Het Ontstaan van Industriële Samenlevingen

De Sterke en Flexibele Staat

 

Het verdwijnen van de standenstaat

Belangrijk aspect in de afbraak van de standenstaat: onderwerping van de adel.

Er bestond middeleeuws constitutionalisme: evenwichtssituatie tussen vorst en standen, waarbij de standen privileges en bestuurlijke autonomie bij de vorst afdwongen door middel van de standenvergaderingen.

Hendrik VII (1485-1509, Eng) en Lodewijk XI (1461-1483, Fr) grondleggers van het absolutisme, maakten einde aan aanspraken van bepaalde adellijke families op het koningschap (Rozenoorlogen, onderwerping hertog van Bourgondië).

Verbod op privé-bezit van legers door de adel. In Eng verbod op livery and maintenance genoemd, had tevens tot doel het regionale particularisme te bestrijden: regionale gemeenschappen zochten steun bij de adel, door ontwapening van de adel werd de autonomie van veel streken aangetast. Verliep in Fr moeizamer: combinatie van regionaal en feodaal particularisme met religieus fanatisme. Adel was protestant geworden, koningen moesten nog zware concessies aan hen doen. Pas onder Lodewijk XIV werd de adel volledig onderworpen, opgenomen in hofaristocratie. Standenvergadering niet meer bijeen in ruil voor ontheffing van belastingen voor adel en geestelijkheid.

Centralisatiepolitiek Eng koningen: koninklijke raadslieden in Lagerhuis.

In Eng en Fr conciliair bestuur: vorsten lieten zich adviseren door raden (conseils of counsels) op gebied van rechtspraak (Starchamber en Grand Conseil) en op gebied van bestuur en financiën (Privy Council en Conseil Privé). In deze raden: leden van de koninklijke familie en vertrouwelingen.

Relatie tussen koning en geestelijkheid: probleem van gezag van de paus opgelost in Fr via een concordaat met de paus (1516, Bologna) à invloed paus nihil in Fr. In Eng vond een kerkscheuring plaats, Hendrik VIII hoofd anglicaanse kerk (1534, Supremacy Act).

De sterke staat van het absolutisme

Vorst kreeg geweldmonopolie. Oppositie-elementen overwonnen. Vorst boven de wet. Ontwikkeling bureaucratie, leger, belastingen en handelspolitiek.

De bureaucratie in Frankrijk en Engeland

Overeenkomsten: in beide landen bestond een omvangrijke bureaucratie. Onderscheid tussen oude, relatief onafhankelijke ambtenaren en nieuwe ambtenaren, sterk afhankelijk van de kroon. Ambt was persoonlijk eigendom. Ambtenaar niet door overheid betaald. Nog geen formele regels. Loyaliteit aan vorst door verkoop ambten, was wel problematisch.

Verschillen: in Fr waren er meer ambtenaren dan in Eng en veel meer ambtenaren die volledig van de inkomsten van hun ambt moesten leven. In Eng part-time ambtenaren, zij bleven economisch actief. Hierdoor bleven staat en maatschappij in nauw contact. In Fr werd de bevolking niet bij de opbouw van de staat betrokken, geen vorming van nationale identiteit. Engelse bureaucratie meer open, zodat staats- en natievorming zich tegelijkertijd voltrokken. Ambtenverkoop in Fr op grotere schaal dan in Eng.

Betekenis bureaucratie voor industrialiseringsklimaat: sterke bureaucratie is voorwaarde voor industrialisering: beschermen eigendom, heffen van belastingen, scheppen infrastructuur en onderwijs. Verschil in ontwikkeling tussen beide landen: Franse bureaucratie omvangrijker, maar niet efficiënter. Hogere kosten, dus minder geld over voor investeringen. Ambten begeerd om status, niet om er sociaal-economische dingen mee te doen. In Eng door de part-time functie meer oog voor zakelijke belangen.

Het leger

Na 1560: invoering staande legers (permanent, niet ontbonden in vredestijd).

Overeenkomsten Fr en Eng: toename in omvang en invloed van het leger door toenemend aantal oorlogen in Europa en door monopolisering van geweld in eigen land.

