek kent twee criteria om bij interpretatie het kaf van het koren te kunnen scheiden:
Andere methodologische criteria worden door Gadamer van de hand gewezen. Hij verwerpt ook het ideaal van de verlichting, het onbevooroordeeld verstaan.
Het individu is opgenomen in een groter zijnsverband waarvan het de strekking maar voor een klein deel kan doorgronden.
Kan Gadamers hermeneutiek maatschappelijke ontwikkelingen wel adequaat verstaan ? (zijn filosofie is immers gemodelleerd naar de interpretatie van kunstwerken)
Kritiek van Jürgen Habermas (Frankfurter Schule: Horkheimer, Adorno, Fromm, Marcuse) op het conservatisme, nadruk op de traditie van Gadamer. Frankfurter Schule geïnspireerd door :
Gadamers hermeneutiek gaat in debat met de ideologiekritiek van de Frankfurter Schule.
Door kritisch onderzoek trachten de kritische filosofen van de Fr.Sch. zulke maatschappelijke vooronderstellingen zoals hun maatschappelijke klasse, of marxistische ideologieën (onder andere van filosofische theorieën) aan het licht te brengen.
Methodisch onderzoek moet het hermeneutische verstaan aanvullen: Habermas wijst erop dat methodisch onderzoek nodig is om maatschappelijke verschijnselen te kunnen begrijpen omdat enkel innerlijk verstaan en beleving op dit terrein te kort schiet.
Kritische reflectie op vooroordelen is mogelijk en nodig: Habermas heeft moeite met de zware nadruk die Gadamer legt op traditie en vooroordeel als voorwaarden voor verstaan.
Kritische reflectie op misleidende ideologische vooroordelen is mogelijk en nodig om te voorkomen dat de filosofische hermeneutiek zich zou verbinden met een onderdrukkende politiek.Repliek van Gadamer:
De notie van werkingsgeschiedenis impliceert allerminst dat we ons kritiekloos zouden moeten schikken in de traditie. Horizonversmelting kan kritiek inhouden. De traditie is veranderlijk.
Kritische reflectie vooronderstelt een traditie (reflectie en traditie moet ge niet als tegengestelden aanschouwen zoals Habermas doet) . Habermas overschat het menselijke vermogen tot reflectie: in ieder ‘verstaan’ is er een gebeuren dat nooit volledig door het bewustzijn kan worden gevat. Immers, de kritische reflectie is ook opgenomen in de werkingsgeschiedenis.
De hermeneutiek is wel universeel toepasbaar
: en voor Gadamer kan dus ook een maatschappelijke kracht of een ideologie naar haar betekenis worden begrepen. Het gevaar van ideologiekritiek is volgens Gadamer dat zij er toe kan aanzetten de waarheidsaanspraak van de gesprekspartner niet langer serieus te nemen, maar hem te reduceren tot een ideologiekritisch te verklaren object. Daarmee dreigt men opnieuw te vervallen in het objectivisme van Schleiermacher en Dilthey.
Gadamer geeft geen bevredigend antwoord op de vraag naar methodologische en normatieve criteria. Het al dan niet standhouden in de geschiedenis is volgens hem een belangrijk criterium voor de waarheid van een interpretatie.
De individuele verantwoordelijkheid blijft in de werkingsgeschiedenis onderbelicht (terechte kritiek van Habermas op Gadamer).
4. Vragen bij de tekst van Gadamer
Vanwege het inherent talige karakter van het verstaan hangen verstaan en uitleg samen.
Applicatie kan niet zonder verstaan en uitleg.
De oorspronkelijke samenhang van juridische, theologische en filologische hermeneutiek berust op de applicatie.Zowel de uitleg van een wet als van een religieus geschrift doelt op de toepassing van het uitgelegde in de praktische situatie van de interpreet.
De geesteswetenschappelijke hermeneutiek moet vanuit de juridische en de theologische hermeneutiek opnieuw worden doordacht.
