Plato en Socrates
Plato (427-348 v. Chr.) en Aristoteles (384-322 v. Chr.)

Socrates was leraar van Plato . Plato eerste filosoof waarvan oeuvre in geheel bekend is.

Leerdoelen:
Na bestudering bent u in staat om:
- Plato historisch te situeren
- enkele personen en aspecten te noemen van het intellectuele klimaat waarin Plato gesitueerd moet worden
- uit te leggen wat Socrates bedoelt met ‘zorg voor de ziel’
- te omschrijven wat een definitie in socratische zin is.

1 Historische situering Plato
Kort na overlijden van Pericles (politiek leiderschap Pericles ‘Athene’s Gouden Eeuw’) geboren.
De Atheense polis: Athene is democratie. Vrije burgers mochten stemmen (vrouwen, slaven en vreemdelingen niet, vreemdelingen wel grote economische en sociale vrijheid).
Door deelname aan volksvergadering behoefte aan onderwijs in retoriek en argumentatiekunde Þ Sofisten voor opvoeding en maatschappelijke vorming van de vooraanstaande families. Veel sofisten kritiek op heersende ethische maatstaven, waardoor bijdrage aan ontwikkeling van de filosofie. Plato negatief over sofisten (quasi-deskundigen met schijnargumenten en drogredenen): sofisten ondermijnende werking op traditionele morele en religieuze waarden van de gemeenschap. Socrates was ook sofist. Hij was de leermeester van Plato. Plato zou eigenlijk de politiek ingaan maar door de oligarchische staatsgreep en de veroordeling van Socrates heeft hij zich van de politiek afgewend en gewijd aan de ‘rechte filosofie, die de grond is van inzicht in alle sociale en persoonlijke rechtvaardigheid’. Socrates was voor Plato de belichaming van het wijsgerig zoeken naar ware kennis en inzicht in het goede, de leidraad voor een juist leven. Filosofie zoekt naar inzicht in het goede. Het probleem van de rechtvaardige samenleving en de juiste inrichting van de staat bleven levenslang zijn aandacht houden.
In 388 werd de school van Plato gesticht: de Academie.

2 Wijsgerige invloeden: de natuurfilosofen of presocratici
Enkele personen en aspecten van het intellectuele klimaat
Ongeveer 30 boeken geschreven (3000 blz.) Niet de eerste wijsgeer. Vanaf 6e voor Chr. al bloeiende wijsgerige cultuur. Presocratische invloed natuurfilosofen op Plato.
- 1e fase: aandacht voor natuurlijke werkelijkheid: natuurfilosofen; rationele verklaringen i.p.v. religieus-mythische voor natuurverschijnselen. Streven naar eerste beginsel dat aan alles ten grondslag ligt. Bijvoorbeeld Thales van Milete: water en Heraclitus van Ephese zag het constante in de voortdurende verandering: vuur. Dit laatste heeft via Cratylus invloed gehad op Plato: ervaarbare wereld constant onderhevig aan voortdurende verandering en wisseling Þ geen zekere kennis mogelijk van zichtbare werkelijkheid, object kennis geen blijvende en vaste identiteit.

- Griekse cultuur: positieve waardering voor orde en maat. Parmenides stelde het zijn voor als een afgesloten bolvormige eenheid, onveranderlijk en ondeelbaar, sluit iedere wording en verandering uit. ‘Het zijn is en het niet-zijn is niet’. Invloed van Parmenides herkenbaar in Plato’s leer van ideëen: onveranderlijke objecten van ware kennis, waaraan Plato een zelfstandig bestaan toekende gescheiden van de zichtbare werkelijkheid.

Aristoteles beschrijft de vorming van Plato als filosoof. Naast Heraclitus en Parmenides noemt hij Socrates als grote invloed op het filosofisch denken van Plato. Socrates wendde zich af van het onderzoek naar de natuur en richtte zijn aandacht op vraagstukken van het menselijk handelen en de moraal. Socrates ondervroeg mensen over hun morele opvattingen en hun visie op de deugd. Hij was op zoek naar het algemene en de definitie. Streven naar een definitie, het ene gelijkblijvende idee van rechtvaardigheid. Plato nam dit over en stelde vast dat definities niet van toepassing zijn op de zichtbare wereld, want die verandert voortdurend. Een geldige definitie drukt daarom een ideale waarheid uit. Plato zoekt een ideaal dat meer werkelijk, meer waar is dan wat voorkomt in de ervaringswereld.

3 Socrates’ leven en sterven (zorg voor de ziel)
Volgens Plato liet de stad Athene zich van haar meest onrechtvaardige zijde zien door Socrates ter dood te veroordelen. Doof voor de morele boodschap van de filosofie. Aanklacht: jeugd bederven en staatsgoden niet vereren. ‘Zondebok’ in politieke crisis. In Apologie schreef Plato de verdedigingsrede van Socrates op (geen journalistiek, filosofie staat terecht en verdedigt zich in de persoon van Socrates).

