Leereenheid 39 p75

WITTGENSTEINS ‘TRACTATUS’: TAAL ALS AFBEELDING VAN FEITEN

 

Leerdoelen: kunnen
- enkele kenmerken van het logisch atomisme aangeven
- enkele verschillen met de filosofie van Russell geven
- de centrale thematiek van Tractatus weergeven
- de afbeeldingstheorie van de taal uiteenzetten

1. Wittgensteins leven: 1889-1951

Geboren op 26 april 1889 te Wenen. Rijke familie, industrieël. Joodse familie, katholieke opvoeding.
Vier broers, drie pleegden zelfmoord. Technische studie, aëronautiek.
1912 Studie filosofie bij Bertrand Russell te Cambridge.
Russell & Whitehead, Principia Mathematica (1910-1913). Wittgenstein helpt bij de tot stand koming van dit werk.
Eerste wereldoorlog vrijwillig bij het Oostenrijkse leger, daarna schoolmeester in Oostenrijk.
1921 Tractatus logico-philosophicus: lost AL de filosofische problemen op!
Invloed op de Wiener Kreis en het logisch positivisme.
Een nieuw filosofisch begin te Cambridge. Werkt aan de weerlegging en verbetering van de Tractatus. 1939 Hoogleraar te Cambridge
Overleden 1951 te Cambridge.
1953: Philosofische Untersuchungen (weerlegging van de Tractatus)
Het verband tussen Wittgensteins filosofie en zijn persoonlijke of culturele achtergrond is problematisch.


2. Het logisch atomisme

Bertrand Russell (1872-1970) en Wittgenstein. W. baseert zich voor een stuk op de theorie van het logisch atomisme van Russell. Vernieuwingen in de logica door Russell en Frege (1848-1925): de Propositielogica, formele redeneringen in plaats van taal. Uitsluitend de formele structuur (niet de inhoud) van de redeneringen is van belang: met willekeurige beweringen zoals de variabelen ‘p’ en ‘q’ probeert men de gemeenschappelijke vorm van redeneringen bloot te leggen. In de propositielogica wordt het verband tussen redeneringen en de werkelijkheid buiten beschouwing gelaten.

Atomaire en moleculaire proposities: enkelvoudige beweringen = atomair, kunnen verbonden worden door connectieven zoals ‘en ‘ en ‘of’, en vormen zo samengestelde (moleculaire) beweringen.
De propositielogica wordt gekenmerkt door waarheidsfuncties. De mogelijkheden kunnen worden gerangschikt in een waarheidstabel (1=waar, 0=onwaar). Waarheidsfuncties voldoen aan vaste regels.
Beweringen waarvan de waarheidswaarde louter een functie is van de waarheidswaarden van hun bestanddelen noemt men waarheidsfunctioneel of extensioneel. (Willem-Alexander en de troonopvolger van Beatrix zijn extensioneel, kunnen mekaar vervangen zonder de waarheid in de zin ‘Claus is de vader van..’ te wijzigen) Extensionaliteit is heel geschikt voor de wiskunde en de natuurwetenschappen, maar ongeschikt voor psychologisch taalgebruik (Jan gelooft dat W-A de zoon van Claus is). Psychologisch taalgebruik speelt in de Tractatus daarom ook geen rol van betekenis.

Logisch atomisme is een verstrengeling tussen logica en ontologie in de filosofie van Russell en de vroege Wittgenstein. Zij gaan er van uit dat uit de structuur van de logica valt af te leiden hoe de werkelijkheid is ingericht.
De klassieke metafysica is volgens Russell altijd gebaseerd geweest op de omgangstaal. Russell kent daarom een ideale taal gebaseerd op logica, los van de omgangstaal.

Pluralistische ontologie: atomisme: de wereld bestaat uit een hoeveelheid losse en onderling niet samenhangende feiten. Pluralistisch vs monistisch: monistische ontologie: alle feiten zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden en de werkelijkheid is fundamenteel één.

