Leereenheid 47 p201
RORTY OVER HET NUT VAN DE FILOSOFIE
1. Filosofische ontwikkeling van Rorty
Geboren 1931 te New York. Op 14-jarige leeftijd naar de universiteit.
1961 Hoogleraar te Princeton (orthodox, analytisch instituut). Hij was sceptisch ten aanzien van de mogelijkheid om van de filosofie door middel van taalkundige analyses een exacte wetenschap te maken.
Actief in de Vietnam beweging.
1.1 Analytische filosofie
In de traditie van de twintigste-eeuwse Angelsaksische analytische filosofie hield hij zich voornamelijk bezig met kentheoretische en taalfilosofische kwesties: daarin onderscheid twee soorten problemen :
Volgens de analytische filosofie moeten filosofen zich onderscheiden door
Analytische filosofie = conceptuele analyse -> verhouding tussen het concept en de wereld.
1.2 Hermeneutiek
Rorty steunt in Philosophy and the mirror of nature zowel op Angelsaksische, analytische filosofie als op de continentale europese filosofie. De continentale is iets minder op logica, analytica gebaseerd, maar onderging eveneens een zuiveringstraditie dmv de fenomenologie.
Edmund Husserl (1859-1938) grondlegger fenomenologie: verzette zich tegen zowel het empirisme en het rationalisme. Noch ervaring, noch rede is fundamentele kennisbron, maar we moeten de fenomenen zelf laten spreken : zuivere aanschouwing van hetgeen ons in het bewustzijn is gegeven. Het bewustzijn ontdoen van storingsbronnen om de fenomenen voor zichzelf te laten spreken.
Heidegger en Sartre laten zich hierdoor beïnvloeden, maar ook de natuurwetenschappen kregen iets minder belang hierdoor op het continent dan wel in de angelsaksische filosofie.
Later kreeg Husserl meer oog voor het feit dat ons bewustzijn niet helemaal gezuiverd kon worden. Aandacht verschoven van het bewustzijn naar de leefwereld, het geheel van vanzelfsprekendheden dat onze ervaring stempelt. Basis van Gadamers hermeneutiek en het vooroordeel! De leefwereld als brug tussen fenomenologie en hermeneutiek.
Continentale filosofen willen meer expliciteren en interpreteren, dan wel logisch ordenen zoals de analytische angelsakische filosofen.
In de hedendaagse filosofie hangen kentheorie en taalfilosofie vaak nauw met elkaar samen.
Rorty noemt de door hem voorgestane vorm van filosoferen hermeneutisch: de kunst van het interpreteren. Wat in de filosofie wordt geïnterpreteerd is niet de werkelijkheid, maar andere interpretaties. Ontleent aan Gadamer deze idee van spel van interpretatie en herinterpretatie, maar Rorty koppelt zijn hermeneutiek los van het bereiken van de waarheid.
Filosofie toont meer overeenkomst met de letteren dan met de (natuur)wetenschappen. Originaliteit en creativiteit zijn volgens Rorty betere criteria om filosofie te waarderen dan waarheid of objectiviteit.
1.3 Pragmatisme
1982
Consequences of pragmatism. De filosofie is, na de teloorgang van stromingen zoals de fenomenologie en de analytische filosofie, rijp voor de herontdekking van het pragmatisme: uitspraken beoordelen op hun consequenties, interpretaties vergelijken op hun bruikbaarheid.Pragmatisten: Charles Sanders Peirce (1839-1914) Wiliam James (1842-1910) en John Dewey (1859-1952). Amerikaanse stroming die opkwam aan het einde van de negentiende eeuw. Gebruikt de darwinistische idee, de sterkste overleeft: een bewering is waar zolang ze in gebruik voldoet. De pragmatisten streefden ernaar de traditionele statische waarheidsopvattingen te vervangen door een moderne, dynamische waarheidsopvatting.
Pragmatisme is verbonden met wetenschappelijke en sociale vooruitgang: filosofische betrokkenheid bij de maatschappij. Pragmatisme staat los van essentialisme.
