Leereenheid 25 p63

DE HISTORISCHE ACHTERGRONDEN VAN LOCKE’S FILOSOFIE

Doelen: overzicht hebben van


1. Engeland in de zeventiende eeuw

Locke’s tijd wordt gekenmerkt door hevige politieke en religieuze conflicten.
Koningschap door God verleend: Koning Karel I (1600 - 1649) streeft naar absolute macht. Conflicten tusen koning en parlement: Karel I probeert Parlement te omzeilen.
Locke heeft in zijn The second treatise of government een sterk pleidooi gehouden voor voortdurende parlementaire controle.
Godsdienstige conflicten: Anglicaanse kerk vs katholicisme, puriteinen etc..
Burgeroorlog 1642: winnaar Oliver Cromwell met parlementsleger, koning w terechtgesteld.
1660: de restauratie van de monarchie, Karel II wordt koning;

De restauratie, de toestand van voor de burgeroorlog (monarchie) wordt hersteld.
1665 Pestepidemie; 1666 de grote brand.
1670 Secret Treaty of Dover -> verdrag met Frankrijk om in ruil voor geld en steun tegen Holland terug naar het Katholicisme te komen.
Lord Shaftesbury -> lid van de raad van adviseurs aan de koning. Protestant en fel antikatholiek. Was een tijdlang werkgever van Locke.
Het ontstaan van politieke partijen, Tory (royalistisch) en Whig (liberaal);

Jacobus II en de roemrijke omwenteling: 1685 +Karel II, zijn katholieke broer Jacobus II volgt hem op. Hij probeert een absolute (enkel verantwoording aan God, maar mag niet vernietigen) monarchie in te stellen, katholiek, naar voorbeeld van en met steun van Frankrijk en paus. 1688 Stadhouder Willem III (getrouwd met dochter Maria, van Jacobus II) met leger naar Engeland, de Glorious Revolution;
Declaration of rights, garantie voor parlementaire rechten, inperking van de monarchie; + vrijheid van godsdienst voor al de protestante stromingen (niet voor katholieken)

2. Locke’s leven

Geboren 1632, oudste zoon van een advocaat, streng calvinistisch met sterke antikatholieke sentimenten. Locke naar een kostschool. De koningsgezinden zijn van sterke invloed.
Theologische studie te Oxford waar hij enige royalistische pamfletten schrijft.
1660 acht essays over natuurrecht;
1661 Locke wordt docent Grieks.
Contacten met de experimentele wetenschap.(empirisch onderzoek en praktische ervaring) Locke staat niet afwijzend tegenover de experimentele natuurwetenschap.

Medische studies te Oxford.
Locke trekt bij Lord Shaftesbury in Huis. 1668 een economisch traktaat.

Locke als liberaal denker, anti monarchie. Locke wordt de filosoof van de Whig partij.
Lid van de Royal Society (met leden als Isaac Newton).
Vlucht naar Holland (1683-1688) onder de schuilnaam dr. van der Linden
Belangrijke geschriften: An Essay concerning Human Understanding (1670), Two Treaties of Government (1689), The Reasonableness of Christianity
Overleden in 1704.

Leereenheid 26 p 77

DE BOUWSTOFFEN VAN DE MENSELIJKE GEEST

 

Doelen: op de hoogte zijn van

- de ideeën en achtergronden die Locke bewogen tot het schrijven van An Essay concerning Human Understanding
- Locke’s kritiek op de theorie van de aangeboren ideeën
- een aantal belangrijke begrippen uit Locke’s representationistische kentheorie

1. Achtergronden van Locke’s kentheorie

An Essay concerning Human Understanding: via een beter inzicht in de menselijke geest de waarheid opsporen.

Locke zet zich af tegen de aristotelische wetenschap. Hij ziet zichzelf als diegene die het filosofische voorwerk doet voor de wetenschappelijke ontwikkelingen van zijn tijd, en de rommel opruimt (de traditionele aristotelische manier van wetenschap beoefenen)
Wetenschap en filosofie hebben geen tegengestelde belangen
Hij stelde zichzelf twee vragen:

. Hoe werkt de menselijke geest, hoe komen we tot kennis? (psychologische vraag);

. Hoe kunnen wij de kennis beoordelen? (kentheoretische vraag); waarin verschilt ware kennis van opinie?