Feiten zijn vlgs Russell die dingen die een bewering waar of onwaar maken. Er zijn complexe en atomaire feiten (analoog met de beweringen zijn complexe feiten opgebouwd uit atomaire feiten). Particularia zijn enkelvoudige, ondeelbare kleinste eenheden van de werkelijkheid. ‘Dit is wit’

Wittgenstein heeft andere opvatting over ‘complexe’ en ‘atomaire’, hij heeft ook geen ideale taal maar probeert aan te tonen dat onder de grammatica van de omgangstaal een strikt logische structuur schuilgaat, en W. heeft ook een andere visie op de metafysica. De verborgen structuur van de omgangstaal onttrekt zich niet principieel aan het menselijk inzicht.


3. De ‘Tractatus logico-philosophicus’

3.1 De opbouw van de ‘Tractatus’

Genummerde uitspraken: 1, 1.1, 1.11, enz.

Zeven basisuitspraken:

  1. De wereld is alles wat het geval is;
  2. Wat het geval is, het feit, is een bestaan van connecties;
  3. Het logische beeld van de feiten is de gedachte;
  4. De gedachte is een zinvolle volzin;
  5. De volzin is een waarheidsfunctie van de elementaire volzinnen;
  6. De algemene vorm van de waarheidsfunctie is de algemene vorm van de volzin;
  7. Van dat waarover niet gesproken kan worden moet men zwijgen.


De stellingen van het boek vormen geen deductief systeem. De stellingen hoeven niet in een bepaalde volgorde te worden gelezen.
Over ethiek en waarden in het algemeen wordt in het boek niks gezegd, maar dat is alles behalve een willekeurige weglating (stelling 7). Het belangrijkste doel van de afbeeldingstheorie is namelijk om aan te tonen dat over waarden logischerwijze helemaal niets gezegd kan worden.

3.2 De wereld van feiten en dingen
De wereld is de totaliteit van de feiten, niet van de dingen. Dit in tegenstelling tot Russell die beweerde dat de complexiteit van de feiten te herleiden is tot wat werkelijk bestaat: de particularia. W. zegt: de complexiteit is de werkelijkheid en hiervan kunnen we kennis hebben, niet van de enkelvoudige dingen. Volgens Wittgenstein bestaan deze wel, maar kunnen we er geen kennis van hebben.

De connecties zijn het resultaat van logische analyse, het zijn de kleinste feiten. Een connectie is geen element op zich, geen losse verzameling van dingen, maar een connectie is een geheel waarvan de elementen zich op een bepaalde manier tot elkaar verhouden zoals de schakels in een ketting. Niets houdt de schakels (de dingen) bijeen, behalve het feit dat ze zich op een bepaalde manier tot mekaar verhouden, in mekaar passen. Een ding bestaat alleen maar in een connectie.

Dingen zijn kleurloos en hebben geen materiële eigenschappen: een witte vlek is dus geen ding (geen particulare zoals bij Russell), maar een contingent feit. (de vlek mag ook zwart zijn) Feiten kunnen altijd anders zijn dan zij nu eenmaal zijn en aangezien de wereld de totaliteit der feiten is, zou de wereld ook anders kunnen zijn dan zij is .

Dingen kunnen niet contingent zijn, ze zijn vast.
Het kunnen voorkomen in bepaalde connecties is wezenlijk voor de dingen. (wezenlijker is dat ze kunnen voorkomen, niet of ze feitelijk ook echt voorkomen)

Tweede kenmerk: Dingen hebben een logische vorm: op grond van hun logische vorm kunnen bepaalde dingen alleen maar in bepaalde connecties voorkomen, niet in andere. (een toon heeft geen kleur, en een vlek geen toonhoogte)

? Verschil tussen connectie en feit

Feiten behoren tot de categorie connecties. Connecties zijn alle mogelijke verbindingen die dingen van een bepaald type kunnen aangaan. Feiten zijn de bestaande verbindingen, de bestaande connecties.