1.4 Postmodernisme
Rorty wordt postmodernist genoemd, hij noemt zichzelf liever postnietzscheaans. Doorgaans wordt de term postmodern in de filosofie gebruikt ter aanduiding van hedendaagse filosofen die door Nietzsche zijn geïnspireerd: Baudrillard, Derrida, Foucault, Lyotard.
Postmodernisme wordt gekenmerkt door een zekere speelsheid, radicale diversiteit en subversiviteit, verlies van vooruitgangsgeloof, weigering om theoretische funderingen te geven, wantrouwen tegen rationaliteitsprincipes in het algemeen; meestal persoonsgebonden.
De strijd tussen de moderne (klassieke filosofen) en de postmodernisten draait om het idee rationaliteit.
Lyotard: We ordenen onze verhouding tot de werkelijkheid in reeksen verhalen (een begrip dat overeenkomt met het concept van taalspelen van Wittgenstein) en de traditionele filosofie zou deze verhalen willen ordenen in zogenaamd Grote Verhalen (over de orde van de geest, het subject, het proletariaat, de methode etc.) Lyotard definieert het postmodernisme als het wantrouwen tegen Grote Verhalen.
Rorty is pragmatischer, nuchterder en toegankelijker dan de Franse postmodernisten.
Rorty verdedigt conventionelere politieke standpunten: hij is sociaal democraat en liberalist.
Rorty’s liberalisme zoekt geen fundering, maar praktisering. Pragmatisme en liberalisme gaan goed samen.
2. Filosofie als kentheorie
Filosofie is een taalspel
(een geheel van gewoonten, instituties en regels) te midden van andere taalspelen als religie, wetenschap, kunst en politiek. Filosofie is niet ‘het enige’ taalspel. We kunnen niet op logische, methodologische, wijze vaststellen welke taalspelen kloppen. Er zijn geen neutrale, het taalspelniveau overstijgende criteria om taalspelen te beoordelen vlgs Rorty.Veel filosofen vatten de filosofie niet op als een taalspel te midden van andere taalspelen, maar als een discipline die de grondslagen en daarmee de speelruimte van taalspelen kan bepalen.
De filosofie als kentheorie houdt zich bezig met de manier waarop de menselijke geest tot een soort afbeelding van de werkelijkheid komt. Plato als grondlegger, vanaf 17de E. neemt natuurwetenschappen het recht over omtrent de aard van de werkelijkheid te praten. Dan is kennis van werkelijkheid het domein van de filosofie en het menselijk kenvemogen wordt het domein van de filosofie.
De voornaamste episoden id ontwikkeling van de filosofie als kentheorie zijn volgens Rorty:
Volgens Rorty is dit taalspel van kentheoretische filosofie van binnenuit, door de filosofen zelf, ondermijnd.
3. Twee soorten filosofie
Systematische filosofie, normale filosofen: houden zich aan de regels van het gangbare taalspel, blijven binnen de kentheoretische traditie in de filosofie. Het zijn de analytische filosofen. De illusie dat uitspraken direct betrekking hebben op de werkelijkheid. Hun taalspel biedt een zodanig houvast, in de vorm van een gedeelde achtergrond aan uitgangspunten en interesses, dat filosofen systematisch aan bepaalde problemen kunnen werken en daarover theoriën kunnen ontwikkelen.
Stichtende filosofie, abnormale filosofen: verzetten zich tegen het taalspel als funderende kentheorie en ontwikkelen ook geen systematische filosofie. Wel nieuwe taalspelen zoals Dewey, Wittgenstein en Heidegger, de voornaamste stichtende filosofen. Stichtende filosofen weten dat uitspraken hun betekenis niet ontlenen aan hun verhouding tot de werkelijkheid, maar aan hun verbinding met andere uitspraken binnen een taalspel.