Socrates’ taak was het om de inwoners van Athene ervan te overtuigen aandacht te schenken aan hun ziel. Het enige belangrijke is dat men de ware deugd bezit: de deugd maakt de mensen goed en doet de samenleving welvarend en voortreffelijk zijn. Zorg hebben voor de ziel betekent vooral zorgvuldig en kritisch nadenken, bekommerd zijn om inzicht in wat echt een goede en juiste manier van leven is. De ziel is datgene van waaruit de mens leeft en ook precies als mens, dat is als redelijk wezen, leeft. Aandacht voor de ziel is dus verantwoording van levenswijze, opdat die zo goed mogelijk is. Door de ziel kan de mens toegang hebben tot het ware en het goede, waarin hij zijn leven en handelen dient te verankeren. Verwaarlozing ziel: slechter en beneden je status als mens leven.
Volgens Socrates is het mogelijk de ziel te vervolmaken door te streven naar inzicht en waarheid. Hij spreekt hier de burgers op aan in opdracht van een (niet verder geïdentificeerde) godheid. Een hogere instantie die boven moraal en politieke gezag van Athene uitstijgt.

4 Een socratisch gesprek : Definitie in socratische zin
Socrates vraagt in Euthyphro naar het wezen van het vrome, dat ene identieke kenmerk in de verschillende vrome handelingen, ofwel datgene op grond waarvan een handeling vroom genoemd mag worden. Alleen door aandacht te schenken aan het algemene van het vrome kan men een redelijke verantwoording geven waarom deze bijzondere handeling vroom genoemd kan worden.

Deugden: vroomheid, rechtvaardigheid, dapperheid, bezonnenheid, matigheid, zelfbeheersing en wijsheid. Verschillende aspecten van één en dezelfde deugd (Plato). Niet onze moralistische bijklank: goed-zijn, bij iemand passende kwalitieit. Juiste verhoudingen, met orde en harmonie.

In zijn gesprek met Euthyphro zoekt Socrates naar de algemene definitie van vroomheid, kenmerken die in alle geval gelijk zijn.
Socrates vraagt naar het algemene, naar gelijkblijvende kenmerken.

Socrates heeft onderwezen dat een filosofie geen kritisch onderzoek mag instellen naar de traditionele moraal en de godsdienst : onjuist!

Leereenheid 3 p49
De socratische methode

Leerdoelen:
Na bestudering van deze leereenheid bent u in staat om:
- uit te leggen in welke zin volgens Socrates het verwerven van inzicht een vorm van herinnering is
- aan te geven hoe Socrates de opvatting van kennen als een zich herinneren met een mythisch verhaal onderbouwt
- te beschrijven wat Socrates als zijn taak ziet in de wijsgerige discussie
- uit te leggen wat Socrates bedoelt met de omschrijving van filosofie als een oefening in het sterven
- Plato’s visie op het ware zijnde weer te geven.


1 Hoe kan men leren wat men niet weet :
Verwerven van inzicht is een vorm van herinnering….
Discussie over de deugd in Meno. Meno doet een voorstel van een definitie, Socrates onderzoekt dit nauwkeurig en bekritiseert dit. Als ze beiden het niet weten, hoe kun je er dan naar zoeken? De ziel is (met mythisch verhaal, aarzeling, want geen redelijke argumentatie) onsterfelijk, heeft alle kennis al in zich, dus zoeken naar waarheid is niet zinloos. Door nauwkeurig onderzoek kan de ziel zich de kennis weer herinneren : Leren is zich herinneren: anamnese. Leren is daarom niet kennis van buitenaf eigen maken, maar het opnieuw te binnen brengen wat men ooit aanschouwd heeft. Inzicht is iets anders dan het herhalen van gehoorde opvattingen.(filosofisch onderzoek vs waarneming en overgeleverde opinies). Pas vanuit het besef dat je het eigenlijk niet weet, kun je door filosofisch onderzoek de ziel tot waar inzicht brengen. Het verlammen van de tegenstander (het niet meer weten) is nodig om de ziel wakker te schudden.

Het mythische verhaal bij kennen als herinnering
De ziel vergaat niet, maar doorloopt een cyclus van wedergeboorten, in een vorig bestaan heeft de ziel alles al gezien en geleerd. Deze kennis is door nauwkeurig onderzoek van het probleem weer op te roepen. Voor Plato is de mythe vaak een wijze om een diepere waarheid over de menselijke natuur en de situatie van de mens op aarde te vertolken, wanneer een argumentatief betoog niet voldoende is (literair uitdrukkingsmiddel om wijsgerige inzichten mee te delen). Soms geldt de mythe ook als verzinsel van de dichters, hij aarzelt daarom om de mythe te vertellen. Verhaal in Meno.
Volgens Plato zijn definities van een deugd nooit subjectief!

2 De socratische maieutiek : Taak van Socrates in een wijsgerige discussie
Theaetetus – zoeken naar kennis. Met het beeld van verloskunde (maieutiek) benadrukt Socrates dat zijn taak er niet in bestaat de kennis die hij heeft aan een leerling over te dragen, maar de kennis die in de leerling sluimert op te wekken en op een goede manier naar buiten te brengen. Leerling is ‘zwanger van de kennis’. Socrates wekt de weeën op, dit gaat gepaard met pijn, onrust en verlegenheid. De vrucht wordt kritisch bekeken en beoordeeld of ze de waarheid bevat. Verhaal in Theaetetus .Misbaksels worden verworpen. Niet iedere ziel is in wijsgerig opzicht vruchtbaar (zie verhaal in Euthyphro, waar de jongeling wegloopt..).
In de dialogen Meno en Theaetetus komt Socrates’opvatting naar voren dat de door de filosoof gezochte ware kennis reeds in de ziel besloten ligt.