4. De afbeeldingstheorie

Als deze ontologie van feiten gegeven is, hoe moet de taal er dan uitzien om de wereld te representeren? Overeenkomst tussen de structuur van de wereld en de taal (ook bij Russell).
De omgangstaal is vaag en niet geschikt voor metafysische doeleinden: Russell: de ideale taal ontwikkelen vs Wittgenstein: de omgangstaal volstaat, logische analyse toont de verborgen structuur van de omgangstaal. Die structuur wordt gevormd door de atomaire beweringen.

Atomaire beweringen beelden feiten af. Naturalistische gelijkenis is geen voldoende voorwaarde voor een correcte afbeelding. Ieder beeld moet een gelijkenis in logische vorm met zijn voorbeeld vertonen: de formele structuur. Groeven in een grammofoonplaat := notenschrift = de geluidsgolven: een identieke logische vorm indien ze alle evenveel elementen bevatten en deze dezelfde verhoudingen tot elkaar hebben.

Zoals feiten bestaan in de wereld en beelden uit elementen, die een onderlinge structuur vertonen, zo bestaan atomaire beweringen uit woorden die een onderlinge structuur vertonen.

De atomaire volzin functioneert als afbeelding.

Wittgenstein heeft met zijn afbeeldingstheorie geprobeerd aan te tonen dat taal en wereld dezelfde logische vorm hebben, om zo te verklaren hoe taal de feiten beschrijft. De afbeeldingstheorie beschrijft universele kenmerken van de taal. De afbeeldingstheorie van de taal sluit aan bij de traditionele correspondentietheorie van de waarheid.


5. Samenvatting

Russell versus Wittgenstein

Overeenkomsten:

Verschillen:

Russell: de kleinste elementen staan op zichzelf als delen van het complexe,

Wittgenstein: de dingen bestaan uitsluitend in verbinding met andere dingen: dergelijke enkelvoudige dingen bestaan niet op zichzelf

Russell kent particularia die bestaan in de materiële werkelijkheid,

Wittgenstein treft alleen maar feiten in de wereld aan, de dingen zijn formeel en niet inhoudelijk;

Russell construeert een ideale taal, Wittgenstein analyseert de omgangstaal.

Wittgenstein besteedt in zijn Tr. geen aandacht aan culturele en historische vraagstukken.

Wittgensteins Tractatus heeft veel invloed uitgeoefend op het logisch positivisme (en baseert zich zelf voor een stuk op het logisch atomisme)

HET ZEGBARE EN HET ONZEGBARE

Noodzakelijk (on)ware uitspraken zijn vlgs de afbeeldingstheorie niet mogelijk.

 

1. Het probleem van (on)ware uitspraken

Wanneer men er van uitgaat dat een uitspraak alleen betekenis heeft indien met de uitspraak een feit correspondeert, dan moet men eerst het feit kennen voordat men de betekenis van de uitspraak kan begrijpen. Het feit dat met de uitspraak correspondeert is de betekenis.
Wat is dan de betekenis van onware uitspraken of van nieuwe uitspraken? Ze corresponderen niet met een feit, hebben dus ook geen betekenis?

De betekenis van uitspraken staat los van haar waarheid. De afbeeldingstheorie kan betekenis en waarheid scheiden doordat zij een verschil aanbrengt tussen namen en beweringen. Het probleem van ware en onware uitspraken komt dan voort uit het niet uit elkaar houden van namen en beweringen.

Het onderscheid tussen namen en beweringen: namen zijn de kleinste atomaire analyse-eenheden. Configuraties van namen corresponderen met configuraties van voorwerpen.

Hypothetische namen moeten worden gepostuleerd (onbewijsbaar, maar aanvaarden) als kleinste element van de taal, zodat taal volledig en exact is. Er moeten uitspraken zijn die direct begrepen kunnen worden: dit zijn atomaire uitspraken, configuraties van namen.

Namen benoemen voorwerpen (beelden de dingen niet af), beweringen beelden situaties af (maar benoemen niet). De betekenis van een naam is het ding, ligt in de werkelijkheid. De betekenis van een volzin zit in de volzin zelf, in de compositie van namen. Zo kunnen (gekende) namen in een nieuwe combinatie in een volzin staan en iets ‘nieuw’ betekenen. Dus nieuwe en onware uitspraken kunnen wel betekenis hebben.