Heidegger en de noodzaak om zich aan het gangbare taalgebruik te onttrekken: hij meende dat de filosofische traditie de wereld in feite steeds heeft opgevat als een verzameling 'zijnden': ideeën, substanties, vormen, entiteiten, fenomenen enzovoorts. Heidegger wil vanuit de waarheid van het Zijn denken en die waarheid is volgens hem de tijdelijkheid, de historiciteit van het Zijn. Woorden als Zijn en Wezen zijn bij Heidegger dan ook steeds bedoeld als werkwoorden en niet als statische concepten.
Twee tradities: Kant als sleutelfiguur van de systematische kentheoretische traditie, Hegel als die van de historicistische traditie, hij besefte dat alle denken tijd- en traditiegebonden is en de filosofie een voortdurende stroom is van herinterpretaties van eerdere interpretaties. Hegel ziet nog de mogelijkheid om zo tot waarheid te komen: Rorty distantieert zich daarvan.
- Filosofen uit de hegeliaanse traditie (zoals Rorty) denken of schrijven niet direct over de werkelijkheid, maar schrijven in hun teksten over de teksten van hun voorgangers en tijdgenoten. Traditie als schatkamer van bruikbare brokstukken. Filosofen uit de hegeliaanse traditie beschouwen filosofie als een literaire traditie waarbinnen men voortdurend commentaar levert op voorgangers. De teksten binnen deze traditie verwijzen niet direct naar de werkelijkheid, maar in eerste instantie naar andere teksten uit de traditie.
- Filosofen uit de kantiaanse traditie beschouwen filosofie als een zelfstandige discipline met eigen, min of meer tijdloze, problemen. Die problemen betreffen de verhouding tussen denken en werkelijkheid.
De kantiaanse traditie noemt Rorty Filosofie. Als het taalspel van de filosofie als kentheorie is verlaten, dan heeft de filosofie geen eigen object meer. De filosoof wordt dan commentator van zijn tijd, iemand die schrijft vanuit de vertrouwdheid met een bepaalde denktraditie. Argumenten functioneren indien geformuleerd in het gangbare taalspel. Wie dus buiten de kentheoretische traditie wil argumenteren moet een eigen taalspel ontwikkelen.
Van fundering naar conversatie:de Filosoof legt fundamenten bloot en lost problemen op, de nieuwe filosoof is één van de vele deelnemers aan de permanente conversatie die onze cultuur vormt, iemand die morele redenen heeft om conversatie boven fundament te verkiezen.
Leereenheid 48 p 217
PRAGMATISME, WAARHEID EN SOLIDARITEIT
1. Waarheid en spel
Rorty verwerpt de correspondentietheorie (waarheid stemt overeen met werkelijkheid) van de waarheid. We kunnen een uitspraak niet rechtstreeks met de werkelijkheid vergelijken, alleen vergelijken met andere concurrerende uitspraken: waarheid is niet een eigenschap van de werkelijkheid, maar van onze taal. Rorty zoekt geen neutrale waarheidscriteria die geldig zijn voor elk taalspel.
Coherentietheorieën proberen ook met behulp vd kentheorie algemene waarheidscriteria te ontwerpen. Volgens Rorty klopt de coherentietheorie van de waarheid indien we binnen één taalspel blijven en daar uitspraken met mekaar vergelijken, niet indien we de waarheid in het geheel van de taalspelen gaan zoeken.
Rorty steunt hiervoor op Thomas Kuhn en paradigma’s: een maatgevend voorbeeld in een bepaalde context. Kuhn stelt dat paradigma’s zich niet onpartijdig laten vergelijken in de natuurwetenschap: bvb newtoniaanse context anders dan aristoteliaanse Rorty trekt die stelling door naar de taalspelen (paradigma en taalspel toont grote overeenkomst). Rorty behandelt de natuurwetenschap consequent op één lijn met bijvoorbeeld kunst en politiek als gelijkwaardige maatschappelijke en culturele fenomenen.