 

3 Filosofie als oefening in het sterven
Op de avond voor zijn sterven speelt de dialoog Phaedo. Socrates wil hier duidelijk maken dat een man die zijn leven in de filosofie heeft doorgebracht, geen vrees voor de dood behoeft te hebben. Hij wacht het moment vol vertrouwen af. Wijsbegeerte als een oefening in het sterven. In welke zin zoekt de wijsgeer de dood en wat is dit filosofisch sterven: volgens Socrates is de dood niet anders dan de scheiding van lichaam en geest. Het sterven van de filosoof is gericht op het losmaken van de ziel uit het lichaam, de lichamelijke aspecten van het menszijn, los van de lichamelijke, uiterlijke dingen, die de wijsgeer niet passen en waar hij zich uit terugtrekt.

Zintuiglijke waarnemingen en lichamelijke emoties zijn storend voor het streven van de ziel naar waarachtig inzicht enkel het loutere denken leidt naar inzicht. Daarom is het lichaam als een kerker voor de ziel. Het lichaam als bestaanswijze: de massa kan geen afstand nemen van het lichamelijke, de bestaanswijze van de massa, die door passies heen en weer geslingerd wordt. Afstand van de wisselende schijn is noodzakelijk opdat de ziel ‘op zichzelf alleen’ zich kan richten op de waarheid van elk ding ‘op zichzelf alleen’. In plaats van zich met haar lichamelijke bestaan te vereenzelvigen moet de ziel afstand nemen van het lichamelijke en zich wenden tot het ware zijnde (omkering van de blikrichting van de ziel).

4 Het ware zijnde
kenobjecten = het alleen maar rechtvaardige, het alleen maar schone en goede=de werkelijkheid van elk ding
Plato neemt een onderscheid aan tussen twee niveaus van werkelijkheid:
- de zichtbare wereld van de veranderlijke dingen (lichamelijke waarneming)
- de onzichtbare realiteit van het ware zijn, de ideeën, die alleen door het zuivere denken gevat worden.
Op deze tweedeling doelt Socrates bij zijn presentatie van de filosofie als een oefening in sterven. Socrates neemt dus ook twee niveaus aan van werkelijkheid

Ideeën zijn altijd eender en constant. De zichtbare dingen die naar de ideeën genoemd worden veranderen tov zichzelf en tov elkaar. Het zoeken naar de definitie in het filosofisch gesprek is een methode van intellectuele verheldering en verantwoording. Aan de definitie beantwoord iets objectiefs: het algemene wezen, dat altijd eender en constant is: een ware norm, waaraan gepastheid afgemeten kan worden. Een geldige definitie drukt ideale waarheden uit! De definitie geeft inzicht in ‘iets op zichzelf’, het ‘gelijke zelf’, of ‘schone zelf’. Apart van de vele dingen die deze eigenschappen kunnen hebben. De idee is onveranderlijk en aan zichzelf identiek. Rode voorwerpen kunnen van kleur veranderen, maar het ‘rode zelf’ is en blijft rood en niets anders dan dat. Bij het opstellen van definities speelt zintuiglijke waarneming GEEN rol!

Zintuigen leveren geen kennis van de ideeën. Zij bieden ons een veelvuldig veranderlijke wereld. Dus roept Plato de ziel op zich af te keren van de waarnemingen en door louter nadenken zich de kennis van de ideeën te herinneren. Alleen zo komt de ziel tot ware kennis, verankerd in een altijd gelijkblijvende werkelijkheid. De ziel is verwant aan de ideeënwereld. Een natuurlijke verbondenheid van de ziel met het ware zijn: elke ziel heeft het waarlijk zijnde aanschouwd, de herinnering is alleen weggezakt. Door haar gevangenschap in het lichaam is de oorspronkelijke kennis van het ware zijn afgezwakt en door beoefening van de filosofie kan dit herstellen.

 

Leereenheid 4 p. 59
Plato’s ideeënleer

De waarheid van elk ding op zichzelf alleen: objecten van ware kennis: ideeën. Hiervoor is omkering nodig: afwenden wat via de zintuigen binnenkomt. Deze omkering is een langdurig proces van intellectuele vorming. Strikte scheiding ideeënwereld en wereld van de zintuigen: dualisme. Elke dualistische filosofie moet verklaren wat het verband is tussen beide principes (idee-zintuig).

Leerdoelen: Na bestudering bent u in staat:
- uit te leggen wat Plato verstaat onder ‘ideeën’
- de uitdrukking ‘ware wijsbegeerte’ toe te lichten
- aan de hand van het grotverhaal de verschillende kennisgraden met hun objecten te benoemen
- enkele aspecten van Plato’s dualisme te beschrijven
- de strekking van de mythe van de wagenmenner aan te geven
- uit te leggen welke status de ziel en de wereldziel in Plato’s dualistische filosofie hebben.