Hij gebruikt de psychologie in zijn kentheorie. In de 17e eeuw waren deze twee disciplines niet van elkaar gescheiden.
Het doel van zijn kentheoretische werk was na te gaan wat de grenzen zijn van ons verstandelijk vermogen en welke dingen we wel en niet kunnen kennen.

Locke meende dat men er eerst achter moest komen in hoeverre we überhaubt kennis kunnen krijgen van morele beginselen, van goed en kwaad. Kentheorie en ethiek hangen samen bij Locke. God openbaart zich in de bijbel én in de natuur.


2. Twee antwoorden op de vraag naar kennis

Geen enkele filosoof is volledig consistent. Locke als empirist en rationalist: enerzijds benadrukt hij zintuiglijke waarneming en ontwikkelt de empirische kentheorie; anderzijds zijn er de operaties van de menselijke geest om de zintuiglijke ervaring te ordenen: rede!

Rationalisten en sensualisten verschillen van mening over de vraag wat de voornaamste bron van kennis is.

3. Representationisme

Locke laat zich op een aantal punten leiden door de ideeën van Descartes. De objectieve werkelijkheid is niet rechtstreeks door de geest te kennen.

Representationisme: de mens kent de objectieve werkelijkheid alleen door middel van voorstellingen (representaties) in het bewustzijn.
De menselijke geest als spiegel van de werkelijkheid. Lachspiegels ? Hoe weet ik zeker dat de kennis die ik verwerf overeenkomt met de kennis van de anderen?
Descartes loste dit gedeeltelijk op met de aangeboren ideeën. Locke is het daarmee niet eens.


4. Locke’s kritiek op de theorie van de aangeboren ideeën

Locke deelt de opvatting van Descartes dat de geest tot kennis komt via ideeën. De theorie van de aangeboren ideeën is echter overbodig. De kennis die de mens verwerft kan geheel worden verklaard door te verwijzen naar de natuurlijke vermogens (zoals de zintuigen).

Het principe van de spaarzaamheid van oorzaken (Newton): Als één oorzaak voldoende verklaring levert voor een bepaald verschijnsel, dan hoeven we niet nog meer oorzaken te zoeken.

Speculatieve beginselen: algemene, niet op ervaring gebaseerde uitspraken.
Deze beginselen zijn het uitgangspunt in de aristotelische traditie.

Praktische beginselen: algemene uitspraken met betrekking tot het morele handelen (bijv. 'men mag niet doden').

De leer van de aangeboren ideeën is volgens Locke een overbodig obstakel.

Vijf argumenten tegen aangeboren morele beginselen:

 

5. De oorsprong van de ideeën

Geen aangeboren ideeën. De geest kan slechts via ideeën komen tot kennis: via zintuiglijke waarneming vd eigenschappen van objecten. Een eigenschap is datgene waardoor wij gewaarwordingen krijgen van de objecten buiten ons.
De geest verwerft de ideeën via zintuiglijke waarneming. Locke introduceert eigenschap-dragende deeltjes die op onze zintuigen werken en de eigenschappen overbrengen (Boyle). Primaire eigenschappen: vorm, uitgebreidheid en hardheid en secundaire: kleur, geluid, smaak en geur.
Ideeën ontstaan door waarneming van uitwendige objecten en door de bewustwording van de verrichtingen van de geest: waarneming en reflectie : zintuigen en denken. De gedachte dat ideeën ontstaan door reflectie wordt door Locke NIET afgewezen.


6. Classificatie van ideeën :
Enkelvoudige en samengestelde ideeën

Alle kennis van de mens wordt veroorzaakt door ervaring.

De enkelvoudige ideeën

via één zintuig: geur

via meer zintuigen: vorm

via reflectie: willen, denken

worden passief ontvangen door het kennend subject.

De samengestelde ideeën (combinatie van twee of meer enkelvoudige ideeën) zijn het resultaat van de activiteit van menselijke geest. Drie typen samengestelde ideeën:

Samengestelde ideeën van modi
Zijn ideeën van zaken die niet op zichzelf kunnen bestaan. Het zijn eigenschappen van dingen die niet kunnen bestaan zonder dat een substantie haar draagt: hypocriet, dronken, mooi...
Enkelvoudige (variatie op 1 enkelv idee) en gemengde (variatie op meer enkelv ideeën) modi.