Charles Sanders Peirce: bestreed de gedachte dat waarheid een vast criterium vormt om de geldigheid van beweringen af te meten. Waarheid is een compliment, dat een vorm van nut aanduidt: pragmatisch wil zeggen ‘heeft een bepaald nut’. William James bouwt daarop verder: waar is wat werkt, iets dat bruikbaar is.
Dewey bouwt daarop verder en vraagt: onder welke omstandigheden noemen we iets waar of bruikbaar? Door John Dewey is veel aandacht besteed aan controleerbare criteria voor bruikbaarheid. Bij Dewey verschuift de aandacht van kwalificaties als 'waar' of 'bruikbaar' naar de omstandigheden die het toekennen van dit soort kwalificaties rechtvaardigen. Dewey trekt kloof tussen theorie en praktijk, tussen wetenschap en waarden. Dewey had een instrumentalistische opvatting van wetenschap, het is een middel om maatschappelijke vooruitgang te realiseren.
Rorty meent met Dewey dat de rechtvaardiging van alle inspanningen, ook filosofische en wetenschappelijke, berust op hun praktische bijdrage aan de samenleving. Daarom geen scheiding tussen wetenschap, filosofie en politiek: het gaat hem erom om met verschillende middelen dezelfde doelstellingen te realiseren. Vrije discussies moeten hiervoor de leidraad vormen en alles wat dit in de weg staat moet opgeruimd worden (o.m. dus de Filosofische waarheidstheorieën) Rorty sluit hier aan bij Wittgenstein II.
Het pragmatisme is geen alternatieve waarheidstheorie
: het stelt vast dat de term 'waar' gebruikt wordt in die gevallen waarin mensen hun tevredenheid willen uitdrukken over het praktische succes dat met behulp van een bepaalde gedachte is behaald.Een positivist houdt vast aan de correspondentietheorie vd waarheid
, met de notie van representatie van de werkelijkheid.
Solidariteit vs objectiviteit:
vls Rorty moeten filosofen een keuze maken tss het streven naar solidariteit en dat naar objectiviteit.Het streven naar waarheid, zekere kennis of objectiviteit is niet alleen een illusie, het is ook onwenselijk. Pragmatisme is een keuze voor solidariteit: de pragmatiste verdedigt posities louter in termen van het belang van de leden van de gemeenschappen waarvan zij deel uit maakt.
Etnocentrisch relativisme = de betekenis van het begrip ‘waar’ is afhankelijk van de gangbare rechtvaardigingsprocedure voor uitspraken in de eigen samenleving.
De sociale wetenschappen vergroten ons gemeenschapsbesef door duidelijk te maken dat mensen van buiten onze cultuur en buitenstaanders in onze samenleving hetzelfde soort mensen zijn als wij. In die zin onderscheidt de sociale wetenschap zich niet principieel van journalistiek en literatuur.
Leereenheid 49 p 227
WIJ EN HET GOEDE
1. Het ware en het goede
Rorty behandelt het begrip ‘goed’ op dezelfde manier als ‘waar’: het houdt geen verwijzing in naar de essentie van de werkelijkheid, maar moet begrepen worden als een compliment – de begrippen ‘waar’ en ‘goed’ zijn dus geen betekenisloze termen.
In de fundamentalistische en essentialistische filosofische traditie probeert men voortdurend om achter het alledaags gebruik van termen als waar en goed een zuivere essentie te ontwaren. Plato en Moore. Die essentie zou dan moeten corresponderen met de werkelijkheid.
Voor het articuleren van de moraal van een samenleving zijn de journalistiek en romans relevant. Nietzsche’s filosofie kan beschouwd worden als onderdeel van de romantiek.