1 Het verhaal van de grot – Ideeën
Objecten van ware kennis. Het ware en onveranderlijke zijn. Zuiver kenbare.

Dialectiek is de wetenschap van de ideeën. Door vraag en antwoord rekenschap geven van de werkelijkheid zelf. Door hypotheses kritisch te onderzoeken trachten objectieve waarheid te bereiken. Dialectiek is hoogste wetenschap omdat erin getracht wordt alle kennis te funderen in een hoogste principe. De omkering van de ziel naar het ware vraagt om opvoeding, van onwetendheid en ongevormdheid opgevoed door Paideia (intellectuele en morele vorming) is het onderwijzen naar het licht van de waarheid. Hiervoor zijn filosofen nodig. Vooropleiding van vele jaren met o.m. wiskunde om abstract te leren denken. Pas wanneer de filosoof door de dialectiek in contact gebracht is met het goede zelf en daarin zijn kennis over goed en juist verankert, is de pedagogie voltooid en de filosoof in staat zijn taak als bestuurder van de samenleving op zich te nemen. De ideale samenleving wordt geregeerd door filosofen! Het verhaal van de grot vertelt over deze filosofische vorming.
Ware wijsbegeerte: Opgang van de ziel naar het zijnde. De ziel om te keren van een soort nachtelijke dag naar een echte dag. Onderwijzen van deze opgang = paideia.

2 Verschillende kennisgraden en hun objecten
- schaduwen: worden voor echt gehouden; idolenkennis, men gaat af op hoe dingen in de menselijke samenleving voorgespiegeld worden.
- voorwerpen (beelden): menen en vertrouwen dat het echt zo is, concrete voorwerpen. Geen beredeneerde kennis van het ware, domein van het zichtbare (van de betrouwbare meningen).
Deze eerste twee zijn ‘doxa’ (meningen): men meent dat iets waar is zonder de waarheid in te zien en redelijk verantwoord te hebben. Behoren tot het zichtbare.
- schaduwen buiten de grot en weerspiegelingen in het water: abstracte hypothesen, meer werkelijk, meer waar. Door louter denken tracht men de waarheid omtrent elk ding vast te stellen.
- dingen zelf: niveau van redeneren op basis van hypothesen overstijgen en alle voorlopig aangenomen gedachten te funderen in een laatste niet-hypothetisch principe: het goede. Dus als je denkt het te weten, moet je toetsen aan het goede. Pas in het licht van het goede wordt de ultieme waarheid van alle ideeën zichtbaar en zeker gesteld. De laatste twee behoren tot het kenbare.
- de zon (eventueel als 5e stadium te zien): bron van het goede en alles wat mooi en goed is, als laatste gekend.

Gedwongen bevrijding uit de grot: mensen blijven aan hun schaduwen hangen. Het doet pijn. Eenmaal gewend aan het zonlicht in de buitenwereld prijst hij zichzelf gelukkig en heeft medelijden met de mensen in de grot die een schaduwbestaan leiden. Wie tot de ware wijsbegeerte is gekomen, moet teruggaan in de grot, ook tegenstribbelend. Maar hier ligt een taak: menselijke samenleving ordenen volgens deugd en inzicht.

3 De tweespalt in de ziel: Aspecten van Plato’s dualisme
Dualisme van de veranderlijke en de onveranderlijke wereld: opvatting volgens welke de werkelijkheid gekenmerkt wordt door fundamentele tweedeling. Scheiding tussen veranderlijke, zichtbare wereld en het onveranderlijke ware zijn – komt overeen met scheiding lichaam en ziel. Behuizing ziel in lichaam niet altijd gelukkig: ziel ondervindt hinder. Lichamelijke bestaanswijze brengt de ziel in verwarring en beneemt haar het zicht op de waarheid. Door zich samen te ballen in zichzelf, zich op zichzelf terug te trekken kan de ziel de werkelijkheid van elk ding op zich aanschouwen. Lichaam (waarneming, emoties) is lager dan de ziel en wordt beheerst door onredelijke krachten. Ziel is zetel van de rede en via rede kan de mens tot inzicht komen in het ware en het goede..
Feitelijk bestaanswijze van de mens wordt gekenmerkt door fundamenteel verlangen: eros, dat geen genoegen neemt met de feitelijke stand van zaken, laat de mens reiken naar betere werkelijkheid van het goede en het schone. De ziel merkt dit verlangen op als ze met schone dingen in aanraking komt, dit stuwt haar op naar de hogere werkelijkheid waar ze oorspronkelijk thuishoort.
Hoe heeft de ziel afstand kunnen doen van haar oorspronkelijk natuur en is zij in een lichaam gekomen?