Samengesteld idee van enkelvoudige modus: ruimte ->kilometer -> oneindigheid

Samengestelde ideeën van gemengde modi kunnen op drie manieren ontstaan:
uit ervaring (bvb hypocrisie) , door uitvinding (schaap met vijf poten) en uitleg van het woord dat ervoor staat (bvb moord)


Locke is nominalist
: schoonheid is niet een reëel bestaand object in de werkelijkheid. Ontkent dat algemene woorden verwijzen naar reëel bestaande ideeën. Dus nadruk op correct taalgebruik. Nominalisme: begrippen zijn enkel namen en bezitten geen eigen realiteit. Locke’s empirisme vertoont verwantschap met het middeleeuwse nominalisme.

Locke’s visie op de betekenis van woorden is nominalistisch.

Samengestelde ideeën van substantie
We nemen eigenschappen waar van objecten, die eigenschappen brengen enkelvoudige ideeën teweeg waardoor we aannemen dat er een substantie bestaat met die eigenschappen. clusters : roos = kleur+vorm+geur. Zo leiden we bvb het bestaan van de menselijke geest af door een cluster van enkelvoudige ideeën : dit zijn samengestelde ideeën van substantie – zo ook bvb idee van God. Locke zet zich wel af tegen artistotelische wetenschapsbeoefening, maar daarom niet tegen het woord ‘substantie’.

Samengestelde ideeën van relaties
= het product van de vergelijkingen die wij in ons hoofd maken (piet is vader van jan, deze plant is groener dan die) verwijst niet naar een relatie in de werkelijkheid maar is een mentale constructie.

Het classificatiesysteem is nodig om te laten zien dat alle ideeën terug te voeren zijn naar de twee bronnen van kennis, zintuiglijke ervaring en reflectie.
Het systeem zelf zegt niet zoveel over hoe we kennis verwerven, het geeft alleen aan wat de oorsprong is van de elementen (de ideeën), waaruit kennis wordt opgebouwd en hoe die elementen met elkaar worden gecombineerd.


7. Kennisverwerving

Wat is kennis? : we hebben geen directe kennis over de werkelijkheid buiten ons, maar we kunnen alleen denken en redeneren over de ideeën die we daarover hebben, daarom is kennis de gewaarwording van de overeenkomsten en verschillen tussen de ideeën die we hebben.


Drie soorten kennis:

Intuïtieve kennis, de zekerste vorm van kennis. Deze ontstaat doordat de geest onmiddellijk ziet of ideeën met elkaar overeenstemmen, dan wel van elkaar verschillen: blauw is verschillend van groen – hierbij hoeft men niet te redeneren.

bewijsbare kennis, kennis verkregen met tussenstappen : bvb som van de hoeken van een driehoek = 2 rechte hoeken, daarvoor redenering opbouwen, hoe meer tussenstappen, hoe minder zekerheid.

gewaarwordingskennis, het resultaat van een veronderstelling, namelijk dat er dingen buiten ons bestaan die overeenstemmen met de idee die we er van hebben (vergelijking tussen idee en object). (geloof, opinie)

Alleen de eerste twee zijn echte vormen van kennis.

De overeenstemming van idee en object blijft een probleem voor de representationistische kentheorie.

Leereenheid 27 p 93

KENNIS VAN GOED EN KWAAD

Doelen: inzicht hebben in
- Locke’s rationalistische theorie over de aard van de moraliteit en de verhouding van deze kennis tot kennis van de wiskunde
- Locke’s theorie van het natuurrecht
- Locke’s positie ten aanzien van wetenschap en religie: de grenzen van de rede

1. Een wetenschap van de moraal

1.1 Zekere kennis vs ware kennis

Intuïtieve kennis: onmiddellijke gewaarwording->ideeën
en bewijsbare kennis: met tussenstappen te bewijzen (wiskunde)
zijn zekere kennis omdat ze alleen betrekking hebben op de verhouding tussen de ideeën onderling.