Verschillen: Fr had een groter en duurder staand huurleger. Eng: tot eind 17e eeuw beperkt, goedkoop en op dienstplicht gebaseerd leger, met name voor ordehandhaving in het land zelf. Fr: landleger; Eng: vloot.

Groei leger in Eng had negatief effect op macht van de koning à te duur à hogere standen meer invloed op bestuur.

Belastingen

Regressieve belastingdruk: de lagere groepen in de bevolking betaalden meer belasting dan de hogere. Voorkeur voor indirecte belastingen (accijnzen, in- en uitvoerrechten) kwam voort uit moeilijkheid om inkomen en vermogen te achterhalen. Inning bemoeilijkt door slechte infrastructuur. Problemen bij registreren en aanslaan. Belastingen in beide landen stimuleerden ontplooiing van het marktmechanisme en daarmee de omvang van de burgerij in omvang en betekenis.

Verschillen: regressiviteit van belastingen in Fr groter dan in Eng, in Fr waren adel en geestelijkheid vrijgesteld. In Eng kwamen de inkomsten van de indirecte belastingen meer uit in- en uitvoerrechten (customs), in Fr meer uit accijnzen. De customs belastten de burgerij het zwaarst, de accijnzen het meest de keuterboeren. In Eng tot midden 17e eeuw geen accijns op eerste levensbehoeften, in Fr wel. In Eng geringere belastingdruk door minder omvangrijke bureaucratie en minder groot leger. In Fr werd kapitaal in ambten en titels gestoken, in Eng werd in handel en nijverheid geïnvesteerd. In Eng was er een betere verdeling van belastingbetaling à grotere koopkracht.

Het mercantilisme

Economische politiek vd absolutistische staat. Uniformering corporatistische instellingen en fiscaal dienstbaar maken aan de staat. Versteviging staatsmacht, afbraak standenstaat. Aspecten mercantilisme:

  1. Bevordering vrij personen- en goederenverkeer. Opheffen feodale verplichtingen, regionale tollen en tarieven; uniformering gilderegelingen. Vrijhandelsgebied (Colbert).
  2. Aanleg van wegen en kanalen, in Fr door de overheid (Colbert), in Eng door lokale overheden en particulieren
  3. Manipulatie van de markt door hoge invoerrechten op buitenlandse fabrikaten; lage invoerrechten op voedsel en grondstoffen (tariefpolitiek). Aantrekken ambachtslieden uit buitenland. Vergeven van belastingvoordelen voor ondernemers en arbeiders.
  4. Overheid als ondernemer: oprichten van handelscompagnieën en manufacturen. In Eng geen staatsbedrijven. In Eng wel oprichting nationale bank.

Verschillen in mercantilisme Eng-Fr:

In Eng het sterkst eind 16e-begin 17e eeuw. Wolexport beperkt. Opzetten volledig Eng wolindustrie echter mislukt. Overheidscontrole verslapte. Engels mercantilisme economisch en pragmatisch: men nam maatregelen als het economisch nuttig leek, maar schafte ze snel af als ze niet werkten. In Fr 2e helft 17e eeuw door Colbert. Fiscale en politieke bijbedoelingen. Oprichting handelscompagnieën en nijverheidsondernemingen die grote risico’s namen. Pouvoir boven profit.

Franse staat: sterk maar inflexibel. Omvangrijke bureaucratie, staand leger, zware belastingdruk, rigide mercantilisme. Politiek gericht op macht, niet gericht op een zich economisch ontplooiende nieuwe elite.

Engelse staat: minder rigide. Bureaucratie, leger, belastingen en mercantilisme vrij krachtig. Invloed van agrarisch-stedelijke elite groter; vorstelijke macht beperkter. Eind 1650 echter eerder sterk dan flexibel.

‘Patria’ op zoek naar de flexibele staat

Oppositie tegen het absolutisme

Dualisme tussen staat en samenleving: enerzijds de vorst met absolutistische strevingen, anderzijds de standen. Voor de burgerij was afbraak van de oude standenstaat de enige mogelijkheid om sociale mobiliteit om te zetten in vergroting van politieke macht. Geleidelijke versmelting adel en burgerij. Binnen deze elite groeide de gedachte dat de macht van de vorst beperkt moest worden. Totstandkoming beperkte monarchie in Eng snel en geleidelijk, in Fr traag en met horten en stoten. Verzet bij een bredere maatschappelijke elite, verzet minder particularistisch en corporatistisch dan vroeger.