4 Strekking van de mythe van de wagenmenner: Phaedrus
Voorgeschiedenis van de ziel. Ware aard ziel en hoe kan ze deze herwinnen?
Ziel is gevleugeld, menselijke zielen volgen de goddelijke, verwant met het goddelijke. Soms stijgen ze op naar hoogste top : aanschouwen van werkelijk zijnde zijn, hierdoor nieuwe kracht. Ziel laaft zich aan begrip en inzicht in het ware zijn. Oerdrama: verlies van vleugels voor menselijke ziel, valt naar beneden in een lichaam. Komt door tweespalt in ziel. Volgens Plato verliest de ziel haar vleugels door de tweespalt in de ziel, en niet door aanschouwing van het ware zijn. Twee paarden, een goed en een slecht voor de wagen. Moeilijk te mennen. Door de schok van de val raakt ziel herinnering kwijt. Wijsgerige vorming poogt ziel weer op orde te brengen. De wagenmenner (de rede) moet het heft weer in handen krijgen. Iedere ziel draagt deze herinnering bij zich. Bevat taal der vormen, hierdoor hoeven mensen niet te blijven bij onmiddellijke waarneming (zoals dieren), maar kan zij algemene begrippen vormen.
Doordat zielen niet allemaal evenveel aanschouwd hebben van het ware zijn, ontstaan er verschillen in aanleg tussen mensen en dus ook in ontwikkeling. Filosofen hebben zielen die erg veel gezien hebben.

5 Status ziel en wereldziel
Ziel doorkruist hele hemel en aanschouwt soms wat er buiten de hemel ligt Þ horen niet tot de zichtbare wereld, noch tot de intelligibele wereld. In de zichtbare wereld zijn ze belast met de zorg voor alles wat onbezield is, dit kunnen ze alleen doen door in contact te blijven met de intelligibele wereld van de ideeën.
Intelligibele wereld: bovenhemelse streken, onzichtbaar rijk, wereld van ideeën
Mensen, wereld en hemellichamen zijn bezield: menselijke zielen, wereldziel en goddelijke zielen.
De Timaeus - Ontstaan en inrichting van de kosmos: Zijn = te bevatten door redeneren, worden = object van meningen.

Maker van de wereld (demiurg, goddelijke maker) hield eeuwige in het oog: de demiurg heeft volgens Plato de zichtbare natuur gemaakt naar het voorbeeld van de eeuwige en gelijkblijvende ideeën: mooi en goed gevormd volgens een orde die door rede en inzicht te begrijpen is. Zichtbare en geworden wereld is mimesis van het volmaakte model. Een afbeelding is nooit hetzelfde als het origineel, een verklaring ervan kan ook niet exact zijn. Wereld streeft naar ordening, hiervoor is rede nodig, wereld is levend wezen met verstand, anders klomp dode materie. Dit levende wezen wordt beheerst door een redelijke ziel die haar omgeeft en doordringt. De harmonie en orde van bewegingen verraadt een innerlijke redelijkheid. Rede is niet zonder ziel, ziel duidt op leven. Dus kosmos is goed gevormd levend wezen, met ziel en verstand. Ziel tussenpositie tussen eeuwige en gelijkblijvende wereld van het zijn en de zichtbare wereld van het worden. Dankzij de rede staat de ziel in contact met de ideeën en aldus gevoed door ware kennis en inzicht is de ziel verantwoordelijk voor de ordelijke bewegingen van het lichamelijke, te weten de afzonderlijke zielen voor de afzonderlijke lichamen en de algemene wereldziel voor het hele lichaam van de wereld.

Tussenpositie tot uitdrukking in het maken van de ziel door de Demiurg.
Het zijn van de ziel is een mengvorm tussen het altijd-eendere-zijn van de intelligibele wereld en het wordende-zijn van de lichamelijke wereld. Dus in zichzelf een verbinding van die twee. Voordat ze in de lichamen geplaatst worden toont de demiurg hen kosmische orde en de wetten van het al, op een ster. Opvoeding gericht op herstel oorspronkelijke orde, reproductie van de orde van de kosmos. Mens is microkosmos, weerspiegelt de orde van de macrokosmos. Hoofd omhoog Þ ordelijke patroon hemel zien. Volgens Plato’s Timaeus is de ziel van de mens een afspiegeling in het klein van de kosmische orde.

Volgens Plato behoort de menselijke ziel tot het domein van het zichtbare en de wereldziel tot het domein van het zuiver intelligibele. Deze stelling is ONJUIST: beide zijn mengvormen!

 

Leereenheid 5 p 73
De idee van het goede

Leerdoelen:
Na bestudering van deze leereenheid bent u in staat om:
- aan de hand van de vergelijking met de zon uit te leggen wat Plato verstaat onder de idee van het goede
- uit te leggen waarom Plato de ‘Eros’ voorstelt als een demon
- aan te geven wat het verschil is tussen lichamelijke en geestelijke vruchtbaarheid en duidelijk te maken waar het in dit laatste om gaat
- te verklaren waarom Plato rechtvaardigheid koppelt aan een blauwdruk voor de ideale staat
- de voornaamste kenmerken van
Plato’s ideale staat te noemen.


1 De idee van het goede, de vergelijking met de zon
Idee van het goede = de hoogste kennis, meest begerenswaardig en moeilijkst bereikbaar.