Locke acht op ethisch gebied zekere kennis (bewijzen) mogelijk: kennis van goed en kwaad, dus moraliteit, is bewijsbare kennis

Is zekere kennis ook ware kennis ? Corresponderen onze ideeën met de werkelijkheid buiten ons?
. Enkelvoudige ideeën representeren de werkelijkheid buiten ons en leveren daardoor ware kennis. Locke geeft hier echter alleen aan dat er iets buiten ons moet zijn, niet dat het ook met onze ideeën correspondeert.

. Samengestelde ideeën representeren de werkelijkheid buiten ons niet (behalve de samengestelde ideeën van substantie) en leveren daarom ware kennis: wij zijn het die enkelvoudige ideeën in de geest combineren, en die combinatie hoeft niet noodzakelijk in de werkelijkheid voor te komen.

Zowel enkelvoudige als samengestelde ideeën kunnen ‘ware’ kennis leveren.
Inconsistentie van Locke’s kentheorie. Enerzijds kunnen we zeggen dat Locke grote nadruk legde op de zintuiglijke waarneming als belangrijke bron van kennis. Het kennend subject stelt zich passief op. Anderzijds benadrukt hij de activiteit van het kennend subject door te wijzen op de zekere kennis die geproduceerd wordt door mentale constructies. Hij wijkt hier af van het zuivere representationisme.

Men noemt Locke de grondlegger van het empirisme, dit is maar gedeeltelijk waar. De nadruk op de operaties van de geest en zijn liefde voor wiskunde maken hem ook vertegenwoordiger van rationalisme. Rationalistische tendenzen zijn de invloed van Descartes en Newton. Volgens Locke is het mogelijk om op basis van exacte definities morele bewijzen te leveren, die even zeker zijn als wiskundige bewijzen. Deze overtuiging vormt een voorbeeld van Locke’s rationalisme (niet van zijn empirisme!)

1.2 Kennis van de moraliteit

De samengestelde ideeën zijn een filter waardoor we de werkelijkheid ervaren, want we kunnen de werkelijkheid maar beschouwen als datgene wat in overeenstemming is met onze ideeën. Kennis van het goede en het ware behoort tot de bewijsbare en ware kennis.

Locke geeft voorbeelden van onbetwijfelbaar zekere morele kennis zoals waar geen eigendom is, heerst geen onrecht of geen regering staat absolute vrijheid toe. Dit zijn tautologieën en bewijzen verder niks. Uit de uitspraak dat waar geen eigendom is ook geen onrecht heerst zijn geen regels tot juist handelen af te leiden.

Locke geeft aan (naar analogie met wiskunde die exact is omdat alles correct gedefinieerd is) dat morele bewijzen gebaseerd moeten zijn op exacte definities van de gebruikte begrippen. Juist taalgebruik! Probleem is hierbij dat het eens zijn over deze definities al bijna onmogelijk is.

Volgens Locke is het principiëel MOGELIJK om op het gebied van de moraal tot exacte definities te komen.

2. Het natuurrecht

2.1 Basisveronderstellingen

Essay on the law of nature (1660)
Natuurrecht is het kernthema van het 17de eeuwse denken over moraliteit. (13de E ook al: TvA)
Algemene kenmerken van natuurrecht:

Is ‘hoger’ recht, staat boven het menselijk recht, geldt als ijkpunt;

Het is eeuwig en universeel;

Af te leiden uit de natuur van de mens;

Het natuurrecht is met de rede te kennen; lumen naturel vs bovennatuurlijk (de Schrift)

De natuur van de mens als eeuwig en universeel, rationeel inzichtelijk en ideaal ijkpunt voor het recht.

In de tijd waarin Locke leefde was dit natuurrecht weer actueel vanwege de vele twisten tussen de verschillende interpretaties van het geloof en politieke problemen.

2.2 Kennis van het natuurrecht

Zintuiglijke waarneming is de voornaamste kennisbron van het natuurrecht. Inschrijving (aangeboren ideeën) en de traditie als kennisbronnen trekt hij in twijfel.
De onveranderlijke natuur van de mens is het fundament van het natuurrecht.

Volgens Locke is het idee van het natuurrecht de mens aangeboren: deze stelling is ONJUIST want Locke zegt dat die kennis niet is ingeschreven, maar door zintuiglijke waarneming bekomen wordt.