2. Moraal, solidariteit en etnocentrisme
In zijn ideeën over moraal is Rorty sterk beïnvloed door de Amerikaanse analytisch filosoof Wilfred Sellars
. Volgens Sellars is moraal een kwestie van erkenning van anderen als medeleden van een bepaalde gemeenschap als één van ons. Onze moraal strekt zich uit tot degenen met wie wij ons kunnen identificeren. Rorty verzet zich tegen de pogingen van het christendom en de kantiaanse filosofie om de moraal te funderen in het mens-zijn als zodanig. Met wie we ons solidair voelen of wanneer we vinden dat er een morele grens is overtreden, wordt in feite bepaald door min of meer contingente historische omstandigheden.Rorty gelooft niet in universele solidariteit. Hij gelooft wel dat geleidelijk aan meer groepen mensen tot dezelfde gemeenschap kunnen gaan behoren. Moraal is een kwestie van wij-intenties, het vermogen om anderen te zien als één-van-ons. Dit gevoel wordt het beste overgebracht door de journalisten en de romanschrijvers. Filosofen hebben daarentegen, in navolging van Plato, het christendom en Kant, de neiging om moraal te situeren op het niveau van de mensheid als geheel en de mens als zodanig. Moraal wordt hierdoor meer iets abstracts dan onmiddellijke solidariteit met 'één van ons'.
Tegenover wie zijn we verantwoordelijk voor ons gedrag?
- hegeliaans: tegenover de medeleden van de gemeenschap. Er zijn geen beoordelingscriteria die de context van een bepaalde historisch en sociaal gesitueerde gemeenschap te buiten gaan.
- kantiaans: tegenover de mensheid. Moraal is uiteindelijk gebaseerd op universeel geldige criteria voor moraliteit en rationaliteit.
Rorty beschouwt Hegel als een denker die uitgaat van historiciteit, vs Gadamer die Hegel beschouwt als een denker die uit is op totaliteit. Rorty neemt afstand van de totaliteit.
Wij zijn gewend over onze eigen westerse morele traditie te spreken in universalistische termen zoals vrijheid, gelijkheid, mensenrechten... Volgens Rorty moeten we deze begrippen niet universalistisch opvatten, maar als een uitdrukking van wat ‘wij’ willen dat ‘onze’ mensen zou toekomen, een etnocentrisme.
Rorty verzet zich tegen de kantiaanse filosofie van John Rawls die in een individu een harde universele en rationele kern onderscheidt van anderzijds een geheel aan toevallige, particuliere omstandigheden.
Rorty (cf Freud) beschouwt een individu als een netwerk van overtuigingen, wensen en gevoelens, waarvan sommige aspecten overlappen met de wensen van andere mensen.
Hij weerlegt de verwijten tegen zijn relativisme: Rorty beschouwt zijn eigen filosofie niet als relativistisch. Er zijn wel criteria voor waarheid, maar die zijn alleen mogelijk binnen eenzelfde taalspel. Hij stelt dat relativisme net zo pretentieus is als fundamentalisme.
Een hegeliaanse verdediging houdt in dat voor de eigen moraal geen aanspraak kan worden gemaakt op universele geldigheid. Onze liberale moraal echter wordt van oudsher verdedigd in kantiaanse universalistische termen. De paradox is een hegeliaanse verdediging van kantiaans gedachtengoed.
De eigen moraliteit van de gemeenschap kan worden afgemeten aan een praktische vergelijking tussen de eigen praktijken en die van andere gemeenschappen, niet aan de standaarden van een moraal die voor alle gemeenschappen geldt.
3. Liberalisme en moraal
Etnocentrisme: moraal is een kwestie van identificatie met de leden van de eigen gemeenschap. (etnocentrisme is niet iets dat wreedheid tegen vreemdelingen in de hand werkt)
Moraal is niet gebaseerd op universele noties als mensenrechten of menselijke waardigheid.
De gangbare associatie van etnocentrisme met in zichzelf gekeerdheid van een samenleving gaat vlgs Rorty niet op: ons liberalisme is kosmopolitisch en open voor buitenstaanders.
Liberalisme volgens Judith Shklar is afkeer van wreedheid. Moreel goed zou zijn wreedheid vermijden. Journalisten en romanschrijvers kunnen dus meer doen voor moraal dan filosofen omdat ze het lijden van anderen kunnen laten zien.