Kennis van het goede is zo belangrijk dat als we haar niet kennen elke andere kennis waardeloos is. Ieder mens ervaart in zijn verlangen naar het goede dàt het bestaat, zonder precies te kunnen zeggen wàt het is. Alleen door het goede is schijn van waarheid te onderscheiden in elke deugd. De idee van het goede is het ijkpunt voor alle deugden en inzichten. Het goede kun je vergelijken met de zon. Zoals de zon ervoor zorgt dat de dingen zichtbaar worden, zo vervult de idee van het goede een soortgelijke rol in de sfeer van het kennen en de ideeën. Door licht komt het zien in contact met het zichtbare, door de idee van het goede komt het kennen in contact met de ideeën.
Als het denken de blik richt op hetgeen waarop het licht van het goede schijnt, dan kent het de dingen helder en onderscheiden en komt het tot wetenschap en waarheid. De ziel komt tot ware kennis in het licht van de idee van het goede.
De idee van het goede ligt zowel ten grondslag aan het kennen als aan het bestaan van het gekende. De idee van het goede is dus zowel principe van kennen als van het zijn.In het licht van het goede blijkt voor het denken wat elk ding in waarheid is. Het goede doet de ideeën zijn wat ze zijn. Stelt ze vast binnen hun eigen wezen, maar zelf overstijgt het alle zijnden.
Het goede is allesomvattend. Het goede is niet alleen leven volgens de deugd, hiervoor heeft men inzicht in het goede nodig, anders zou je deugd kunnen gebruiken voor iets anders (aanzien). Ware deugd berust op inzicht van het goede.
Het goede is iets waar iedere ziel van nature naar streeft. alleen in contact met het goede wordt de ziel goed en brengt ze ware deugd voort. Eros: het in de ziel geworteld verlangen naar inzicht in het goede.

2 De Eros als demon
Symposium: dialoog over de aard van eros. Als Eros god was: zou zij al goed zijn, maar zij verlangt naar het goede, dus is zij niet goddelijk. Van Diotima leerde Socrates dat Eros een demon is, tussen goden en stervelingen. (Demon bij de Grieken is de boodschapper tussen goden en mensen, geen kwade geest.) Eros is dus een tussenwezen. Kind van Poros (vermogen) en Penia (gebrek), heeft Eros een gemengde natuur, bij uitstek geschikt voor wijsgeer. Hij filosofeert en verlangt naar inzicht. Hij beseft zijn onwetendheid en vanuit dat besef streeft hij naar wijsheid. Je kunt het ook omkeren: een wijsgeer heeft bij uitstek een erotische natuur. Het verlangen naar kennis staat tussen god en mens, tussen wijsheid en onwetendheid.

3 De invloed van de eros - Verschil lichamelijke en geestelijke vruchtbaarheid
Eros streeft naar het vaste bezit van het goede, ook te typeren als het verlangen naar onsterfelijkheid. Eros bewerkt het verwekken van schoonheid in de mens. Drang van onze natuur tot baren (maieutiek!) wordt gewekt door contact met het schone. Eros is het verlangen naar onsterfelijkheid in het sterfelijke: van lichamelijke liefde tot geestelijke creativiteit. Eros van kunstenaars en filosofen, die aanzet tot cultuur, wetenschap en wijsheid. Minnaars leggen zich serieus toe op verheven zaken als het schone en de deugd. De Eros doet niet alleen de man bij een vrouw een kind verwekken en een gezin stichten, maar brengt de mensen eveneens tot het voortbrengen van inzicht en deugd, het stichten van een morele gemeenschap, waarin mensen op een hogere, want geestelijke, wijze verbonden zijn dan de familieband mogelijk maakt.

4 Rechtvaardigheid gekoppeld aan een blauwdruk van de staat
Hoogste vorm van inzicht = wijsheid en rechtvaardigheidszin. Heeft betrekking op ordening van staten. Hierdoor staat politieke filosofie hoger dan de kunst. Inzicht in de goede samenleving is hoogste vorm van kennis. De staat is om economische redenen ontstaan. Mensen hebben elkaar nodig voor elementair levensonderhoud. Door oorlogen ontstaan gespecialiseerde ambachtslieden: wachters, temperamentvol, vurig en krijgslustig. Moeten goed onderscheidingsvermogen hebben, dus ook wijsgerig van aard. Opvoeding van deze wachters is heel belangrijk. Staat toezien op literaire, muzikale en gymnastische opleiding, alles weren uit het leerplan, dat afbreuk zou kunnen doen aan hun vastberadenheid. De besten worden de heersers, zij hebben inzicht genoeg om de idee van het goede tot leidraad te maken bij hun beslissingen.
Kenmerken van Plato’s ideale staat : Drie standen:
1. Wachters (filosoof-koningen) - 2. Helpers (soldaten) - 3. Handwerkers (boeren en ambachtslieden)
De staat is rechtvaardig omdat elke klasse haar eigen opdracht vervult. Op de manier die past bij hun natuurlijke aard en daar ook uit voorkomt. Slaven zijn voor Plato een maatschappelijk gegeven, zij vallen nog onder de derde klasse.
Vier deugden: rechtvaardigheid, verstand (wijsheid), weerbaarheid (moed) en zelfbeheersing (matigheid). Deze worden gekarakteriseerd aan de hand van de drie eigenschappen die hij in mens en staat onderscheidt: verstand: eigenschap van de rede (wijsgeer-koning); weerbaarheid komt uit temperament, gebruikt met rede (soldaten-wachters); zelfbeheersing past bij de begeerte, vrijwillig onderworpen aan verstand. Rechtvaardigheid is dat ieder zijn eigen opdracht vervult, zonder dat lagere eigenschappen de rede overheersen.
- Vrouwen en mannen gelijkwaardig. Ook vrouwen mogen de opleiding tot filosoof doorlopen en de staat regeren.
- Leven in dienst van de staat: Geen privé-bezit, onderhouden door staat. Huwelijk en voortplanting in dienst van de staat. Geen gezinsverband, maar door de kalender aangewezen beurten van samenwonen. Zo einde aan individualisme, dat als splijtzwam werkt.
Niettegenstaande volgens Plato de ziel beschikt over aangeboren ideeën, blijkt uit zijn dialogen dat hij veel waarde hecht aan een wijsgerige opvoeding.