Leereenheid 46 p187
HET HERMENEUTISCHE BEGRIP VAN HET SCHONE
1. De relatie tussen spel en kunst
Gadamer heeft kritiek op het subjectivisme van Kants esthetica (esthetische oordelen zijn subjectief). Het ontneemt ons de mogelijkheid om een juist inzicht te verkrijgen in het verschijnsel kunst doordat de nadruk ligt op de gevoelens van het oordelend subject. Gadamer wil daarom een ander uitgangspunt nemen voor de analyse van kunst. Het spel als uitgangspunt voor de analyse van kunst. Gadamers analyse van dit verschijnsel is een goed voorbeeld van fenomenologische beschrijving. De zijnswijze van het spel is primair en het bewustzijn van de spelers is secundair. Het spel voltrekt zich zonder dat de spelers er zich van bewust zijn. Het spel zelf is het subject van het spelen. Het doel van het spel is het spelen zelf, geen doel buiten om, en is gericht op herhaling van zichzelf. Het spel is zelfuitbeelding, gericht op de toeschouwer. Wanneer het spel tot schouwspel wordt, betreden we het terrein van de kunst.
Het spelbegrip van Wittgenstein kent heel andere vooronderstellingen dan dat van Gadamer.
Het spel is erop gericht om schouwspel te worden en is daardoor een transformatie tot een zelfstandig werk. Het tot kunstwerk geworden spel staat geheel los van de spelers: de schrijver, schilder etc. Het kunstwerk vormt een zelfstandige wereld die geheel los staat van de intenties en gevoelens van de scheppende en uitvoerende kunstenaar. Gadamer wijst Plato’s mimeses leer af (kunst als afbeelding van afbeelding).
De werkelijkheid verschijnt volgens Gadamer pas in het kunstwerk ten volle, het kunstwerk als onthulling van de werkelijkheid (cfr Aristoteles).
Een kunstwerk beeldt het wezenlijke uit en biedt dus ware kennis. Een kunstwerk bestaat alleen in het herhaalde verstaan. Het kunstwerk en zijn uitbeelding kunnen niet als twee verschillende dingen worden opgevat - esthetische niet-onderscheiding. De uitbeelding bestaat pas in het verstaan ervan.
Herhalingen van de uitbeeldingen zijn nooit identiek. Deze variëteit is wezenlijk aan het kunstwerk. Een kunstwerk ontplooit zich in een veelheid van interpretaties: deze zijn geen nabootsingen van het ‘oorspronkelijk’ werk, met het zich in de tijd ontvouwende kunstwerk.
In de ervaring van een kunstwerk vindt een horizonversmelting plaats tussen het kunstwerk en de situatie van de interpreet. Beiden zijn in de werkingsgeschiedenis opgenomen. Een kunstwerk krijgt zijn betekenis in de werkingsgeschiedenis.
Gadamers ontologie van het spel en het kunstwerk werkt door in zijn algemene ontologie.
Volgens Heidegger is de vraag naar het Zijn in de hele westerse filosofie op een verkeerde manier gesteld. Heidegger noemt het Zijn de tijdshorizon waarbinnen de zijnden te voorschijn kunnen treden.
Gadamer probeert deze ontologie in zijn werk toe te concretiseren in analysen van verstaan, handelen en ervaring. De tijd is productief in het verstaan, in het handelen en in de werkingsgeschiedenis van de kunstwerken. In al deze gevallen wordt het zijn niet begrepen als iets wat eeuwig en onvergankelijk is, maar als een proces van zelfuitbeelding. Het Zijn is een spel dat moet worden verstaan. Belang van taal: De taal is volgens Gadamer een raadselachtig diep verborgen gebeuren dat we niet beheersen, maar waarin we zijn opgenomen. Het spel van de taal overstijgt de individuele spreker. De taal is geen werktuig en evenmin een afbeelding van de werkelijkheid, maar het medium waarin de dingen zich uitbeelden en daarmee zichzelf worden. Zijn dat begrepen kan worden, is taal. Er bestaat volgens Gadamer niets wat aan het uitspreken en verstaan kan ontsnappen. Geen onderscheid tussen hermeneutiek en ontologie.
De subjectivering van de esthetica is een onvruchtbare benadering. Spel en kunstwerk vormen geen object voor een subject. De zijnswijze van het spel is bepalend voor de kunst.
Huizinga: De sacrale handelingen van de ‘wilde’ laten zich niet verklaren vanuit zijn bewustzijn.
Samenvatting van Gadamers analyse van het spel: het spel is primair, de spelers zijn secundair;
het spel beeldt zichzelf uit; het spel is gericht op een denkbeeldige toeschouwer; het spel is gericht op zichzelf; het doel van het spel is spelen; herhaling is iedere keer anders; het kunstwerk is een getransformeerd spel.