Hugo de Groot: het natuurrecht is geldig, zelfs al zou God niet hebben bestaan. Locke hangt deze idee aan, maar voorzichtig. Ketterse opmerking, inperking van Gods almacht. Locke’s verdediging is dat God de mens zo gemaakt heeft als hij is en dus het natuurrecht als het ware geschapen heeft.
Uit de nieuw ontdekte natuurwetenschappen kon dezelfde conclusie getrokken worden. De materie gedraagt zich wetmatig, zonder Gods ingreep. Het natuurrecht en de natuurwetten gelden beiden als Gods wil.


3. Geloof en rede

Locke zoekt een basis voor natuurwetenschap en moraal die onafhankelijk is van opvattingen over God. Als God dagelijks actief zou ingrijpen en de loop van de sterren of de aard van de mens zou veranderen, dan zouden deze wetenschappen gedoemd zijn te mislukken.

Locke haalt fel uit tegen het enthousiasme = de geestestoestand van mensen die voor een bepaald denkbeeld warm lopen en overtuigd zijn van de waarheid ervan zonder het te onderzoeken.

De empiristische filosofie speelde een grote rol in de 18de eeuwse verlichting. Verlichting: optimisme over de redelijke vermogens van de mens en de afkeer van dogma en traditie.

Geloof en rede vullen elkaar aan. Locke was een diep gelovig man en dat klinkt door in zijn werk. Het feit dat de natuur harmonieus en regelmatig in mekaar zit is het werk van God. Zonder God zou de wereld een chaos zijn.De zwakheid van de mens, hij weet alleen dat iets is, maar niet waarom iets is.

De oude Locke schrijft The Reasonableness of Christianity waarin hij zich zeer somber uitlaat over de mogelijkheden van de mens om op eigen kracht de morele beginselen (natuurrecht wordt niet als verplichtend ervaren) te vinden. Het is voor de oude Locke uiteindelijk het geloof en niet de rede die de mens sturen kan in zijn belangrijkste taak: een goed mens te zijn.

Leereenheid 28 p107

DE GEORDENDE SAMENLEVING

 

Doelen:
- op de hoogte zijn van een aantal belangrijke elementen in Locke’s politiek theorie
- inzicht hebben in de verhouding van Locke’s politieke theorie tot die van Hobbes en Filmer
- een indruk hebben van de historische relevantie van Locke’s staatkundige ideeën

1. Het ontstaan van de Two Treatises of Government

De liberale gedachten die Locke in zijn werk Two Treatises of Government werden als staatsgevaarlijk beschouwd. Het werk is lange tijd verborgen gebleven.
Het is een verdediging van de Glorious Revolution, legitimatie van de staatsgreep.


2. De kritiek op Sir Robert Filmer

Twee verhandelingen, 1 kritiek op het absolutisme en 2. een alternatief voor de inrichting vd samenleving.
Zondebok van de eerste verhandeling is Sir Robert Filmer, royalist en voorstander van het absolutisme. In zijn werk Patriarcha ontvouwde hij zijn opvattingen over de rol van de koning als vader van de staat. De koning als directe afstammeling van Adam.


3. De erfenis van Thomas Hobbes

Volledige titel van de tweede verhandeling: An Essay concerning the True Original, Extent and End of Civil Government.

Onderzoek naar de oorsprong en rol van staatsgezag. Gebaseerd op de politieke theorie van Thomas Hobbes (1588-1679). Het gedachtenexperiment van Hobbes: de natuurtoestand. Zonder staatsgezag geldt het recht van de sterkste. Homo homoni lupis: de mens is voor de mens een wolf.

Deze toestand is onhoudbaar en dus zullen de mensen ter zelfbehoud een gezag boven zich stellen dat tot doel heeft zelfbehoud van de onderdanen te garanderen.

Hobbes gebruikt de theorie van de natuurtoestand om het absolutisme te verdedigen. Locke is tegen het absolutisme.

Volgens Locke is het concept van Hobbes van de natuurtoestand WEL bruikbaar voor het ontwikkelen van een liberale politieke filosofie.

Locke beschouwt de absolute monarchie niet als de enige te rechtvaardigen uitweg uit de natuurtoestand.