De geleidelijke versmelting van adel en burgerij

Veranderende verhouding adel/burgerij: meer economische mentaliteit bij adel, ten gevolge daarvan grotere mogelijkheid tot opwaartse mobiliteit bij burgerij.

Barrington Moore: relatie adel-burgerij van groot belang vooor ontplooiing tot sterke democratische staat. Twee thesen in zijn theorie:

  1. hoe sterker de interactie en samenwerking tussen stedelijke en plattelandselites, des te groter de kans op een succesvolle overgang naar democratie, gebaseerd op algemeen kiesrecht en een vrije, ondernemingsgewijs georganiseerde economie
  2. hoe groter de afstand tussen de economieën van stad en platteland, des te groter het gevaar van een ongecontroleerde en onevenwichtige groei van de staat en des te meer kans op een autoritaire overgang naar de moderne industrieel-kapitalistische samenleving.

In Eng ontstond vroeg een mentaliteit van economisch individualisme en een streven naar winst, in stad en op platteland. Enclosures leidden tot commercialisering van het platteland en verburgerlijking van de adel. In Fr was de embourgeoisement van de adel beperkt. Enclosure-beweging in Fr beperkter, maar speelde wel een rol. In het noorden verburgerlijkte bovenlaag van de adel, die steun kreeg van de overheid. Overheidsmaatregelen voor liberalere politiek. In beide landen ook aristocratisering van de burgerij. In Fr feodalisering van de burgerij door ambtenverkoop à verkrijgen titel en daarmee macht. Noblesse de robe. Begin 18e eeuw grotere eenheid tussen robe en épée. In Fr had aristocratisering van de burgerij de overhand, in Eng domineerde de verburgerlijking van de adel.

Nieuwe oppositie tegen het absolutisme

Verzetsmogelijkheden: Lagerhuis en parlement van Parijs (minder wetgevend, rechtsprekend). Van oudsher recht op verzet tegen de vorst. Legitimatie in de patriagedachte. Patria vroeger de regio met eigen wetten en rechten. Particularistisch verzet minder effectief door absolutisme, patria werd meer nationaal.

Patriaverzet in Eng: ontstond in 1640 tegen Karel I en minister Stafford. Verzet van puriteinen tegen rekatholisering van de anglicaanse kerk, sloten zich aan bij de patria-aanhang.

Patriaverzet in Fr: de Fronde, begon in Parijs’ parlement, verzet tegen nieuwe belastingen. Hugenoten deden niet mee. Reactionair-feodale oppositie naast parlementair patriaverzet. Dualiteit staat-samenleving: adel en geestelijkheid politiek vleugellam, maar in sociaal opzicht speelden ze nog een grote rol; tegenstelling tussen absolutisme en de standensamenleving. Modernisering op initiatief van koning met zijn adviseurs.

In Eng anders. De burgerlijk-aristocratische elite had sinds de Glorious Revolution de macht over het staatsapparaat in handen. In welk opzicht voerde deze elite nu een politiek waardoor Eng spontaan en snel de weg naar een industriële samenleving kon inslaan? Drie zaken: een belastings-, verrijkings- en faciliteitenpolitiek. Deze punten liggen op het door Supple omschreven terrein van de manipulatie van belastingen, subsidies en markten.

Fiscale politiek: stelde ondernemers in staat privé-investeringen te doen, kregen allerlei voordelen; kooplui werden ontzien. Zonder toestemming van parlement en common law courts mocht de staat geen belasting op roerend goed heffen.

Verrijkingspolitiek: het zich toeëigenen van staatsgelden of gemeenschapsgronden. Uitvoerpremies, enclosure-wetten. De bezittende klassen bepaalden hoe de belastinggelden gebruikt moesten worden.