Waarheid als correspondentie tussen volzin en feit: de correspondentietheorie zegt dat een uitspraak waar is als ze met de werkelijkheid correspondeert, en onwaar als ze niet correspondeert.

Wittgenstein voegt hieraan iets toe: de correspondentie met een ‘feit’: vlgs W; is een uitspraak waar als ze correspondeert met een feit, en onwaar indien niet. Waarheid kan voor W. enkel vastgesteld worden via vergelijking met feiten. A priori ware uitspraken bestaan niet in deze theorie. In de Tr. werkt Wittgenstein het traditionele correspondentiemodel van de waarheid uit met logische middelen.


2. Het onzegbare: de logische vorm

Het voornaamste doel van de Tractatus is aan te geven waar de grens van het zegbare ligt. Wat geldt als een zinvolle uitspraak en wat niet?

Zinvolle uitspraken zijn afbeeldingen van mogelijke situaties. Ware uitspraken zijn met succes getoetste zinvolle uitspraken. Het gebied van het zegbare wordt zo beperkt tot empirische uitspraken.

Extensionaliteit: de waarheidswaarde van complexe uitspraken wordt bepaald door de waarheidswaarde van atomaire uitspraken. Via inventarisatie van al de atomaire uitspraken (bvb natuurwetenschappen) kan de hele wereld in kaart gebracht worden.

Noodzakelijke uitspraken zoals cogito ergo sum of de wet van de contradictie (twee tegengestelde uitspraken kunnen nooit tegelijk waar zijn) zijn tautologisch, altijd waar, zonder correspondentie met de werkelijkheid.

De uitspraken van de logica zijn geen echte uitspraken, ze zeggen niets over de wereld. Alle logische waarheden worden door Wittgenstein tautologieën genoemd. Een tautologie is waar ongeacht wat in de werkelijkheid het geval is. Een contradictie beeldt ook geen mogelijke situatie af en is evenmin een zinvolle bewering . Zinvolle uitspraken moeten waar en onwaar kunnen zijn (empiri)

Wittgenstein acht de logica zinloos (tautologie) en de metafysica onzinnig (verwaarloost het onderscheid tussen feiten en waarden). Logische tautologiën zijn geen onzin omdat zij de logische eigenschappen van taal en de wereld tonen. Metafysische uitspraken zeggen niets en tonen niets, zijn totaal onzinnig! In de Tr. wil Wittgenstein aantonen dat het wèl mogelijk is om een filosofische ontologie te ontwerpen.

Het onderscheid tussen zeggen en tonen: de noties overlappen mekaar niet: wat zich zegt, toont zich niet en omgekeerd. De logische waarheden tonen zich, zijn onzegbaar, niet in woorden te vatten. Om te kunnen zeggen wat logische vorm is, zou men over een taal moeten beschikken die zelf geen logische vorm bevat. Een taal zonder logische vorm is evenwel een onlogische taal en een onlogische taal kunnen wij ons niet denken. Omgekeerd is het niet mogelijk om de logische vorm te beschrijven in een taal die wel een logische vorm bezit (circulair).


3. Het onzegbare: het mystieke

Tot het onzegbare rekent W. niet alleen de logische vorm, ook het mystieke, de waarden.

Alle waarden zijn onzegbaar; Wittgenstein noemt ze mystiek. Ethische, esthetische en religieuze waarden zijn onzegbaar. De paradox van de Tractatus: datgene waarover in het boek niet gesproken wordt is het belangrijkste van het boek.

De zin van de wereld moet buiten haar liggen. Buiten de wereld in logische, niet in ruimtelijke zin. De metafoor binnen-buiten slaat op de radicale scheiding van waarden en feiten. Buiten de wereld (de verzameling contingente feiten) ligt alles wat geen feit is. De wereld is eindig omdat in de wereld bepaalde dingen niet gezegd kunnen worden. Het mystieke is het inzicht in deze begrenzing.

Waarden zijn geen feiten en daarom geen deel van de wereld, waarden drukken een ‘behoren’ een ‘moeten’ uit. Het mystieke of absolute waarden zijn geen afbeelding van iets en zijn onzegbaar, maar ze tonen wel iets.