Concepten als filosofie en theorie zijn nog verbonden met de illusie dat we aan de beperkingen van contingente vocabulaires kunnen ontsnappen door te onderzoeken in hoeverre vocabulaires overeenstemmen met de werkelijkheid.
Rorty beschouwt de wereld als een contingente veelheid van verhalen
, opeenvolgend en onachterhaalbaar.
Leereenheid 50 p 237
FILOSOFIE IN DIENST VAN IRONIE EN LIBERALISME
- Particuliere betekenis van filosofie: middel voor reflexief individu om uiting te geven aan de worsteling met de contingentie van hun bestaan.
- Publieke betekenis van filosofie: één van de middelen waarmee de leden van een samenleving communiceren over hun hoop en verwachtingen.
Het eerste is ironie, het besef van de onophefbare contingentie van het eigen bestaan, het tweede is het liberalisme, de hoop van de westerse burgerij.
Ironie en liberalisme kunnen niet onder één overkoepelende filosofie samengaan.
1. De scheiding tussen particulier en publiek
De moraal draait volgens Rorty om de 'wij-intenties' van de leden van een bepaalde gemeenschap. Een belangrijk element in Rorty’s antifundamentalisme en zijn solidariteitsethos is de contingentiegedachte: het had ook anders kunnen zijn. De werkelijkheid wordt door ons niet gevonden, maar gemaakt.
Spanning tussen een particulier besef van contingentie en de publieke verplichtingen tov de samenleving anderzijds: Rorty: we moeten beide van mekaar scheiden.
Ironie is het besef van de contingentie van het eigen bestaan: ironici worstelen met het besef dat het bestaan geen eigen kern heeft, maar afhangt van omstandigheden waar ze geen vat op hebben. Rorty interpreteert hun werk, literatoren zoals Kierkegaard, Nietzsche, Heidegger en Foucault, Baudelaire, Proust, Nabokov als de neerslag van die worsteling; ze creëren een eigen vocabulaire, een eigen identiteit.
Daarnaast onderscheidt Rorty auteurs die zich bezighouden met publieke regels, zoals Marx (socialisme), John Stewart Mill (nut en de vrijheid), Dewey (vooruitgang), Rawls (samenleving met een rechtvaardige grondstructuur) en Habermas (rationele samenleving): deze doen beroep op onze solidariteit, zij schrijven in dienst van maatschappelijke doelstellingen.
Ironie en solidariteit kunnen theoretisch niet met elkaar verzoend worden. Rorty’s liberaal utopia: een cultuur die doortrokken is van het besef van contingentie. Individuen hebben daarin de ruimte om autonoom te zijn en toch solidair, en publieke spelregels zijn niet vaststaand maar veranderlijk.
De liberale ironicus: erkent de contingentie van zijn meest centrale overtuigingen en verlangens. Wreedheid is het ergste dat mensen zich aandoen.
2. Literatuur en filosofie
Literatuur kan leiden tot uitbreiding van het domein van de wij-intenties, het dient een publiek doel. Goede literatuur dient vooral het liberalisme, omdat we ons beter in de vele vormen van wreedheid en in de slachtoffers daarvan kunnen verplaatsen. Literatuur zou vooral publiek doel dienen, filosofie eerder een particulier doel.
Het morele en het esthetische zijn niet te scheiden.
Het begrip esthetisch suggereert te veel dat kunst niet relevant is voor ons handelen: autonomie en zelfontplooiing herbergt zowel moraal als esthetisch.
3. Pragmatisme en de politieke inzet van de filosofie
Pragmatisch optimisme: tegen radicale revolutie (Heidegger, Sartre, Foucault) en tegen resignatie (Lyotard), maar vóór een progressieve praktische houding (Dewey): pragmatisme kan bijdragen tot vooruitgang. Filosofen kunnen geen aanspraak maken op een bijzondere vorm van kennis inzake politieke kwesties.