Faciliteitenpolitiek: creëren van gunstige economische omstandigheden en instellingen voor particuliere ondernemers. Bank of England. Liberalisering handelspolitiek (opheffing controle op graanhandel).

Overheid bleef wel passief op terrein van infrastructuur en onderwijs. De beperkte monarchie van Eng zorgde voor financiële, fiscale en markteconomische voorzieningen.

Frankrijks vertraging

In Eng won het patriaverzet het van de koning, in Fr won de koning het van het patriaverzet. In Eng geleidelijk proces naar modernisering en industrialisering, ontwikkeling in Fr schoksgewijs. Moet verklaard worden uit het feit dat in Eng er een klassensamenleving ontstond (in de 18e eeuw), in Fr voortbestaan van de standensamenleving; hier klassenvorming binnen de standen. Pas in 1830 bereikte Fr een situatie vergelijkbaar met de beperkte monarchie in het Eng van 1688. Ligt aan het verschil in coalitievorming tussen adel en burgerij. Moore heeft dit verschil in allianties verklaard door de per land verschillende sociaal-economische en politiek-ideologische contexten ervan te onderzoeken:

Het verschil tussen de Franse en Engelse allianties van adel en burgerij

Sociaal-economisch: in Eng grootschalige graanbouw, kapitaalintensieve schapenteelt en wolproductie à snelle commercialisering platteland. Fr: arbeidsintensieve wijnbouw, traditioneel, duur en inefficiënt. Leidde niet tot commercialisering en marktgerichtheid. Bourgeoisie meer geïnteresseerd in status dan in winst. Feodalisering van de burgerij, blijkt uit aard van privé-eigendom: grond, stedelijk bezit, ambten. Dit zijn niet-risicodragende investeringen. Open versus gesloten klassenstructuur: in Eng direct contact tussen stedelijke elites en grootgrondbezitters, in Fr niet. Lagere adel sloot gemakkelijker aan bij burgerij in Eng, alleen de oudste zoon erfde, jongeren zochten iets anders. In Fr was toegang van gegoede burgerij tot ambtsadel beperkt.

Politieke barrières: kloof tussen robe en épée, kloof tussen fiscaal vrijgestelde adel en niet vrijgestelde burgerij. Drempel was ook de feodalisering van de burgerij: fixatie op opklimmen in ambtelijke hiërarchie ging ten koste van economische interesse. Burgerij splitste zich in gewone burgerij en bourgeoisie robine. Dit alles bestond niet in Eng.

In Eng vervaging van sociale grenzen. In Fr versterking sociale gelaagdheid door belasting- en ambtenpolitiek. Itt de verburgerlijking van de adel in Eng verdeelde de verkoop van ambten en titels in Fr de hogere burgerij in 3 scherp gescheiden lagen: noblesse de robe, bourgeoisie robine en de gewone hogere burgerij. Vormde grote belemmering. In Eng vond de afbrokkeling van de standenstaat van onderen op, nl in de standensamenleving zelf, plaats.

Standen- en klassentegenstellingen in Frankrijk

Voortbestaan standen betekende niet dat er geen klassentegenstellingen bestonden. Gebaseerd op bezit en vermogen binnen de standen. Binnen adel: rijke, moderne adel versus arme, conservatieve adel. Gevolg van de dérogeance-opvatting: edellieden mochten geen burgerlijke beroepen in handel of nijverheid uitoefenen (beneden de waardigheid). Rijke, moderne adel werd revolutionair.

Tegenstellingen binnen hogere burgerij: robine en ‘gewone’. De moderne burgerij (girondijnen, doctrinairen) zou geleidelijk aan de robine en de moderne adel in haar gelederen opnemen en zou de kapitalistische klasse gaan vormen. De kleine burgerij was tegen de oude standen en voor de revolutie, maar anti-kapitalistisch (jacobijnen). Boeren: in Eng moesten kleine boeren op eigen kracht overleven. Degenen die dat lukten, de yeomen, kregen goede positie, zij die faalden werden landarbeiders. 18e eeuw: peasants verdwenen. In Fr bleven keuterboeren bestaan, verproletariseerden, waren conservatief. Gegoede boeren profiteerden van hoge graanprijs en werden Franse yeomen, laboureurs genoemd.