Filosofie van de geschiedenis: 4 verschillende staatsvormen, verval steeds verder voortgeschreden:
enige goede vorm is aristocratie waarbij filosofen heersen.
dan verval:
timocratie (niet langer filosofen aan de macht, maar driftige en twistzieke mensen)
oligarchie (rijken aan de macht)
democratie (ongeschoolde en onredelijke massa)
tirannie (dictator)

Komt doordat de voortplanting niet goed in de hand gehouden is, waardoor opvolgingsproblemen ontstaan. De ideale staat, de aristocratie.
Plato’s politieke filosofie is conservatief, hij wil het goede behouden of herstellen en is afkerig van hervormingen. Hij heeft ook pogingen gedaan om een staat als deze te stichten, niet gelukt.
Eerste Utopie, voorbeeld voor alle andere schetsen van een ideale samenleving. Later is kritiek gekomen op totalitair karakter van Plato’s staat.

Leereenheid 6 p 83
Schoonheid en mimesis

Nu schoonheid = kunst. Plato: Schoonheid hoort bij het goede. In contact met het schone brengt de wijsgeer niet langer afbeeldingen van de deugd voort maar ware deugd. Dichters slechts afbeeldingen, geen waarheid. Dichters weg.

Leerdoelen:
Na bestudering van deze leereenheid bent u in staat om
- uit te leggen wat Plato bedoelt met het schone zelf
- Plato’s bezwaar tegen de poëzie te beschrijven
- het principe van de mimesis uit te leggen aan de hand van het voorbeeld van de drie bedden
- enkele argumenten te geven om Plato’s denken als dan niet als een onwrikbare eenheid te beschouwen
- Plato’s invloed in grote lijnen te schetsen.

1 Het schone zelf
Eros bewerkstelligt vele schone en verheven dingen, alles wat groot en betekenisvol is in de menselijke samenleving is aan Eros te danken. Eros voert je stap voor stap mee naar de uiteindelijke aanschouwing van het schone zelf. Daar vindt de filosoof zijn vervulling.

Fasen in de opgang van lichamelijke schoonheid naar het schone zelf (Eros is in ieder mens aanwezig, moet alleen tot ontwikkeling komen):
- vertrekpunt: het zintuiglijk schone, een mooi gebouwd lichaam; geïnspireerd door een mooi lichaam komen er edele en schone gevoelens op. Deze ervaring van schoonheid roept om expressie, ze moet onder woorden worden gebracht Þ ziel ontdekt dat de schoonheid van een enkel lichaam iets toevalligs is en dat ze veel gemeen heeft met andere lichamen Þ beperking van verlangen naar schoonheid als de ziel bij dit ene lichaam blijft staan
- Ontdekking dat schone niet aan lichamen is gebonden, veel zuiverder in de ziel naar voren. Schoonheid van ziel ligt in goed karakter Þ aantrekking tot karakterschoonheid, leidt tot betogen over deugd en recht om zo de ziel van de ander beter te maken – niet 1 ziel, maar alle zielen
- Eros ontdekt dat schoonheid zich ook uitstrekt tot politiek en maatschappelijk bestel, wetten en gebruiken die een goede samenleving mogelijk maken. Het schone en nobele in de karakters van de mensen is met elkaar verwant en verwijst naar boven-individuele schoonheid die is gerealiseerd in de samenleving
- Deze schoonheid verwijst weer naar de wetenschappen, instellingen en wetten hebben hun schoonheid te danken aan de morele kennis en wijsheid die er in besloten ligt.
Door beoefening van wetenschap en filosofie wordt de ziel bevrijd, tot dat ze tot de hoogste wetenschap komt: de aanschouwing van het schone zelf.
Poëzie is NIET de hoogste uiting van het streven naar het schone!

De aanschouwing van het schone lijkt op de hoogste kennis van het goede: door het schone te zien heeft de ziel niet langer te maken met afgeleide vormen van schoonheid, net als dat verankering van de deugd en opvattingen hierover in de kennis van het goede ook tot ware deugd leidt.