Radicaal onderscheid tussen waarden en feiten. Over de ethiek kan men niet spreken, want ethiek heeft niets met feiten te maken. Relatieve waardeoordelen kunnen altijd vertaald worden in feitelijke beweringen, absolute waardeoordelen nooit. Absolute waarden zijn onafhankelijk van de feiten, ze liggen buiten de wereld.

De metafysica is onzinnig omdat zij het onderscheid tuseen waarden en feiten verwaarloost, over waarden redeneert en ethische bewijzen opstelt alsof het feiten zijn.

4. De invloed van de Tractatus

Wiener Kreis tracht de ideeën van de Tractatus te benutten voor de uitwerking van een wetenschappelijk wereldbeeld, het logisch positivisme. Ze geven een strikt empirische interpretatie van het logisch atomisme. In de Tractatus is hierover niets te vinden.


Leereenheid 41 p109

TAALSPELEN, GEBRUIK EN BETEKENIS

 

1. De ‘Philosophische Untersuchungen

Postuum gepubliceerde aforismenbundel waarin Wittgenstein min of meer afstand neemt van de Tractatus.

Opbouw van de Philosophische Untersuchungen:

2. Het augustiniaanse beeld van de taal

Het augustiniaanse beeld van de taal is niet specifiek voor Augustinus, maar omvat vooral het logisch atomisme en het logisch positivisme. Het heeft de volgende kenmerken:

Woorden hebben betekenis doordat zij dingen benoemen; zinnen zijn verbindingen van namen; ieder woord heeft één betekenis, het object waar het voor staat;

Wittgenstein is geen voorstander van een augustiniaans beeld van de taal.
Wittgenstein wil aantonen dat het augustiniaanse beeld van de taal een eenzijdige nadruk legt op twee verwante functies van de taal: benoemen van dingen en het beschrijven van situaties.
Is ook van toepassing op de Tractatus. Wittgenstein heeft nu kritiek op het eenzijdige gebruik van de benoemende functie van de taal.

Primitieve taalspelen zijn primitieve gevallen van woordgebruik. Zij moeten duidelijk maken dat woorden instrumenten zijn. Woorden zijn een multifunctioneel gereedschap. De betekenis van woorden is hun gebruik.

Taal leren via ostensieve (=aanwijzende) definities. De ostensieve definities funderen de taal op de werkelijkheid.

Ostensieve definities funderen altijd binnen de context van de taalspelen. Zij kunnen niet op zichzelf de betekenis van een woord vastleggen.

Kritiek op Russells opvatting van ostensieve definities als het fundament van de taal: ze vooronderstellen zelf taal, kunnen dus niet het fundament zelf van de taal zijn.


3. Namen en hun verhoudingen tot de dingen

Logisch atomisme: een bewering heeft uitsluitend een exacte betekenis indien ieder woord een betekenis heeft.
Kritiek van Wittgenstein: De betekenis van een naam is niet identiek aan de drager van die naam. De begrippen 'betekenis' en 'drager van de naam' zijn niet verwisselbaar, niet synoniem.

Hij vergelijkt de ‘voorwerpen’ uit de Tractatus en de ‘particularia’ van Russell met de ‘oerelementen’ van Socrates. Een systeem van oerelementen gaat uit van de onjuiste aanname dat er enkelvoudige elementen zijn. Enkelvoudigheid is vlgs W. een relatief begrip. Het is afhankelijk van de context van een bepaald taalspel.


4. Taalspelen

Wittgenstein II bekritiseert vlgde opvattingen uit de Tractatus:

  1. de enige functie van de taal is het benoemen van dingen;
  2. ostensieve definities funderen de taal op de werkelijkheid;
  3. uit het bestaan van enkelvoudige namen kan het bestaan van enkelvoudige dingen worden afgeleid
  4. Het geheel van de taal en de activiteiten die met taal zijn verweven is een taalspel. Taal en menselijk handelen zijn onlosmakelijk verbonden, taal is een deel van een levensvorm.