De Franse Revolutie

Klassentegenstellingen verklaren waarom de modernisering ten tijde van de Franse revolutie traag verliep. Tegenstelling oude adel + bourgeoisie robine (seigneuriale burgerij), moderne kapitalistische adel + bourgeoisie.

Kleine burgerij gebaat bij moral economy: voedselprijzen niet alleen regelen door het marktmechanisme. Anti-liberaal. Fr.Revolutie. was niet burgerlijk-kapitalistisch. Jacobijnen aan de macht, waardoor mengeling van liberale en anti-liberale maatregelen à illustreert schoksgewijze modernisering. Komt door de gesloten structuur van de Franse standensamenleving. De FR leek de standensamenleving wel af te breken (gelijkheid, toegang tot openbare ambten voor iedereen, afschaffing kerkelijke tienden). Maar Napoleon stelde zijn staatsapparaat in dienst van oorlogspolitiek, niet in dienst van modernisering.

De doctrinairen en de burgerkoning

Doctrinairen: losse club van hogere burgerij, intellectuelen en hogere ambtenaren die een zeer pragmatische politiek voorstonden. Soevereiniteit van de rede. Beschouwden zich als het juiste midden (juste milieu) tussen koning en adel enerzijds en het volk anderzijds. Wilden de macht verdelen tussen de koning en de in 1815 ingestelde Chambre des Députés. Belangrijkste figuur: Guizot. Minister van BuiZa onder Louis Philippe (1830-1848), de burgerkoning. Conservatief-liberaal regime. Beperkte monarchie. Begunstiger hoge burgerij. De staat kreeg weinig ruimte voor leningen, de directe belastingen werden laag gehouden, renteconversie (wijziging in de rentebetaling van een schuld) werd tegengegaan, zo zuinig mogelijk staatsbeleid. Aanleg spoorwegen, verbetering onderwijs. Guizot probeerde handel te liberaliseren, maar de burgerlijke elite was tegen. De hogere burgerij was grondbezitter, geldbelegger of ambtenaar, geen industrieel. Maar de doctrinairen en Louis Philippe hebben de politiek-constitutionele grondslagen gelegd voor industrialisering. De hebben de sterke gecentraliseerde staat opengesteld voor de hogere burgerij, de sociale mobiliteit bevorderd; de burgerij kon invloed uitoefenen op het regeringsbeleid. Staat niet meer gezien als instelling van macht, maar ook als instrument ter verhoging van welvaart.

Conclusie

De beperkte monarchie van Louis Philippe vertoonde opvallende overeenkomsten met de Engelse monarchie van na 1688. Naast een gecentraliseerd machtsapparaat werd de staat in beide landen de flexibele behartiger van de belangen van een aristocratisch-burgerlijke elite. Kwam tot uiting in financiële voorzieningen als een bank en een beurs en in het afstemmen van internationale betrekkingen op die aristocratisch-burgerlijke belangen (opheffen Acte van Navigatie, bevordering graanexport).

Antwoord op de vraagstelling in welke zin de vorming van een sterke staat een rol speelt in het industrialiseringsproces: de vorming van een sterke staat mag bij vroege industrialiseerders niet leiden tot een belemmering van sociale mobiliteit en de ontwikkeling van een vrij marktmechanisme. Een belangrijke rol bij Engelands hogere moderniseringstempo speelde de geringere druk van de staat op de samenleving. De vroege, snelle, spontane industrialisering van Eng is daarom zo interessant, omdat alleen dat land erin slaagde de vorming van een sterke staat te combineren met een bijna organische ontwikkeling naar een open kapitalistische samenleving met een vrij marktmechanisme. Deze kwamen in Frankrijk slechts schoksgewijs, aarzelend en naar Engels voorbeeld tot stand. Houdt verband met een aantal factoren:

De Franse staat was op een vroeg tijdstip sterk en gecentraliseerd. De voor industrialisering noodzakelijke flexibiliteit kon hij zich echter slechts traag en na overwinning van veel weerstanden, eigen maken.


| Index | Geschiedenis | Industriële Samenlevingen | Vorige | Volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

Winnie de Keizer (2002)