Het schone is in zekere zin identiek aan het goede. Absolute werkelijkheid, waarnaar schone en goede dingen in mensen verwijzen. Schoonheid vooral ook innerlijke kwaliteit: goed, betekenisvol en overeenstemmend met hoe de dingen horen te zijn. Esthetische schoonheid kan hier een uitdrukking van zijn. Schoonheid is maat en harmonie, een juist geordend verband dat uitdrukking geeft aan innerlijke redelijkheid, doet appél op redevermogen in de ziel. Zo hebben het goede en het schone te maken met het ware, zij gaan gepaard met inzichtelijkheid. Slechts inzicht in het schone en het goede brengt ware deugd voort. In aanraking met het schone vertoeft de ziel in een zuivere werkelijkheid, waarin de ware aard der dingen helder gemanifesteerd wordt in het licht van het goede.
Het goede en het schone zijn identiek en hebben alles met het ‘ware’ uit te staan.

2 Plato’s bezwaar tegen de poëzie
De schoonheid van de kunst is niet de hoogste die in alle opzichten goed en prijzenswaardig is. De ware Eros is niet in de dichter maar in de filosoof. Hij verwekt in contact met het schone geen afbeeldingen van de deugd, maar ware deugd. Poëzie wordt beoordeeld op haar vermogen de waarheid te onthullen en de mensen tot deugd en inzicht te brengen. De dichters houden je wel voor wat goed en schoon en waar is, maar hebben er geen echte kennis van. Ze geeft geen inzicht in de waarheid. De poëzie is gebaseerd op mimesis, afbeelding of nabootsing. Ook de muziek en de andere kunsten worden veroordeeld. Alleen die kunstuitingen die rechtstreeks bijdragen aan de opvoeding van dappere en vastberaden burgers en soldaten laat hij toe in zijn modelstaat.

3 Mimesis: de drie bedden
Wat mimesis is maakt Plato duidelijk aan de hand van de drie bedden.
1 de werktekening van het bed (het model)
2 het bed (1e afbeelding)
3 het schilderij van het bed (2e afbeelding)

Het schilderij lijkt een bed, maar staat twee treden onder het echte bed. Dit geldt ook voor de poëzie. De kunst is dus derderangs. Ze lijken verstand te hebben, maar leiden de mensen om de tuin. Hij suggereert deskundigheid. Een dichter lijkt een morele boodschap te hebben, maar kennis van de werkelijkheid ontbreekt hem. In de ideale staat moeten filosofen uitmaken welke dichtkunst geoorloofd is en op welke wijze ze de thema’s moet behandelen.

4 De eenheid van Plato’s filosofie
Sterke samenhang in de onderwerpen die hij bespreekt. De waarheid omtrent onderwerpen vindt hij altijd in de ideeënwereld, waar het goede, het schone en het ware nauw samenhangen. Maar zijn filosofie is geen afgerond systeem, met ondubbelzinnige verbanden. Alles werd over een lange tijd verspreid opgeschreven, volgorde is ons onbekend. Zijn gedachten zijn zich blijven ontwikkelen, theorieën aangevuld en genuanceerd. Verschillende interpretaties zijn mogelijk. Binnen zijn filosofie onopgeloste spanningen:
- zijn filosofie zou eigenlijk in essentie een mystieke leer zijn (Diotima’s relaas van de ontwikkeling van Eros), maar aan de andere kant legt hij veel vast in getallen. Aristoteles heeft gesuggereerd dat Plato’s leer hierdoor beschouwd kan worden als een allesomvattende vorm van wiskunde
- het lichaam is de gevangenis van de ziel, maar aan de andere kant is de schoonheid van de lichamen verwant met het schone zelf. In Phaedrus beschrijft hij dat de ziel de slechte krachten bevat, terwijl het lichaam, bezield, een zekere mate van orde en schoonheid kent
- enerzijds wijst hij beeldend en dichterlijk taalgebruik af, anderzijds maakt hijzelf vaak gebruik van beeldspraak en mythische verhalen
- verschil kritische en dogmatische kant Plato: Socrates gebruikt de dialectische methode om zijn gesprekspartners te wijzen op de ongefundeerdheid van hun meningen, anderzijds zet hij zonder aarzelen en in detail de lijnen uit van een absoluut goede staatsvorm.
De veelzijdigheid van zijn filosofie moet gerespecteerd worden, niet in interpretatie persen. Hij bleef er aan schaven. Ook is hij beïnvloed door zijn tijd.

5 Plato’s invloed

- Westerse filosofie in feite voetnoot bij Plato’s werk. Grote thema’s gaan terug op Plato: verhouding lichaam / ziel, tegenstelling mening / kennis, gedachte dat zichtbare wereld is gefundeerd in transcendent beginsel.

- Socrates is prototype filosoof: doorvragen, geen genoegen met gangbare vooroordelen en opinies, mensen oproepen rekenschap af te leggen van de ideeën waardoor ze zich laten leiden. Filosofie is rekenschap geven, is de activiteit van de mens die redelijk wil leven en zijn overtuiging wil baseren op wat waar en goed is.