    Er bestaan talloze uiteenlopende taalspelen die niet aan gemeenschappelijke regels gebonden zijn. Men zou ze kunnen onderverdelen in groepen, maar dat is ook weer een taalspel.

    In de Tractatus is de beschrijvende volzin de eenheid van zinvol taalgebruik, het taalspel vervult deze functie in Wittgensteins latere werk. In de Tractatus hebben namen alleen betekenis in een bepaalde onderlinge verbinding, in het latere werk hebben woorden alleen betekenis binnen een taalspel. Tot daar de gelijkenis tss volzinnen en taalspelen.

    Taalspelen zijn veel minder uniform dan volzinnen, ze zijn juist geïntroduceerd om te wijzen op het ontbreken van uniformiteit in de taal. Anti-essentialisme, Wittgenstein keert zich tegen het zoeken naar de essentie van de taal en werkelijkheid.

    Familiegelijkenissen: Ieder object deelt eigenschappen met elke ander object, er is geen algemeen gemeenschappelijk kenmerk, geen algemene overeenkomst. Tussen de vele verschillende taalspelen bestaat een familiegelijkenis.

    Het gebruik van 'vaag' taalgebruik (verwijzend naar familigelijkenissen) kan net zo praktisch zijn als exact taalgebruik. Het contrast tussen exact en vaag is niet altijd relevant.
    Tractatus zegt: de omgangstaal lijkt vaag maar diep verscholen ligt de kristalheldere vorm. W.II spreekt dat nu tegen.


    5. De filosofie van de omgangstaal

    Volgens de Tractatus is het de taak van de filosofie om de logische vorm van empirische uitspraken te beschrijven. Wittgenstein heeft nu kritiek op het dogmatisme van de Tractatus. De omgangstaal bevat geen onderliggende logische vorm die alleen door een filosoof kan worden opgediept. Dogmatisch is het uitgangspunt van de Tractatus dat, ofschoon van atomaire volzinnen nog geen voorbeelden gegeven kunnen worden, later atomaire volzinnen ontdekt zullen worden.
    De fout die hij maakte in de Tractatus is dat hij uitging van één geval van taalgebruik, beschrijvingen, en uit dit ene geval het wezen van de taal wilde afleiden.

    De omgangstaal is het uitgangspunt van de filosofie, maar ook een bron van problemen doordat filosofen haar augustiniaans interpreteren en geen oog hebben voor het instrumentele karakter van de taal. De betekenis van taal is verweven met allerlei handelingen en praktijken.

    Filosofische problemen ontstaan niet doordat men de ware logische vorm van de taal niet ziet, maar doordat men het gebruik van de taal niet kent. Volgens W. II is het opruimen van dergelijke misverstanden de voornaamste taak van de filosofie.

    Volgens de Ph. Untersuchungen moet een filosofische analyse van de taal het gebruik dat men van de taal maakt NIET buiten beschouwing laten.

    In de Tr. stelt W. dat de regels van de taal wel een ontologische noodzaak bezitten.

    In de Ph. Untersuchungen zegt W. niet dat de essentiele functie van de taal is het benoemen van enkelvoudige dingen.

    Leereenheid 42 p123

    GRAMMATICALE REGELS EN LEVENSVORMEN

     

    1. De autonomie van grammaticale regels

    Er zijn twee soorten regels vlgs de Tr.. Het eerste type bepaalt wat de combinatie-mogelijkheden van atomaire volzinnen zijn, het zijn de regels voor de logische connectieven. Het tweede type regels geldt voor namen, en bepalen welke combinaties met andere namen mogelijk zijn. Volgens de Tractatus bezitten de regels van de taal een ontologische noodzaak, ze weerspiegelen de logische structuur van de wereld. De taal legt de essentie van de wereld bloot.
    In de Filosofische onderzoekingen zijn de regels van de taal daartegen autonoom. Taalspelen worden niet afgelezen van de feiten, maar worden eerder opgelegd aan de feiten.

    De regels van de taalspelen noemt W. grammaticale regels. Grammaticale regels komen in de plaats van syntactische regels uit de Tractatus.
    Grammaticale regels bepalen wat een zinvolle uitdrukking in de taal is. Ze bepalen niet wat een ware of onware uitspraak is. (idem de logisch-syntactische regels van de Tr.)

    Wittgenstein heeft het over een andere vorm, een bredere, grammatica dan in de linguistiek.

    Grammaticale regels zijn de spelregels van de taalspelen. Ze zijn in hoge mate autonoom d.w.z. onafhankelijk van de werkelijkheid.

    Wittgenstein legt uit dat de betekenis van woorden bepaald wordt door hun gebruik.

    Een woord is als een schaakstuk in die zin dat beide slechts betekenis krijgen door de regels die voor hen gelden. Het schaakstuk is niet het ‘ding’, ook niet een stukje hout van een bepaalde vorm, maar de betekenis van het schaakstuk is het geheel van regels dat het gebruik van het stuk bepaalt. Wittgensteins uitweg uit het filosofisch dilemma omtrent de betekenis van woorden: het gebruik van de regels sticht betekenis.

    Er zijn twee soorten regels: autonome, arbitraire regels en niet-arbitraire regels (culinaire bvb, het opmeten van een kamer is niet-arbitrair, de keuze voor centimeters ipv inches wel)

    Tractatus: de regels van de afbeeldingstheorie weerspiegelen de ware aard van de werkelijkheid, taal en werkelijkheid identiek in opbouw, logische verhouding etc....
    Philosophische Untersuchungen: betekenis van taal wordt nu bepaald door de regels van de taalspelen, en die vloeien niet voort uit de aard van de werkelijkheid, maar zijn arbitrair, ons taalspel is niet het enig mogelijke – taalspelen zijn geen weerspiegeling van de ware en noodzakelijke structuur van de feiten. De regels van de taalspelen zijn autonoom (= niet afhankelijk) tov de werkelijkheid


    2. Van logische vorm naar levensvorm

    Taalspelen zijn niet volkomen arbitrair, ze fungeren binnen levensvormen. Menselijke levensvormen bestaan uit feiten die het natuurlijke geraamte vormen waarbinnen wij onze taalspelen spelen.

    Taalspelen zijn arbitrair in de zin dat zij geen afspiegeling vormen van de essentie van de werkelijkheid. Tegelijkertijd zijn zij niet arbitrair, maar gebonden aan feiten uit de menselijke levensvorm.
    Levensvormen nemen in de Philosophische Untersuchungen de rol over die de logische vorm in de Tractatus speelde. Zoals in de Tractatus de omgangstaal een verborgen logische vorm vooronderstelt, zo vooronderstellen taalspelen levensvormen.
    Wij kunnen alleen taalspelen begrijpen die overeenstemmen met onze levensvorm.

    Levensvormen zijn geen verborgen structuren zoals de logische structuren dat wel zijn, maar bestaan uit zichtbare, tastbare en hoorbare feiten. De feiten van levensvormen zijn geen ontologische noodzaak, zoals de dingen uit de Tractatus, maar zij zijn contingent..

    Levensvormen vindt men niet na logische analyse, na abstractie van de feiten, maar juist door oog te hebben voor de feiten en ze te beschrijven. De natuurfeiten die Wittgenstein tot onze levensvormen rekent zijn biologisch, psychologisch en antropologisch van aard. Ze zijn het product van de evolutie, ze behoren tot de natuurlijke historie. De natuurlijke historie beschrijft feiten des levens die onaanvechtbaar zijn en niet pas door logische abstractie gevonden kunnen worden.

    Levensvormen zijn contingent, niet noodzakelijk. De levensvormen bestaan niet uit ideale logische wetten en regels maar uit natuurfeiten, en deze zijn contingent. Levensvormen zijn wel vaststaand en zeker. In de Tractatus zijn alle uitspraken contingent over de feiten, en ook de feiten zelf zijn contingent. Maar de verbindingen die de dingen kunnen aangaan liggen vast – de logische vorm.

    Fictieve taalspelen zijn bruikbaar om aan te tonen dat onze taalspelen geen essentie weergeven.

    Zonder overeenstemming in levensvorm is een taalspel zinloos: het gebruik van een regel is niet eenmalig maar krijgt een bindend karakter door gewoontevorming. Er zijn meerdere mensen bij betrokken. Zo moeten mensen overeenstemmen in het gebruik van bvb maateenheden, smaakdiscriminaties, etc...


    3. Taalspelen en ethiek

    Ethiek is geen belangrijk thema in de Philosophische Untersuchungen. De implicaties voor de ethiek van de taalspel-theorie volgt uit het anti-essentialisme.
    Anti-essentialisme: de woorden zijn geen op zichzelf staande essenties.

    Voor de ethiek betekent dit dat het onzinnig is om te zoeken naar de essentie van bijvoorbeeld woorden als goed, kwaad, rechtvaardig, enzovoorts. Goedheid bestaat uitsluitend in de context van een bepaald taalspel. Taalspeltheorie is ook geldig voor ethiek.

    Wittgensteins filosofie betekent niet per se dat een zinvol gesprek over ethische maatstaven tussen verschillende culturen niet mogelijk zou zijn, dus taalspel-filosofie impliceert geen ethisch relativisme, maar heeft enkel zin indien er voldoende overeenstemming in levensvorm bestaat of indien taalspelen ontstaan die diverse levensvormen verbinden.


    4. Taalspelen en esthetica

    Esthetica is volgens Wittgenstein geen wetenschap, de betekenis van esthetische uitspraken kan geen onderwerp van wetenschappelijk onderzoek vormen – cfr. Tractatus waar hij stelt dat waarden geen feiten zijn en alleen feiten object van wetenschappelijk onderzoek kunnen zijn.

    Het antwoord op de vraag of iets mooi is, is geen ervaringsuitspraak. Als dit zo zou zijn, zou het antwoord een psychologische uitspraak zijn. Oorzaken spelen echter geen rol in de esthetica, alleen redenen of verklaringen. Redenen zijn verbonden met de toepassing van de taalspelregels, en zijn niet causaal verbonden met de werkelijkheid. De betekenis van een kunstwerk is niet het causaal opgeroepen effect van het kunstwerk op de toeschouwer.

    De betekenis van een kunstwerk is niet het causaal opgeroepen effect. (bvb ontspannende muziek, dan kunt ge ook een pil nemen) Wittgenstein heeft bezwaar tegen het praten over het effect van een kunstwerk, omdat nadruk op het effect ten koste gaat van het kunstvoorwerp zelf.

    De betekenis van esthetische begrippen verbindt Wittgenstein met taalspelen en levensvormen. Esthetisch taalgebruik moet niet beschrijvend zijn, we moeten opletten op wat we doen (hoe we poëzie lezen, om kunt te begrijpen die hele tijdsperiode begrijpen). Taalspeltheorie is ook geldig voor esthetica.


    5. De invloed van de Philosophische Untersuchungen

    Het latere werk heeft een grote en wijdverspreide invloed uitgeoefend. Invloed is nog steeds in gang. Grote invloed op de wetenschapsfilosofie: de gedachte dat taal niet rechtstreeks de werkelijkheid afbeeldt, maar via een taalspel, is verder uitgewerkt door Thomas Kuhn. Veel wetenschapsfilosofen richten hun aandacht niet langer op de vraag of een bepaalde theorie de essentie van de werkelijkheid weergeeft, maar op de regels die wetenschappers volgen bij het opstellen van hun experimenten en hun theorieën, en op de inbedding in een bepaalde levensvorm. Zij werken zodoende aan een anti-essentialistische en niet-metafysische visie op de wetenschap en de resultaten daarvan.


    6. Samenvatting

    Taalspelen verhouden zich niet tot de werkelijkheid zoals volzinnen. Ze zijn autonoom en min of meer arbitrair.

    Taalspelen zijn terug te voeren op zeer algemene, natuurlijke feiten, de natuurlijke historie, de levensvorm. De levensvorm is het fundament van onze taalspelen, niet een metafysisch fundament, maar een natuurlijk gegroeid en contingent fundament.

    p 135.