4. De natuurtoestand

Locke vertrekt vanuit de natuurtoestand. Locke’s argumentatie is filosofisch, niet historisch van aard. (het interesseert hem niet of de staatsvorming in realiteit ook vanuit de natuurtoestand begon)
God heeft de mensen als vrije en gelijke wezens geschapen. De mensen leven niet voor zichzelf of voor elkaar, maar ter ere van God.
In zijn Essays on the Law of Nature speelde God geen systematische rol in zijn filo!
Tweede verschuiving: het natuurrecht is niet met de rede te kennen, de rede is het natuurrecht.
De natuurlijke rechten zijn gelijkheid, vrijheid en zelfbehoud. Locke gaat er van uit dat de natuurtoestand niet een situatie is van een oorlog van allen tegen allen, maar dat zo’n toestand wel makkelijk ontstaat, en dan de ellende zo groot is dat de mensen zichzelf onder overheidsgezag plaatsen.


5. Eigendom

De Whig-parij verdedigde de belangen van de opkomende handelsklasse. Absolutisme: de onderdanen als eigendom van de vorst.
Locke bestrijdt de absolutistische visie op eigendom van mensen: het is een voortdurende oorlogstoestand. Privé-eigendom is niet in overeenstemming met de bijbel. God heeft de aarde in gemeenschappelijk eigendom aan de mensen gegeven.
Locke ontwikkelt zijn eigendomsbegrip als legitimatie voor de geldeconomie: je mag zoveel eigendom hebben als dat je zelf kan ‘gebruiken’, zelf kan ‘bearbeiden’. Eigendom is verbonden aan arbeid. De uitvinding van geld heeft deze natuurlijke grenzen doorbroken.
Locke stelt dat geld de mens moet vrijwaren voor nodeloos bederf.
Tweeledig doel: Hij wilde een filosofische verdediging van de nieuwe geldeconomie van zijn tijd ontwikkelen en hij wilde eigendom zodanig definiëren dat mensen geen eigendom van mensen kunnen zijn. Ouderlijke macht: waar blijft de moeder? Vaderlijke macht bestaat niet. Mensen zijn alleen onvrij als ze onredelijk zijn.


6. Het verdrag

Het gezin en het huwelijk kunnen niet als model voor de politieke samenleving dienen.
Het doel van het huwelijk is het verwekken van kinderen, dit is niet het doel van de staat.
Het volk draagt zijn beide natuurlijke rechten (zelfbehoud en het recht tot uitoefening van het natuurrecht) over aan de staat. Het gezag van de overheid berust op een verdrag met het volk.
De optelsom van de rechten op zelfbehoud van alle individuen die zich verenigen, wordt de wetgevende macht genoemd.

De optelsom van de tweede soort rechten (op het straffen van de overtreders) is de uitvoerende macht.
Beide machten moeten worden gelegd in lichamen die uitdrukking geven aan de wil van de meerderheid van het volk.

Het staatsgezag waarborgt het individuele leven en eigendom. Het doel van de geordende samenleving is om op adequatere wijze dan in de natuurtoestand, het zelfbehoud van de leden van de samenleving te garanderen. De macht van de overheid reikt niet verder dan het algemeen belang. In een absolute monarchie heerst volgens Locke nog de natuurtoestand. De overheid mag slechts ingrijpen in godsdienstige kwesties wanneer de doeleinden van de staat in gevaar komen (atheïsten, want die waren fundamenteel onbetrouwbaar, en katholieken want die dienden een ander staatshoofd- de paus!)


7. De ontbinding van het overheidsgezag

Het staatsgezag dat het verdrag met het volk schendt dient te worden ontbonden.
Vier voorbeelden van misbruik van wetgevende macht:

veranderde wetgeving door grillige wilsbeschikking van de vorst;

als de vorst verhindert dat de wetgevende vergadering bijeenkomt;

als de verkiezingsprocedure wordt veranderd door de vorst;

als de vorst het volk uitlevert aan een vreemde macht.


De vorst die het verdrag schendt plaatst zichzelf terug in de natuurtoestand.
Rebellie, Rebellum, Re (lat. weer) bellum (lat. oorlog)


8. Locke’s invloed

Locke’s werk staat sterk in het teken van de actuele ontwikkelingen in Engeland tijdens zijn leven en zijn filosofie is in eerste instantie een poging om de problemen van zijn tijd op te lossen. Zijn invloed is nochtans groot: zijn kentheorie was van invloed op Hume (de empiristische kant) en Kant (de rationalistische component).
Grote invloed o.a. op de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring.